80 jaar leuke dingen voor de mensen

Paul van Vliet is onlangs tachtig geworden. Toch komt de Haagse theatermaker gewoon weer met een nieuwe voorstelling. Een interview aan de hand van steekwoorden.

"Wat een avond. Het gebeurt niet snel dat ze Carré alleen voor jou een avond lang beschikbaar stellen. Ik hoefde er zelf niet veel aan te doen. Youp van 't Hek trad op, Herman van Veen, Bert Visscher en Jochem Myjer, die ik beschouw als mijn artistieke zoon. Iedereen was er. Ja, ook de prinsessen Beatrix en Laurentien. Die ken ik al heel lang. Laurentien al vanaf dat ze nog een klein meisje was en Beatrix al sinds 1957. Ze was groot fan van het Leidsch Studenten Cabaret, dus ze kwam vaak naar ons kijken. Youp was nogal grof over het koningshuis, ja. Maar Beatrix zei tegen mij na afloop: 'Het is niet mijn humor, maar in deze situatie vond ik het erg grappig'."

"Ja, geboren en getogen. Stad ook van mijn grootvader. Grootvader Van Vliet was Kamerlid van de ARP, hij was een van de grote voormannen van de Anti-Revolutionaire Partij. Ik ben geboren aan de Denneweg, Denneweg 64, waar nu de Haagse Kunstkring zit. Het grootste deel van mijn jeugd heb ik in Den Haag gewoond, alleen in mijn studententijd woonde ik in Leiden. Vanaf 1976 tot drie jaar geleden hebben we in Breukelen gewoond, maar mijn kantoor is hier altijd gebleven - maandag was mijn 'Haagse dag'. Ik heb mij altijd veel ingezet voor de stad en ook in mijn teksten komt Den Haag vaak terug. 'Den Haag, met je lege paleizen', bijvoorbeeld. Mijn bekendste types Majoor Kees en Bennie zijn echte Hagenaars. Die Tetterloo, die ik in mijn laatste voorstelling doe, ook natuurlijk. Plat en bekakt. Werelden van verschil, maar in klank zitten plat en bekakt dicht bij elkaar. Nu, sinds een paar jaar, woon ik er weer. Mijn vrouw Lidewij en ik zijn blij dat we terug zijn in het hartje van het oude Den Haag. De Koninklijke Schouwburg is vlakbij, mijn eigen theater PePijn zit aan het huis vast en ik kan met een rollator naar het café als het moet. Ik heb mijn leven overzichtelijk ondergebracht in een cirkel van een paar honderd meter. Heerlijk, ik ben hier voor de tweede keer geboren."

"Ik aarzelde als jongen over wat ik met mijn leven wilde. Ik ben nogal een versnipperd wezen, met een versnipperde aanleg. Ik wilde eigenlijk de journalistiek in. Mijn vader moedigde dat aan, maar dan moest ik wel studeren, een basis leggen. Toen ben ik rechten en geschiedenis gaan studeren. Maar geschiedenis werd een drama. Te stroperig, ik liep erop stuk. Maar het Leidse studentenleven beviel me wel en het theater had een grote aantrekkingskracht op mij. Je had in die tijd de Grote Drie: Toon Hermans, Wim Kan, Wim Sonneveld. Daarna kwam er een hele tijd niets. Met Floor Kist heb ik het Leids Studentencabaret opgericht. Het was Ben Essing, een soort Joop van den Ende uit die tijd, die iets in ons zag. Hij organiseerde een professionele theatertoer voor ons. Dat werd een succes. Bij De Grote Drie kwamen we niet in de buurt, maar we hebben toen wel een brug kunnen slaan. Er bleek ook enorm veel behoefte aan cabaret zoals wij dat maakten.

"Dat rondtoeren was leuk en leerzaam, maar vanaf het begin wilde ik een eigen huis, een eigen theater. Als je theater wil maken, dan moet je een theater hebben. Daar ben je thuis, daar kun je op je bek gaan, daar kan eigenlijk alles. In 1964 was het zover en konden we dit pand huren. 'Ga jij in die ouwe garage zitten?' had mijn vader nog gezegd. Alles deden we zelf: kassa, kaartverkoop, decor, techniek, publiciteit; alles. Dat was een enorm goede scholing. En nóg! Ik doe niet alleen zelf hier mijn try-outs, maar Youp van 't Hek doet het ook, Jochem Myjer doet het en zo heeft zo ongeveer iedereen hier gestaan. De voorstellingen die we deden met Cabaret PePijn waren zeven jaar achter elkaar uitverkocht. Je had toen Shaffy, Cabaret Lurelei en wij.

"Theater PePijn heeft mindere tijden gekend. Ik zeg het nooit, maar ik vind dat het nu wel kan: Ik heb er tonnen ingestoken om het open te houden. Mijn accountant zei: 'Het theater eet het genadebrood van je bv. Dat kan niet langer'. Toen zijn we begonnen met benefietvoorstellingen en samengegaan met theater Diligentia. Het gaat nu goed. Vorig jaar hebben we het 50-jarig bestaan van PePijn gevierd. Het heeft nu precies de rol die ik er altijd mee voor ogen had: Een vrijplaats en een opstap voor nieuw talent. Youp, Herman Finkers, Harrie Jekkers, Jack Spijkerman en Jochem Myjer; de hele generatie na ons is hier begonnen. Ik heb PePijn altijd beschouwd als een kind. Anderen kennelijk ook want alle jongens in Nederland die Pepijn heten zijn van na 1964."

"Optreden eng? Nee, dat heb ik nooit eng gevonden, niet voor een groot publiek. Ik zou het enger vinden om nu hier in de huiskamer op te treden. Dat is directer, minder anoniem. Het spannendste vind ik, nog steeds, om iets nieuws uit te proberen, zoals nu met die Tetterloo. Humor is het spannendste, veruit. En het moeilijkste. Na 58 jaar optreden blijft humor nog net zo moeilijk. Nee, moeilijker. Dat heeft met souplesse in je hersens te maken. De beste nummers doe ik in een roes, extatisch. Dat is bij Tetterloo wel weer gelukt. Je moet in humor veel energie steken. Mooie dingen schrijf je wel, maar humor... In mijn nieuwe voorstelling is ongeveer 30 procent nieuw en 70 procent oud of herschreven. Weet je wat het is? Humor lezen is anders dan het spelen. Iets wat geschreven staat, kan heel anders uitpakken als het uitgesproken wordt. Je kunt in humor ook niet eigenwijs zijn. Ik kan het wel leuk vinden maar het gaat om die zaal, die moet het leuk vinden. Toon Hermans heeft me veel geleerd. (Gaat staan) "Toon Hermans zei over een grap altijd: 'Je moet hem beneden neerleggen en boven nakijken.'

"Vond je dat een mooie tekst? Ja, Jan Tamelijk. (Draagt voor): 'Jan Tamelijk gelooft niet meer in wonderen, hij staat veilig buiten schot te kijken aan de kant, boven het bizarre en bijzondere, dat hoeft voor hem niet meer, dat was zijn kinderland'. Enzovoorts. Ik heb een afkeer van mensen die niet deelnemen. Die alleen maar veilig aan de kant waarnemen met hun cynisme en sarcasme. Satire is mooi, satire is leuk, maar cynisme en sarcasme levert niks op. Het doodt enthousiasme en vitaliteit. Ach, je moet ook af en toe even uitpakken tegen iets. Maar mensen veranderen kan niet, die illusie heb ik nooit zo gehad. Het maximale wat je kunt bereiken is dat mensen even nadenken. Jan Tamelijk houdt ook niet van kinderen."

"Ik wel, ja. Ik heb een enorm respect voor kinderen gekregen door mijn werk als ambassadeur voor Unicef. Door hun fantasie en spontaniteit. De eerste drie, vier jaar zijn zo belangrijk voor een kind, dan worden ze gevormd. In de vier continenten waar ik kinderen heb bezocht, leerde ik dat ze altijd wel iets vinden om te lachen. Ik moet wel altijd iets doorbreken. Dat snap ik wel: komt er ineens zo'n rare, witte man op bezoek. Daarom maak ik altijd een orkestje met ze. Ik ben dat werk voor Unicef gaan doen omdat ik meer wilde doen met mijn eigen werkkracht. Als tegenwicht ook, op die toch vrij egocentrische theaterwereld. Ik ben er veel mondialer door gaan denken, kritischer ten opzichte van mijn eigen land ook. Tegelijkertijd ben ik mijn land meer gaan waarderen.

"Ik heb zelf geen kinderen, nee. Dat wil zeggen: Lidewij heeft twee kinderen naar wie ik door de jaren heen heel sterk toe ben gegroeid. En zij naar mij. Het is geen gemakkelijke rol, die van stiefvader. Dat kost extra energie en moeite. Een goede, liefdevolle band is niet vanzelfsprekend als het niet je eigen kinderen zijn, dat is nu eenmaal zo, dat is toch anders. Maar je relativeert ook beter, kijkt er anders naar. En het is iets heel moois: We hebben een bevochten liefde."

"De dood jaagt me geen schrik aan, maar ik wil wel elegant vertrekken. Mijn vader is op 91-jarige leeftijd overleden. In 1991 was dat. Zoals hij dood ging, zo zou ik ook wel dood willen gaan. Op een donderdag was hij nog aanwezig bij mijn voorstelling, de dinsdag daarna was hij dood - een ziekbed van vier dagen. Mijn vader was trots op me. Als hij de voorstelling bezocht, liep hij daar met zijn stok te zwaaien: Opzij, opzij, ik ben de vader van Paul van Vliet. Maar het einde komt onherroepelijk in zicht als je 80 bent, het leven is niet langer oeverloos. Je wordt ook wat zorgelijk, ik ben iets meer een piekeraar geworden. Bang dat ik een vreselijke ziekte krijg of geen geld meer heb. Het wereldnieuws komt ook harder binnen. Ik wandel elke dag een uur naar de zee. Dat doe ik aan het eind van de middag, als het eb is en het strand dus breed. Dat geeft me de ruimte. Ik ben een optimistische pessimist, trouw aan mijn eigen teksten."

De voorstelling 'Alleen op zondag' is t/m 29 mei te zien in de Koninklijke Schouwburg te Den Haag.

interview

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden