2000

Sombert de wereld in de einddagen van een eeuw? In Engeland, zo vertelden de eerste zes afleveringen van deze serie, was dat vaak maar de halve waarheid. Hoop drong zich er in 1400 weer tussen. Vredig was het in 1500. En zo verder. Zelfs in 1900 signaleren historici naast de suïcidale sfeer een groeiende nieuwsgierigheid en levendigheid. Vandaag tot besluit een verklaring. Immanuel Kant wist het al: het grootste deel van de mensheid rekent zonder meer op een verschrikkelijk einde. Bij een eeuwwende? Een millennium? Ook ja, maar eigenlijk altijd. In de woorden van de boer: “Daarom zullen mensen ook nooit zo lekker zonnen als varkens.” Aflevering 7: slot Overleden Een belangrijke bron voor de serie 'Eindtijden' was ook het boek 'Leven in de eindtijd, ondergangsstemmingen in de Middeleeuwen' (uitgeverij Verloren) van neerlandicus Pieter Eligh. De auteur mocht de voltooiing van de serie niet meemaken; hij is onlangs op 66-jarige leeftijd overleden. Redactie Geraadpleegde literatuur o. a.: Norman Cohn: The Pursuit of the Millennium. Pimlico. Georges Duby: Het jaar Duizend. Agon. M. F. Elling: Het einde der tijden. Meulenhoff. Asa Briggs en Daniël Snowman: Fins de Siècle. Yale University Press.

Niet bekend

Machteloze woede en totale verdoofdheid wisselden elkaar af. Hij was zojuist van tafel gelopen, zij hoefde zijn tranen niet te voelen. Toch, terug in de stal gebeurde er iets met hem. Lucretius kwam weer langs, maar nu voelde hij zich door hem beledigd. Doemgedachten over vreselijke rampen en een naderende apocalyps, uit schuimende monden van de kansel, had hij nooit serieus genomen. Wat een goedkoop dreigen was het, als tegenspoed nog zo ver van huis is. Maar ook nu: hoe loos en log waren de dreigementen van Lucretius, hier in zijn geruimde stal.

Langzaam kwam de strijdbaarheid in hem terug. “Fin de siècle”, had een van die persmuskieten gemompeld. “Sodemieter op”, dacht hij nu voor zich uit, “moeten we in deze tragedie soms óók het Laatste Oordeel zien?”

De boer werd overvallen door een lange overpeinzing:

Zal de predikant me zondag onder zijn onheilstijdingen nog in de ogen durven kijken? In Fins de siècle rekenen Britse historici toch overtuigend af met dat zogenaamde somberen tegen middernacht. Het bestond niet, althans niet in 1399 en de daaropvolgende eeuwwenden. Soms zwalkte het bestaan in de nadagen van een eeuw tussen hoop en vrees, maar vaker sjokte het net als altijd voort, tamelijk onaangedaan door de tijd.

En nu ligt het zeker anders omdat er dit keer 'van duizend wordt gewisseld'? Ja, de uitgevers verbeelden zich het angstzweet al te ruiken. Lees de achterflap van onlangs verschenen uitgaven. Van M. F. Elling: “Het einde der tijden, een onmisbaar boek voor iedereen die het einde van het millennium met rasse schreden naderbij ziet komen.”

Nou, dan moeten die armoedige mensen van tien eeuwen terug collectief heben gehuiverd. Maar daar wil een autoriteit als de historicus Georges Duby niets van weten: geschiedkundig zinsbedrog van enkele romantische collega's uit de 16de en 17de eeuw, noemt hij het in Het jaar Duizend. Volgens de schaarse kronieken en annalen van rond de vorige millenniumwende gaat vadertje tijd ook in die dagen onopgemerkt heen.

De fantasie staat open voor leugens, blijkt uit de kroniek van Sigebert van Gembloux uit de 12de eeuw. En uit de daarop gebaseerde historische teksten van vier eeuwen later, die de rampspoed rond 1000 nog flink aandikken. Heviger en heviger worden de aardbevingen, langer en langer de staart van de komeet van 999. Om over het morele verval en de boze God in die dagen maar te zwijgen: het is wachten op het moment dat de hemel opengaat. Ook volgens Duby moet het een “treurige, behoeftige en barbaarse duisternis” zijn geweest, maar historici komen over het jaar duizend volgens hem niet veel verder dan “brabbelen en verzinsels vertellen”.

Nauurlijk, zo'n jaar is een logisch ijkpunt voor het doemdenken. Wat is er dreigender dan zo'n mooi rond getal? En ja, rampspoed laat zich nu eenmaal overtuigender vertellen naarmate het scenario zwarter wordt. Om die vierhonderd varkens van mij halen mensen hun schouders op, met de vergoeding van de overheid kan ik in hun ogen morgen een nieuw boerenleven gaan kopen.

De Jongste Dag in mijn stal mist de heroïek van zo'n slotakkoord als in die verlammende preek Muspilli uit de 9de eeuw: “Als zijn bloed op aarde druipt, beginnen de bergen te branden, geen enkele boom op aarde zal blijven staan, de wateren zullen uitdrogen, het moeras zal zichzelf verzwelgen, de hemel in vlammen vergaan, de maan neerstorten: de aarde zal branden. . . De ziel zal daar vol droefheid staan, niet wetend waarmee zij nog iets ten goede kan keren: zo vaart ze ter helle.” Vierhonderd 'vernietigde' varkens is een schamel bod voor een echte apocalyps. Er wordt niet definitief genoeg met me afgerekend, de mensen missen het einde.

Het grootste deel van de mensheid rekent zonder meer op een verschrikkelijk einde, realiseerde de filosoof Immanuel Kant zich. Hij begreep dat de duur van de wereld enigszins in verhouding behoort te staan tot het doel dat de mens aan de schepping verbindt. Eens houdt de wereld een keertje op, want anders komt de schepping ons voor als een toneelstuk zonder afloop: in een eindeloze Aardse reis, zonder bestemming, valt volgens Kant “geen redelijk plot te ontdekken”.

Gelet op onze verdorvenheid moet het einde in de ogen van de mensen in elk geval bruut zijn. Het is “niet dan fatsoenlijk en van de hoogste wijsheid en gerechtigheid om hieraan een einde te maken”.

Zijn we dan zo verdorven? Moreel verval is een klacht van alle dagen, wist Kant. Onze talenten en vaardigheden hollen nu eenmaal voor de moraal uit. De zedelijkheid kan het niet bij sloffen, hinkt altijd achter aan. Daarom willen we in onze eigen ogen altijd te veel en zien onszelf voortdurend in de fout gaan: te hebberig, te veel varkens hier in het Brabantse misschien.

Maar wat vandaag hebberig is, is morgen een redelijke behoefte. Kant zag de zedelijke moraal de over zichzelf struikelende mens vanzelf weer inhalen. Waarom gelooft de mensheid dan toch steeds weer in een hellevaart in plaats van een hemelvaart? Het doemdenken zit diep, concludeert Kant, het “heldhaftig geloof aan de deugd” legt het altijd af tegen het “geloof aan het met ontzetting gepaarde spektakel”.

Daarom zullen mensen ook nooit zo lekker 'zonnen' als mijn varkens het konden. Zonder wroeging, zonder gewelddadige fantasie. Neem die tientallen doemlezingen in Het einde der tijden: amusant, dat wel, maar het is onvoorstelbaar wat de mens zichzelf aan narigheid in het vooruitzicht heeft gesteld. Er wacht ons buiten de 'gruwel der verwoesting' uit het boek Daniël en de 'apocalyps der apocalypsen' uit De openbaring van Johannes nog heel wat meer.

Wat te denken van de wereldbrand die de wetenschapper William Whiston (1667-1752) weet te destilleren uit de bijbelse bronnen, die een enorme vuurgloed beloven. Ooit trof de Aarde een uit het koude heelal afkomstige komeet, die de hele boel onder water zette: de zondvloed. Na één voltooide omloop keert die komeet terug van zijn rondje om de zon, nu gloeiend, en zal de Aarde in brand zetten.

Dat is niet alles: de komeet duwt de Aarde in een ellipsbaan om de zon, zodat we ook daardoor akelig worden geschroeid. Bedenk daarbij dat de hitte binnensaards nu nog wordt getemd door de wateren van de zeeën en de koude lucht. Maar deze komeet veroorzaakt een getijdegolf die alle oude barsten van de zondvloed weer openrijt en daarnaast een reeks nieuwe scheuren. De uitbarstende hitte van binnen zal de oceanen verzwelgen. Met de inmiddels door nadering van de zon gloeiende atmosfeer resulteert dit in een gigantisch vuur.

Einde wereld? Niet eens, want de geblakerde aarde moet een ideaal oord zijn voor heiligen en martelaren, die bij de eerste verrijzenis zijn opgestaan en hier nu duizend jaar zullen leven en regeren. Maar dan is de koek ook echt op.

Whiston noemt natuurlijk geen dag, voor zulke doemtypen is het einde van de wereld altijd nabij. Je moet al blind zijn wil je niet hier of daar een voorteken in kunnen ontdekken. Kijk, eschatologische gedachten, ondergangstemmingen, kan ik billijken uit tijden dat de Noormannen, de Saracenen en Magyaren verschrikkelijk huishielden, en het leven voor de mens ophield aan de rand van zijn dorp. Bij zo'n beperkte horizon vergaat je wereld in dat geweld.

Dan begrijp je de beschouwing over het naderende onheil in Leven in de eindtijd van Pieter Eligh: “Zo kon ook de eigen leefruimte, waar de zwarte rook boven de brandende hutten en boerderijen hing en aasvogels neerstreken op de lijken van hen die have en goed wanhopig hadden verdedigd tegen de stropende benden, wier woedend geschreeuw nog in de lucht scheen te hangen, de trekken krijgen van een apocalyptisch visioen dat de verschrikkingen inleidde van de jongste dag.”

Het radeloze gemoed van mensen die de Zwarte Dood zagen rondwaren behoeft ook geen rechtvaardiging. Hier stokt de verbeelding van de moderne beschouwer, weet Eligh. De totale ontreddering en ontwrichting tijdens de drie grote pestpandemieën in Europa is nauwelijks meer te bevatten. Hoe ziet een wereld eruit waarin doden niet meer worden begraven, ouders hun kinderen in de steek laten en een overal verpestende stank de adem beneemt?

De ernst ervan halverwege de 14de eeuw: Florence verliest zes, Pisa zeven en Lucca acht op de tien mensen. Milaan komt er wat beter af, mede dankzij accuraat optreden van de plaatselijke despoot Giovanni Visconti, die de eerste drie huizen waar de pest opduikt met zieken én gezonden laat dichtmetselen. Een Britse landsheer in Leicestershire beveelt het naburige dorp Nosely na de pestuitbraak met volk en al plat te branden.

Schepen vol rottende lijken zwalken over de zee, vermoedt Eligh, en brengen dood en verderf waar ze stranden. In elk geval in Venetië, waar een boot met de Zwarte Dood aan boord afmeert en twee derde van de honderdduizend inwoners de dood in jaagt. Mensen slaan wanhopig op de vlucht, met gevolg dat in sommige besmette streken vrijwel alleen nog zieken en stervenden huizen. Is het een wonder dat een kroniekschrijver uit Siena schrijft: “En er werd geen doodsklok geluid, en niemand weende, hoe groot zijn verlies ook was, omdat iedereen de dood verwachtte. . . De mensen zeiden en geloofden: dit is het einde van de wereld.”

Lees verder op pagina 16

Doemdenker... VERVOLG VAN PAGINA 15

Zo'n ondermijnde samenleving moet een collectieve achterdocht hebben ontwikkeld tegen elk onalledaags verschijnsel, zonsverduisteringen, sterrengevechten en komeetstaarten voorop natuurlijk. Al moet je wel beseffen dat die 'scheur in de hemel' van 19 december 999, waaruit een vuur als bliksem gevolgd door een staart naar de Aarde schoot, wel is opgetekend door ene Vincentius Bellovacensis uit de 13de eeuw. En allen te velde waren erdoor verbijsterd, verzekert hij tweehonderd jaar later.

De collectieve angst zat diep, geloof ik van Eligh.

Die goocheme Amsterdammers, in 1636 nota bene nog, raakten in paniek toen “een vogel, wat grooter dan een gans, grauwachtig van verve, omtrent drie weeken agtereen 's avonds met zonnen ondergang” in een nest op het torenkruis van de Oude Kerk bivakkeerde en 's morgens weer wegvloog. Dat onbetrouwbare beest moest maar dood, besloot het stadsbestuur. De Antichrist verschanst zich op de kerktoren? Het zou een verdwaalde gier geweest kunnen zijn, vermoedt Eligh. Maar je kunt beter voorzichtig zijn: in 1004 dook een zeldzaam dikke walvis op bij Berneval in Normandië en korte tijd later raakten ze her en der in Gallische en Britse gebieden slaags.

Laten we wel wezen, als de rivieren ons dreigen te overspoelen, praten we elkaar vandaag aan de dag nog de meest afschuwwekkende scenario's aan. Publieke angst is meer dan angst in het kwadraat, begrijp ik.

Maar die eenlingen die, overtuigd van hun roeping als onheilsboodschapper, zo onbeschaamd hel en verdoemenis durven te voorspellen, moesten nu toch eens een blik werpen in mijn stal. Mij overtuigen ze sowieso niet, maar misschien kunnen ze mijn varkens postuum nog eens de noodzaak van al die gewelddadige gedachten uitleggen.

Nachthut

Of spreken onderstaande jobstijdingen u wel aan? Eén regel volstaat:

De aarde waggelt als een beschonkene en zwaait heen en weer als een nachthut. Jesaja.

Binnenkort laat Ik Mijn Toorn de vrije loop en ga Ik Mijn woede op u koelen. Ezechiël.

Eenjarige kinderen zullen hun stem verheffen en spreken: zwangere vrouwen zullen baren ontijdig in de derde en vierde maand. Ezra.

Bergen en wouden stortten over elkaar heen, zodat elk sterfelijk wezen de levensgeest ontvlood. een droom van Hildegard van Bingen.

Zij zullen daarin noch koelte noch iets om te drinken proeven, maar gloeiend water en etter, als een passende vergelding. De Koran.

Van lastdieren zullen zij de lijken eten en zelfs de geaborteerde vrucht van vrouwen. Methodius van Patara.

Het gruwelen is van alle tijden, inclusief deze eeuw:

Gisteren vertelde men mij van een monsterlijk en vreselijk vliegend insekt, libel uit de poelen van de hel. Léon Bloy.

En reken even mee met Otto Pankok:

Als A=100, dan is H 107, I 108, T 119, L 111, E 104, R 117, maakt opgeteld HITLER=666, het getal van het Beest, de Antichrist. We hadden het dus kunnen weten.

Een zeker middel zou zijn ons in een zwart gat te loodsen. Stephen Hawking.

Stelt u zich eens voor, Londen, Parijs, Tokio, New York, Berlijn, Amsterdam, volkomen weggevaagd. Hal Lindsey.

Geen wonder dat de Belgische theoloog G. L. Goedhart doemdenken beschouwt als 'ingeslikte agressie'. Die gedachte van Hawking is overigens onschuldig. Ook als het heelal ooit ineen zal storten garandeert de fysicus dat de expansie nog minstens tien miljard jaar aanhoudt. En mocht hij er iets naast zitten: “Ik veronderstel dan niet in de buurt te zijn om mijn fout onder de neus gewreven te krijgen.”

Wat bezielt de echte doemdenkers? Wie zijn of waren het? In The Pursuit of the Millennium verzekert historicus Norman Cohn dat je ze vroeger in elk geval niet onder werklui moest zoeken, maar eerder onder onbeduidende edellieden en semi-intellectuelen. Het prototype was de voormalige priester die 'voor zichzelf was begonnen'. Meestal waren ze lang voordat ze als onheilsprofeet aan de weg timmerden al bezeten door eschatologische fantasieën. Tot de voorspellende geest echt doorbrak: de doemdenker in je moest groeien.

Guillaume Postel (1510-1581) is zo'n frappant geval van een profeet die, overtuigd van een spoedig einde, stad en land afreist “om aan vorsten en prelaten duidelijk te maken dat zij het zijn naar wie de wereld zucht als in barensweeën”. Maar als niemand voor de rol van nieuwe wereldbeheerder voelt, vernemen we in Het einde der tijden, “ontvangt Postel ten slotte een visioen dat hem leert dat hijzelf de incarnatie van de verlosser is, de weergekeerde Heilige Geest”.

Wie luistert naar zulke losgeslagen geesten? Arme mensen? Niet per se, concludeert Norman Cohn over de Middeleeuwen. Soms waren volgelingen zelf tamelijk welvarend. Maar vrijwel altijd sloeg een onheilspreek alleen aan in een versplinterde samenleving. De profeet moest zijn aanhangers zoeken aan de rand, onder ontwortelde mensen zonder herkenbare plaats.

Bij boeren en ambachtslui in de dorpen hoefden ze niet aan te komen. Behalve natuurlijk in tijden dat de hele wereld van slag was, zoals tijdens de pestepidemieën. Wie werd niet geraakt in de dagen dat de flagellanten, de geselaars in processies door dorpen en steden trokken, om zichzelf met hun riem - met stukjes ijzer - te pijnigen, ter voorbereiding van de wederkomst van Christus. Vooral in Dordrecht en Deventer hebben ze de bloedende lichamen kunnen aanschouwen.

Een ziekelijk verschijnsel, weten we natuurlijk achteraf, net zo goed als de epidemische danswoede die in 1374 uitbrak. Het hielp toen kennelijk de demonen te verdrijven door half ontkleed, met bloemenkransen op het hoofd, op pleinen, in kerken en huizen te dansen tot je er met het schuim op de lippen bij neerviel. “De boer liet zijn ploeg in de steek, de huisvrouw haar weefgetouw, de ambachtsman zijn werkbank. Kinderen en boeven sloten zich aan.”

Voorjaar

Dat waren vruchtbare tijden voor onheilsboodschappers. “In de veertiende eeuw groeide de angst voor Satan uit tot een ware obsessie”, schrijft Eligh. En een eeuw later spant de duivel heksen voor zijn karretje: een vrouw in het bisdom Bazel bekent zelfs veertig kindertjes direct na hun geboorte met een naald door hun hersens te hebben gedood. Voordat ze gedoopt waren natuurlijk, want dan kwamen ze niet in de hemel, zo duurde het langer voor het vastgestelde aantal zaligen werd bereikt en bleef het Laatste Oordeel langer uit. Dat gaf de duivel weer meer gelegenheid voor zijn destructieve werk. En zo, tegen het einde van de Middeleeuwen, “sluipt de duivel door een wereld die verkeert in ontbinding”.

Het is me wat. Bij nader inzien hoeven die profeten mij niets te komen uitleggen in mijn stal. De keren dat ze het eens wat beter met de mensheid voor hadden en voor het Laatste Oordeel uit een Duizendjarig, gelukkig Rijk beloofden, konden ze ook geen maat houden. Of moet ik de Tiburtijnse sibylle aan haar woord houden die een aarde voorzag “die overvloedig vrucht zal geven, zodat een maat koren slechts één penning zal kosten, een maat wijn één penning en een maat olie ook slechts één penning”.

Doemdenkers zullen ongetwijfeld ook van het jaar 2000+ zijn. Ik heb nu even reden voor een bedrukte stemming, maar de inflatie in hun geest ontgaat me. Hildegard van Bingen, Joachim van Fiore, van mijn erf! Bespaar me jullie boodschappen over de Antichrist, naar ik begrijp de zoon van een negentigjarige tovenaar en een moeder die twee jaar zwanger van hem is en daardoor hevige pijnen lijdt. Is het perspectief jullie nooit bizar of gewelddadig genoeg? Scheer je weg! Ik neem dit voorjaar wel genoegen met een jaloerse blik in de stal van mijn buurman: die jonge krulstaartjes bij hem zullen, als ze niet 'geruimd' zijn, mijn boosheid wel verjagen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden