21 februari / De koolmees is een van de gewoonste zangvogels,

zowel in de stedelijke omgeving als in het bos. Dat blijkt al uit zijn vele bijnamen. De vogelkenner Nol Binsbergen (’Zien Is Kennen!’, 1937) noemde er niet minder dan negen. De gewoonte van koolmezen bijen te vangen wordt weerspiegeld door de volksnaam bijmees en het Friese bybitter, zijn voorliefde voor kaas door de bijnaam kaasmees. Koolmezen komen grif op atangeboden wintervoer, of het nu muesli is, een pindaslinger of een opgehangen stuk kaas of spekzwoerd. Hun kwieke gedrag is ook niet vreemd aan hun populariteit.

’s Winters versterken overwinteraars uit andere landen het bestand van onze eigen broedvogels. In de winter eten koolmezen veel oliehoudende zaden en ander plantaardig voedsel, terwijl zij in lente, zomer en herfst vooral van insecten leven en er hun jongen mee voeren.

Het bekendste koolmezenlied is de zaagroep „ti-da-ti-da-ti-da-ti-da-ti-da-ti-da...”, vaak gevolgd door de drieslag „titifu-titifu-titifu-titifu-titifu-titifu-titifu...”

Het vlieggat in de nestkast mag niet kleiner zijn dan een ouderwetse rijksdaalder, anders is er kans dat pimpelmezen de kast bezetten. De koolmees verdrijft de kleinere en zwakkere pimpel. Nestkasten voor koolmezen moeten in de herfst al schoongemaakt zijn, want de mannetjes slapen er ’s winters in.

* Merels en zanglijsters zingen in de steden zo druk dat het lijkt of het al lente is. De zanglijsters zijn vooral ’s morgens vroeg te horen, de merels het meest tegen zonsondergang.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden