24/03/05 - Het onvermijdelijke einde van D66

Vijf, zes jaar dacht D66 bij de oprichting nodig te hebben voor de modernisering van de democratie. Maar dat er zó weinig is bereikt, ligt ook aan de partij zelf.

Pas na lang aarzelen, omdat niemand anders wilde, aanvaardde Hans van Mierlo in 1966 het leiderschap van D66. Hij wilde zijn vak van journalist bij het Algemeen Handelsblad liever niet neerleggen en bovendien had regisseur Frans Weisz hem net gevraagd voor een rol in diens film 'Het gangstermeisje'. Van Mierlo zette zich over zijn tegenzin heen met de gedachte dat D66 na vijf, hooguit zes jaar zijn taak zou hebben volbracht en hij terugkon naar de krant. Veel langer hoefde de uitvoering van het D66-programma voor de modernisering van onze democratie niet te duren, zó overtuigend was het.

Veertig jaar later is er nog niets van gerealiseerd. Na de nederlaag van D66-minister Thom de Graaf in de Eerste Kamer, is ook de komst van de gekozen burgemeester voor lange tijd vertraagd, als het er al ooit van komt. De gevestigde macht is taaier dan D66 in het optimisme van zijn geboortejaren veronderstelde.

Maar dat is slechts een deel van de verklaring. Voor het andere deel moet D66 ook naar zichzelf kijken.

Hoe gepassioneerd Van Mierlo in 1966 in zijn 'Appèl aan de kiezers', het geboortepapier van D66, ook sprak over zijn 'gevoel van hachelijkheid' over het 'verstroefde' democratische bestel, het heilig vuur is nooit echt gaan branden. Als het er echt op aan kwam, liet D66 kansen op een doorbraak naar andere verhoudingen tussen politiek en burger liggen, of weigerde het zijn lot met dat vernieuwingsproject van de democratie te verbinden. Ook nu weer.

Het optreden van fractieleider Boris Dittrich past in dat patroon. Al in de Nacht van Van Thijn, direct na de fatale stemming, spoedde hij zich naar de Eerste Kamer, om de boodschap te verkondigen dat hij allesbehalve een politieke halszaak wilde maken van de torpedering van de gekozen burgemeester. De senaat had net het hart weggeschoten uit de bestuurlijke vernieuwing; niettemin verklaarde Dittrich dat D66 kon overgaan tot de orde van de dag: ,,D66 zit ook in het kabinet voor goed onderwijs en natuurbeheer. Daar gaan we morgen weer verder aan werken.''

Dat is een bekend verhaal van Dittrich. In gesprekken met journalisten over de gekozen burgemeester, relativeert hij het belang van dat onderwerp steevast door binnen de kortste keren te beginnen over onderwijs en kenniseconomie.

Geestverwanten als de oud-gedienden Jan Terlouw en Gerrit-Jan Wolffensperger waren hem de afgelopen dagen al voorafgegaan met de degradatie van de bestuurlijke vernieuwing tot een project zoals vele andere. Op de avond vóór het debat viel Terlouw De Graaf af, door zich te scharen achter de PvdA-senatoren en hun kritiek op de gekozen burgemeester. Na de stemming verklaarde hij dat D66 zwaarder moet tillen aan een pardon voor uitgeprocedeerde asielzoekers, duurzame energie en onderwijs: ,,De gekozen burgemeester is belangrijk voor Thom.''

De senaatsfractie van D66 verzekerde De Graaf evenmin van een stevige rugdekking, door geen ervaren rot maar de politieke beginneling Johan Engels in het debat het woord te laten voeren. Engels, niet meer dan zes maanden kamerlid, maakte de indruk dat het drama dat zich voor zijn ogen voltrok hem ontging. Hij stond erbij en keer ernaar in de cruciale fase van het debat, op het moment dat PvdA'er Ed van Thijn ten aanval trok tegen De Graaf.

In de geschiedenis van D66 zijn vaker momenten aan te wijzen waarop de partij de geboden kansen op een doorbraak naar andere bestuurlijke verhoudingen liet liggen. Na de verkiezingszege van 1994, waarbij D66 zijn zetelaantal verdubbelde tot 24, had Hans van Mierlo de sleutel in de kabinetsformatie in handen.

Toch zag hij doelbewust af van een poging het ministerschap van binnenlandse zaken binnen te halen, en koos hij voor Buitenlandse Zaken. Van Mierlo meende dat hij met Binnenlandse Zaken zou overvragen en zo de formatie van Paars in gevaar brengen, het eerste kabinet zonder christen-democraten in 80 jaar.

Maar daarmee liet hij ook het sleuteldepartement voor bestuurlijke vernieuwing over aan de VVD, toentertijd nog geheid tegenstander van 'gesleutel aan ons staatsbestel'.

Pas de schrik over de opstand van de burgers in 2002 leek in D66 het oude vuur terug te brengen over staatkundige vernieuwingen die beogen burgers dichter bij de politiek te brengen. Als prijs voor de toetreding tot een coalitie met CDA en VVD eiste D66 dat het regeerakkoord zou voorzien in een aantal bestuurlijke hervormingen; om te beginnen de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester. De coalitie besloot onder druk van D66 ook tot de introductie van een apart ministerschap voor bestuurlijke vernieuwing. Maar op het moment suprême bleek het heilig vuur bij D66 opnieuw niet meer dan een waakvlammetje te zijn.

Het valt bij D66 wel mee met de 'ongerustheid over de ernstige devaluatie van onze democratie' (Van Mierlo in zijn Appèl in 1966). Maar als het streven naar andere verhoudingen tussen burger en politiek niet meer het bestaansrecht van D66 is, wat dan nog wel? Onder de andere partijen moet de eerste tegenstander van beter onderwijs en natuurbeheer nog opstaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden