30 jaar Instant Composers Pool

In de tweede helft van de jaren zestig veranderde de jazzmuziek definitief van karakter. Jazzmusici in Amerika flirtten met popmuziek of kozen voor richtingloze freejazz. In Europa ontdekten vooral jonge jazzmusici hun eigen identiteit. Ze wilden niet langer gezichtsloze klonen zijn van hun Amerikaanse voorbeelden. Door alle normen en waarden van de zwarte jazzmuziek los te laten en vrije improvisatie te mengen met allerhande invloeden uit het Europese muziekleven (van volksmuziek tot opera), ontwikkelden ze hun eigen jazzmuziek.

Ook in Nederland gebeurde dat. In 1966 provoceerde Willem Breuker de gevestigde orde met zijn 'Litanie Voor De 14de Juni'. Hij wint er net niet het concours van het Loosdrecht Jazz Festival mee, wat een waar oproer veroorzaakte tussen aanhangers van gematigde jazzmuziek en voorstanders van nieuwe jazzmuziek. In die tijd speelde het kwartet van componist en pianist Misha Mengelberg (met saxofonist Piet Noordijk, drummer Han Bennink, bassist Jacques Schols) nog tamelijk doorsnee jazz. Toen Mengelberg en Bennink een vrijere koers in wilden slaan, haakten Noordijk en Schols af.

“Zolang het maar in het kader van vier in de maat gebeurde en de swing enigszins gehandhaafd bleef, hadden Piet en Jacques er geen bezwaar tegen, dat Han en ik ons wat meer vrijheden veroorloofden”, herinnert Misha Mengelberg zich. “Toen zij afhaakten, zijn Han en ik verder gegaan met Willem Breuker en Maarten Altena.” Dat kwartet vormt de feitelijke basis voor een nieuw initiatief van Bennink, Breuker en Mengelberg: de Instant Composers Pool.

De oprichting van de ICP in 1967 was overigens niet minder 'politiek' van karakter dan de Notenkrakers-acties eind jaren zestig in het Concertgebouw of het opzetten van de opera 'Reconstructie'. Mengelberg was hierbij betrokken samen met de componisten Louis Andriessen, Peter Schat, Jan van Vlijmen en Reinbert de Leeuw, en de librettisten Harry Mulisch en Hugo Claus. De ICP-ers verzetten zich tegen de gabaande paden van de gevestigde jazz.

“Vanaf het moment dat ik in 1964 van het conservatorium afkwam, ben ik me intens gaan bemoeien met muziekpolitieke zaken”, zegt Misha Mengelberg. “Ik vond dat het componeren uit de sfeer moest van het bouwen van scheepjes in flessen. Hetzelfde gold voor de geïmproviseerde muziek. Door onze eigen aanpak te ontwikkelen, konden wij op gelijke voet om blijven gaan met onze Amerikaanse kennissen en vrienden. Zij hadden altijd al hun eigen thema's en bezigheden. Maar die hebben wij inmiddels ook. En het leuke is juist om die met elkaar te confronteren en om vanuit de verschillende standpunten een muzikale conversatie aan te gaan.”

Dat deed hij eind jaren zestig, begin jaren zeventig in de Instant Composers Pool met Bennink en Breuker en met uiteenlopende Amerikaanse en Engelse gastsolisten. En later, zonder Breuker die in 1974 zijn eigen Willem Breuker Kollektief begon, met het ICP-Orkest. Wat niemand toen durfde hopen, is uitgekomen: het ICP-Orkest is geen eendagsvlinder gebleken, maar heeft zich vanuit de vrije improvisatiemuziek ontwikkeld tot een van Nederlands meest prominente jazzformaties. Deze week viert het orkest zijn dertigste verjaardag met een driedaags festival in het Amsterdamse BIM-huis.

Bennink en Mengelberg vormen met z'n tweeën nog altijd de kern van het ICP Orkest. Van hen is de pianist de feitelijke leider van het huidige ICP. Hij bepaalt de muzikale koers met eigen composities en met spraakmakende bewerkingen van stukken van Herbie Nichols, Thelonious Monk en Duke Ellington. Benninks rol in het ICP-Orkest is echter essentieel, zoals een tijdje terug bleek, toen hij het tijdelijk liet afweten en het orkest zonder drummer moest spelen. Ineens stond daar toen een orkest dat de onvoorspelbare fratsen van de drummer node miste.

Dat Mengelberg zich liet - en laat - inspireren door jazzgroten als Nichols, Monk en Ellington, is minder vreemd dan het lijkt. Hij beaamt zonder schroom dat hij ook van de zogeheten 'echte' jazz een tik van de molen heeft gekregen. “Jazz was een belangrijk deel van mijn opvoeding en is onderdeel geworden van mijn bagage, van mijn persoonlijkheid.”

Toch neemt hij er ook afstand van. “Jazzmuziek is zo'n beetje opgehouden in 1960. Sindsdien zijn er geen wezenlijk nieuwe dingen gebeurd. Al zijn er nog steeds mensen die in die traditie zijn doorgegaan.” Hij geeft het voorbeeld van de bekende Amerikaanse tenorsaxofonist Archie Shepp. “Die beroept zich erg op de tradities van de jazz. Hij heeft de toon van Don Byas, maar slordiger. Wat er is bijgekomen, zijn niet geheel verwerkte lessen van Herbie Nichols. Shepp was diens leerling. Maar Nichols lessen gingen iedereen ver boven hun pet.” Vergoeilijkend voegt hij eraan toe daar zelf ook lang over te hebben gedaan.

Uit de 'bewerkingen' van Nichols muziek blijkt daar evenwel weinig van. Mengelberg doet recht aan de eigenaardige composities, maar blijft tevens helemaal zichzelf. Wat voor zijn 'bewerkingen' van Nichols geldt, geldt ook voor die van Monk en Ellington. Hij maakte geen 'doorsnee' arrangementen, maar kroop ervoor in de huid van de componisten. Hij concentreerde zich op de essentie van hun materiaal, dat hij vervolgens uitvergrootte.

Mengelbergs rol als pianist in zijn orkest lijkt vrij bescheiden, maar is even belangrijk als het voortdurend schiftende en stuwende slagwerk van Bennink. Hij kan langdurig genietend vanachter de vleugel de verrichtingen van zijn orkest aanschouwen, maar zodra hij speelt, stuurt hij zijn orkest onwillekeurig de door hem gewenste richting uit.

Zelf zegt hij daarover: “Ik probeer voorwaarden te scheppen voor andere mensen om te functioneren in de soorten landschappen, die ik me voorstel. Mijn stukken zijn niets anders dan aanleidingen voor de leden van het orkest om daar hun eigen idee-n op los te laten. Ik heb geen andere ambitie dan ervoor te zorgen dat zij leuke en interessante dingen kunnen doen - die dan vervolgens wel volkomen op zichzelf staan. Ik ben ook altijd benieuwd naar wat zij gaan doen. Meer nog dan naar wat ìk daar verder bij zou kunnen verzinnen. De suggesties die ik doe, in de vorm van die paar noten die ik schrijf, is mijn bijdrage. Wat ik verder nog speel, is meegenomen of verstopt de tijd die op een andere manier besteed zou kunnen worden.”

Bij het ICP-Orkest heerst het soort anarchisme, dat, zo zou je verwachten, makkelijk kan vervallen in chaos, in een doelloze kakofonie. Dat dat zelden tot nooit gebeurt, heeft alles te maken met de mensen die Mengelberg voor zijn orkest vraagt. “In het begin speelden we”, geeft Mengelberg toe, “wilde muziek zonder afspraken. Leuk, maar te vrijblijvend. Ik ben al snel aan het werk gegaan om die constellatie ook 'goed' te laten klinken. Het was op den duur moeilijk om verder te komen met een aantal mensen. Sommige musici waren goede improvisatoren, maar konden niet omgaan met het geschreven materiaal. Laat staan dat er ingegaan kon worden op de muzikale ideeën. Om te voorkomen dat alle stukken eender klonken, moest ik er er andere mensen bij halen.”

De huidige bezetting bevat toptalenten als trombonist Wolter Wierbos, cellist Ernst Reijseger en de rietblazers Michael Moore en Ab Baars. Het zijn musici die praktisch alles aankunnen. “Het ICP-orkest speelt tegenwoordig met z'n negenen door elkaar heen, zonder dat ze elkaar in de weg zitten. Iedereen let er op dat alles doorzichtig en hoorbaar blijft.” Het is volgens Mengelberg niet per se zo dat musici beter zijn gaan spelen. Hij noemt het daarentegen een kwestie van oefening. “Langzamerhand begint er iets te ontstaan wat op kunde lijkt. Ze hebben zoveel geoefend dat ze meer kunnen. Daardoor ben ik nog steeds niet uitgekeken op het orkest.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden