7 maart / In bossen op lemige of zandige grond groeit pronkmos,

een bodemmos dat het moet hebben van kale grond. Het kan niet tegen afgevallen herfstblad, zoals dat een laag vormt in bijna alle bossen.

Het groeit op zijn best tegen steile hellingen en heeft dus een voorkeur voor greppelwanden, boswallen en boomvoeten van met name beuken.

* Op de hoge gronden is de appelvink zomer en winter algemeen, in West-Nederland een uitzondering, behalve in het Gooi. Appelvinken kraken pitten, wat aan de dikke snavel goed te zien is. In Duitsland staan ze bekend als Kernbeisser, wat genoeg zegt. Ook in de Scandinavische talen is dat terug te vinden: kjernebiter in het Noors, kürnebider in Denemarken, kjernbitur op IJsland en kjarnbitur op de Fürüer bijvoorbeeld. Een teken dat het kraken van pitten een van de meest in het oog vallende gedragskenmerken van de appelvink is. Lijsters zoals merels, kramsvogels en koperwieken slikken de hele bes in en poepen later de pitjes uit, die nog kunnen ontkiemen. Het maagsap maakt de doppen van de pitjes waarschijnlijk zachter, waardoor ze makkelijker uitlopen. De vogels helpen mee aan de verspreiding van de soorten, waarvan ze de bessen eten. De grote mantelmeeuw is een gewone wintergast, niet alleen op het strand, maar ook in het binnenland op meren en in havens. Ze doden gewonde watervogels en eten die op. Bij zeevogelkolonies in het buitenland zag ik ze jagen op papegaaiduikers. Bonte kraaien mengen zich tussen onze zwarte. Ze zijn vooral te zien in de IJsselmeerpolders.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden