80 En toen was er het milieu

In een korte serie kijkt Trouw terug op het activisme van de jaren tachtig. Deel 3: de milieubeweging.

Zoiets had de koningin nog nooit gezegd. Op Eerste Kerstdag 1988 hield de majesteit haar traditionele kerstrede. En ze zei: „Onze wereld lijdt onder vervuiling en vergiftiging van lucht, bodem en water. Langzaam sterft de aarde.”

Met die historische uitspraak zette het staatshoofd een ferm en dramatisch uitroepteken achter het proces dat zich in de jaren tachtig had voltrokken: Nederland was zich bewust geworden van het milieu.

„In de jaren tachtig werd duidelijk dat heel veel mensen zich ongerust maakten over natuur en milieu”, zegt Norman van Swelm. „Er openbaarde zich een grote boosheid.” Van Swelm – milieubeschermer noemt hij zichzelf – ondervond het aan den lijve. „Ik was in 1979 met een collega meegevaren op een schip met zeehondenjagers, naar Canada, als freelance journalist”, vertelt hij. „Een slagveld was het daar. Al langere tijd wist ik van de zeehondenjacht, ik had er veel studie naar gedaan. We filmden, maakten foto’s en schreven erover. Over de brute slachtingen, over de verwerking van de dode zeehonden, alles brachten we in beeld. In 1980 verscheen ons verhaal in Nieuwe Revu, met kleurenfoto’s. Toen barstte de bom. Mensen lazen het verhaal, op tv werd er aandacht aan besteed, ook internationaal. Er kwam enorm veel boosheid los.”

Twee jaar later kwam er een Europees importverbod op zeehondenhuiden. Bontwinkels in Nederland moesten de een na de ander de deuren sluiten en verkochten hun mantels tegen enorme kortingen. Wie zich in bontjas op straat vertoonde, liep kans belaagd en besmeurd te worden door actievoerders.

Niet dat er tot aan de jaren tachtig niets gebeurde aan natuur- en milieubescherming. Sterker: in de eerste helft van de jaren zeventig al werden honderden nieuwe, veelal lokale, milieuorganisaties opgericht. Tegen luchtvervuiling, bodemverontreiniging, vliegtuiglawaai, tegen nieuwe wegen, tegen waterverontreiniging. Van Swelm was in die tijd een van de oprichters van d e Stichting Kritisch Faunabeheer ( tegenwoordig Stichting Faunabescherming). „Ik schreef kritische stukken over de plezierjacht. Ik deed mee aan protesten tegen de aanleg van de verlengde A4. Rijksweg 19 heette die toen nog. Ik was betrokken bij Natuur en Milieu, bij de Stichting Duinbehoud.”

De enorme groei en vooruitgang van de naoorlogse decennia had schaduwzijden en daar was steeds meer oog voor gekomen. Het rapport ’Limits to growth’ van de Club van Rome uit 1972 was er een duidelijke exponent van. Een jaar eerder was in Nederland het ministerie van volksgezondheid en milieuhygiëne ingesteld en ook met het aantreden van het kabinet-Den Uyl kwam het milieu hoger op de politieke agenda. Natuur- en milieuorganisaties kregen steeds meer inspraak en steeds meer subsidie. Organisaties als Milieudefensie, Natuur en Milieu (beide in 1972) en de Nederlandse tak van Greenpeace (1978) werden opgericht.

De jaren zeventig waren ook de tijd van de ideologische en gepolariseerde politiek en van het idee dat de wereld maakbaar is. „Ik had toen een biologische winkel in Groningen”, vertelt Ron van Huizen. „Niet vanuit een of ander groot ideaal of antroposofisch gedachtegoed, maar gewoon omdat het m’n interesse had. Ik voelde me wel betrokken bij natuur en milieu, maar tegelijkertijd had ik een echte handelsgeest. Veel linkse mensen vonden dat maar niks. Commercie was een vies woord. Het ging hen om strenge idealen en straffe dogma’s. Maar daar had ik eigenlijk niets mee.”

In 1980 werd Van Huizen directeur van de Nederlandse tak van Greenpeace. „Ik was heel benieuwd of ik daar in die dogmatische, idealistische wereld zou landen. Maar dat was helemaal niet zo. De tijd van pragmatisch, zakelijk handelen was aangebroken. Dat lag me heel goed.”

De jaren tachtig waren de tijd van ontideologisering, en met het aantreden van het eerste kabinet-Lubbers deed de pragmatische politiek haar intrede. Linkse partijen hadden het onderspit moeten delven. De kraakbeweging raakte over haar hoogtepunt heen. Na de gewelddadige confrontatie tussen betogers en ME bij de kerncentrale van Dodewaard in 1981 gebeurde hetzelfde met de beweging tegen kernenergie. De resten van het linkse activisme van de jaren zeventig vormden in de jaren tachtig een kleine minderheid in de milieubeweging.

Maar ze zorgden wel voor veel interne discussie: hoe ver mag je als milieubeschermer gaan? „Die voormalige kernenergieactivisten en met elkaar ruziënden krakers”, vertelt Van Huizen, „daar kregen wij last van. Die activistische types wilden met ons samenwerken. Ze drongen zich op. Ik ben in die tijd bang geweest dat onze organisatie zou radicaliseren, maar dat is gelukkig niet gebeurd. Van al die radicale, links-activistische groepjes moesten wij niets hebben. Onkruit, Bluf – die clubjes die door het gedoe rond Wijnand Duyvendak nu zo in de belangstelling staan, stelden niet zo veel voor. En een organisatie als Milieudefensie was toen nog een heel keurig clubje. Dat gold voor de hele milieubeweging – dat woord bestond toen nog niet, trouwens: eigenlijk was het allemaal heel braaf.”

Toch dreigde ook binnen kleinere, lokale milieuorganisaties radicalisering. „Er meldden zich begin jaren tachtig bij ons steeds meer radicale types, die vonden dat we veel hardere en zelfs gewelddadige acties moesten gaan voeren”, zegt Jan Korff de Gidts van de actiegroep Vrienden van Amelisweerd. Die groep verzette zich al in de jaren zeventig hevig tegen de geplande aanleg van de A27 door het natuurgebied Amelisweerd bij Utrecht. „Ik heb ontzettend veel discussies gevoerd. Hoe ver kun je gaan? Ik vond en vind: je moet geen geweld gebruiken, dat is onverstandig. We hadden vaak juist heel gezellige en vrolijke bijeenkomsten en bosbezettingen. Maar er kwamen mensen bij, veel uit Amsterdam en Nijmegen, uit de krakersbeweging en ook activisten die altijd tegen kernenergie hadden geprotesteerd, die vonden dat geweld best kon. Die vernielden hekken en machines, bijvoorbeeld. Op een gegeven moment vreesde ik echt dat ik met mijn standpunten in de minderheid zou komen. Terwijl we met ludieke publieksacties al heel veel hadden bereikt.”

Van het radicale milieuactivisme moest ook Greenpeace niets hebben, zegt Van Huizen. Maar ook zijn organisatie overtrad met grote regelmaat de wet. „Dat is waar. Ik moest talloze malen voor de rechtbank verschijnen. Maar we hadden brede steun in de samenleving. De rechter had daar ook oog voor. Ik kan me een uitspraak van de Amsterdamse rechter herinneren. Die zei: als een organisatie een groot maatschappelijk draagvlak heeft, hoeft een actie waarbij de wet wordt overtreden niet per se onrechtmatig te zijn. Bovendien: als wij op zee probeerden te verhinderen dat er nucleair afval werd gedumpt – wie is er dan onrechtmatig bezig? Wij of die afvaldumpers? En ook al overtraden we nu en dan de wet: dat deden we altijd met open vizier. Nooit dat stiekeme gedoe, zoals Duyvendak met zijn inbraak deed.”

Onder de advertentie uit 1986 waarmee steun werd betuigd aan het blad Bluf!, dat uit een ministerie gestolen stukken over kernenergie publiceerde, staat ook de naam van Hans Guijt, indertijd een Greenpeacecollega van Van Huizen. „Maar we weten zeker: hij heeft nooit, nooit getekend. Ze zouden willen dat Greenpeace had meegedaan, die links-radicalen. Bovendien: net als bij minister Cramer stond ook zijn naam verkeerd gespeld.”

Onrechtmatige acties moet je eigenlijk voorkomen, klonk het veelal in de jaren tachtig. Maar, werd ook gezegd, is de milieuvervuiling vaak niet veel onrechtmatiger dan de illegale actie die er tegen wordt ondernomen? Van Swelm: „Ik pleit niet per definitie voor onrechtmatige acties. Maar soms kun je niet anders, sta je met je rug tegen de muur. Een walvisvaarder rammen mag niet. Maar is die walvisvaarder zelf ook niet onrechtmatig bezig? De heksenjacht op milieuactivisten die nu is ontstaan stoort me dan ook mateloos. Bovendien: de regenten uit die tijd waren maar amper bereid met milieu bezig te zijn. D66 presenteerde zich als een milieupartij, maar een van de eerste dingen die ze deed toen ze in de regering kwam was besluiten om de A27 dwars door dat prachtige Amelisweerd te laten lopen. Volstrekt ongeloofwaardig.”

Zelf heeft hij nooit de wet overtreden, zegt Van Swelm. Gewoon, omdat dat effectiever is. „Als je je buiten de wet opstelt, maak je je kwetsbaar en speel je uiteindelijk niets klaar. Wij wilden alleen werken op basis van argumenten, door de wet gedragen. En als die wet niet goed is, moet je proberen hem te veranderen.”

De discussies in de milieubeweging die vooral in de eerste helft van de jaren tachtig werden gevoerd hadden uiteindelijk een heldere uitkomst: wie wil opkomen voor natuur en milieu moet zich constructief opstellen, meepraten, zijn ogen niet sluiten voor technologische en industriële ontwikkelingen en bovendien beseffen dat veel milieuproblemen de nationale grenzen overstijgen.

„Met die aanpak hebben we veel bereikt in de jaren tachtig”, vindt Van Huizen. „Het lozen van afvalzuren werd gestopt. Er kwam een importverbod op zeehondenhuiden. Het dumpen van radioactief afval in de Atlantische Oceaan werd verboden. Er kwam een moratorium op de exploitatie van Antarctica. Prachtige resultaten.”

De acties voor Amelisweerd zijn ook een voorbeeld van een constructieve, vasthoudende beweging die effect heeft gehad, zegt Korff de Gidts. „Weliswaar is de weg aangelegd, maar er is minder voor gekapt dan aanvankelijk gepland en de weg is verdiept aangelegd. Voor heel veel andere actievoerders was onze manier van werken een voorbeeld. We kregen ontzettend veel vragen om hulp en advies van andere actiegroepen.”

Bewustwording is de belangrijkste erfenis van de jaren tachtig, denkt Van Swelm. „Mensen kregen oog voor natuur en milieu. Wat dat betreft waren het gouden jaren.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden