7 februari / Het uitgebleekte witte kalkskeletje van de zeeklit

lag op een bed van klepjes van jonge strandschelpen en visgraten, die kraakten onder de voet. De zeeklit is een zee-egel die in leven in zee diep gravend in het zand ronddoolde en toen bedekt was met een vacht van korte, geelgrijze, buigzame en fijne stekels, waardoor hij inderdaad op een klit leek.

De rugzijde van het kalkskeletje is gewelfd, de onderkant tamelijk vlak. Aan de onderkant zit de spleetvormige mondopening en aan het meest spitse eind de anus. Verder zijn de knobbeltjes te zien waarop de vele stekels hebben gezeten, toen het dier nog leefde. Elk stekeltje had eigen spiertjes, waarmee het beweegbaar was.

Zijn verwantschap met zeesterren en andere stekelhuidigen blijkt overduidelijk uit de sterfiguur van een dubbele rij gaatjes op de rugzijde van het skeletje. Die sterfiguur heeft twee korte en twee lange armen en in plaats van een vijfde arm een brede gleuf tot aan de indeuking, waardoor de zeeklit de vorm van een hart heeft. Daarom wordt dit zee-egeltje ook wel hartegel genoemd.

Uit de gaatjes worden voelers gestoken, waarmee de zeeklit kan tasten en misschien ook ruiken of proeven.

Als je een zeeklitskeletje opraapt, blijkt het verrassend licht. Daarom ligt het nogal eens aan de duinvoet, waar het door de wind heen is geblazen. Broos is het ook: je moet oppassen om het niet fijn te knijpen. Dat blijkt ook wel uit de vele beschadigde skeletjes, die al een poosje op het strand liggen.

* Er zijn al zeven doortrekkende grutto’s gezien op een drassig weilandje.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden