A. A. van Ruler

Als theoloog heeft de belangrijkste bouwmeester van de hervormde kerkorde van 1951, A. A. van Ruler (1908-1970), weinig erkenning gekregen. Barth en Miskotte verdreven de Utrechtse dogmaticus al snel naar de rand van het theologische speelveld. Dat wil echter niet zeggen dat Van Rulers opvattingen geen invloed hebben gehad. De Groningse dogmaticus en ethicus prof. dr. L. J. van den Brom is zelfs van studierichting veranderd om college te kunnen lopen bij deze 'theoloog van de aardse werkelijkheid'.

,,Van Ruler haalde het geloof in het dagelijkse leven binnen. Zijn visie was dat je geloof en geloofservaring bij elkaar moet houden om je in het leven te kunnen bewegen. Op een keer kwam hij de collegezaal binnen met een roos in zijn hand. Hij snoof eraan en zei: 'Ik ruik het koninkrijk Gods'. De wijze waarop hij de alledaagse werkelijkheid benaderde, hoe hij sprak over de schepping en het koninkrijk Gods, was zeer verrassend en origineel. De bloeiende boomgaarden in de Betuwe, alle schoonheid in de werkelijkheid, zag hij als Gods aanwezigheid. Hij ervoer de schepping als uitdrukking van de Schepper. En wie was hij om zich daartegen te verzetten?''

Deze aardsheid in zijn theologische denken voerde hij consequent door in alle aspecten van het leven. Zo wees hij er heel nadrukkelijk op dat de stoffelijke werkelijkheid positief moest worden gewaardeerd. 'De materie is het gebindte van de geschapen werkelijkheid, tegenover het transcendente', zei hij, en dus 'niet iets om je neus voor op te halen'.

Van den Brom herinnert zich nog goed hoe shockerend Van Rulers opvattingen soms overkwamen op de meer orthodoxe studenten.

,,Over seksualiteit bijvoorbeeld sprak hij heel open en eerlijk. Het aardse bestaan, zei hij, is er om van te genieten. Je mag er zijn als mens, je bent gewild. En in de seksualiteit geniet je pas echt ten volle. Als je je opmaakt voor de coïtus, kies je open en bloot voor elkaar en pas dan gééf je je echt bloot, zoals je ook op een gegeven moment 'piemelnaakt voor God komt te staan'. De seksuele beleving zag hij daarom ook als het wezenlijke van het huwelijk. De rest, trouwen in de kerk of op het stadhuis, was in zijn ogen niet meer dan een administratieve handeling.''

In zekere zin was Van Ruler een theocraat. Daarmee bedoelde hij overigens niet een samenleving die geregeerd wordt door een bijbelse dictatuur. Van den Brom: ,,Hij stond een openbare staat voor - ook zonder christelijke scholen - waarbij echter de cultuur gevormd wordt door de Heilige Schrift. Hij vond dat het klimaat van de Bijbel, bijbelse noties als gerechtigheid en rechtvaardigheid, weer bespreekbaar gemaakt moesten worden in de samenleving. De Bijbel moest weer een belangrijk cultuurvormend element worden, voor heel Europa. In mijn ogen was hij in wezen bezig met politieke theologie. Hij riep dat politiek een heilige zaak was, zelfs dat politiek bedrijven het toppunt van geloven was. Geloven, zei hij, heeft met de hele menselijke werkelijkheid te maken, net zoals politiek. Daarom is politiek belangrijker dan het kruis.''

,,Veel theologische verhandelingen éindigen bij het kruis. Dat Van Ruler daarover heel anders dacht heeft te maken met zijn bijbelopvatting en met zijn nadruk op de drieëenheid van God, in een (barthiaanse) tijd waarin vooral de christologie centraal stond. Hij kwam geweldig op voor het Oude Testament en noemde het Nieuwe slechts een verklarende woordenlijst achterin. Daarmee bedoelde hij dat het Nieuwe Testament slechts over enkelingen en groepjes gaat, terwijl het Oude over het hele leven, de totale werkelijkheid gaat. Daar vind je noties over recht en onrecht, over politiek en over menselijke uitwassen.''

,,De kruisdood van Jezus noemt hij in dit perspectief niet meer dan een 'noodmaatregel' die eigenlijk niet nodig had moeten zijn. Het is een momentopname, waarna de Geest ons weer terugbrengt bij het Oude Testament, waar we het brede leven tegenkomen. Van Ruler beschouwt de mens als een hoogst verantwoordelijk wezen, dat wel even achterom mag kijken naar het kruis, als bevestiging dat het is aangenomen, maar dat vooral vooruit moet kijken naar het koninkrijk Gods dat in de schepping zichtbaar moet worden gemaakt.''

Door te spreken over God als drieënige, ontstaat er een element van persoonlijke relaties in God. Voor Van Ruler was dat heel belangrijk, omdat dat volgens hem ook iets zegt over ons mensen in relatie tot elkaar en tot God: zo in de hemel, zo op aarde, meende hij.

Zoals de Vader iets met de Zoon heeft en de Zoon met de Vader, de Vader en de Zoon met de Geest en omgekeerd, zo heeft de drieënige God ook met de mensen te maken en mensen met God en mensen onderling met elkaar.

Ter illustratie gebruikte Van Ruler een destijds actuele metafoor waarmee hij wederom de orthodoxen de stuipen op het lijf joeg. 'De Here God', zei hij, 'is net Johan Cruijff. Om een spel te spelen heeft Cruijff 21 andere mensen nodig. Zo heeft God ook mensen nodig, maar Hij maakt wél het spel. De een is van de ander afhankelijk maar ieder speelt zijn eigen rol.'

In dat onderlinge spel moet de mens zijn eigen rol zeker niet onderschatten, vond Van Ruler. Het Al, God, is het belangrijkste, maar ik, mens, ben er ook nog, ik moet mijn mannetje staan. Dat de drieënige God (en niet alleen de Zoon) iets met mij heeft, betekent nog niet dat Hij mijn zonden met een grote witkwast kan wegpoetsen. Dat moet mij eerst gevraagd worden. Ik moet het ermee eens zijn en dan moet ik aan het werk in het leven, met behulp van de Geest die bedoeld is om het leven te herscheppen.

In Van Rulers opvatting van het christelijk geloof past dus een uitgesproken gevoel van eigenwaarde: je mag er zijn, je bent gewild. Volgens Van den Brom een nogal verfrissende opvatting in een tijd - jaren zestig - waarin existentialisme en nihilisme hoogtij vierden.

Tegenover de ervaring dat het bestaan een grijze, afgrijselijke gebeurtenis is, zette Van Ruler de visie dat je bestaan alleen al een wonder mag heten en dat je nog gewíld bent ook. Reden te meer, vond hij, om volop van het leven te genieten en er iets van te maken, 'in de werkelijkheid die bedoeld is om Gods verhaal gestalte te geven'.

In dat perspectief zag hij ook de rol van de kerk. Hij beschouwde de kerk als een onderdeel van een brede beweging van God naar de menselijke werkelijkheid toe, teneinde hier op aarde het Rijk gevestigd te krijgen. 'Niet wíj moeten binnen zijn', zei hij, 'maar de wereld moet binnen zijn. De kerk is niet onze identiteit - die hebben we van God gekregen - noch is ze een eindpunt. De kerk mag slechts een middel zijn op de weg naar het Koninkrijk Gods'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden