20/21: een grapje met serieuze dimensies

Hartmut Haenchen maakte vorige week een leuk grapje. In een persbericht kondigde hij aan dat, wanneer hij in 2000 muzikaal directeur wordt van de Opera van Leipzig, hij zich daar vooral wil manifesteren in werken van Mozart en Wagner, met Italiaanse opera en met opera's uit de twintigste en een-en-twintigste eeuw. Bij dat laatste begrip knipperde ik even met mijn ogen. Een-en-twintigste eeuwse opera's, wat moet ik me daar bij voorstellen? Nog sterker: hoe klinkt '21-ste eeuwse muziek'?

Haenchen bedoelde het letterlijk: muziek die in de komende eeuw in premiere gaat. De Leipziger Opera heeft een opdracht verstrekt en daar wil Haenchen in 2001 de wereldpremiere van verzorgen. Moeten we de opera waar Gy"rgy Kurt g al ruim tien jaar geleden een opdracht voor kreeg van De Nederlandse Opera en de Eduard van Beinumstichting, en die zeker niet voor 2000 af is, en dus in de 21-ste eeuw in premiere gaat, dan ook als 21-ste eeuws betitelen?

De overgang van de ene eeuw naar de andere, zelfs van het ene duizendtal naar het andere, brengt nog hele andere problemen mee dan de millennium-sores rond de nullen en enen van computers. Hoe gaan we de dingen benoemen?

Deutsche Grammophon heeft er een oplossing voor bedacht in de vorm van een beeldmerk voor een nieuwe serie cd's met 'muziek van onze tijd'. Een venstertje vertoont een wegglijdend cijfer 20 en een opkomend cijfer 21. Het laatste getal kleurt geel, overeenkomstig het geel in het bekende DGG-logo. In gewoon drukwerk wordt de serie cd's aangeduid met 20/21.

Ieder jaar zullen er tien cd's worden uitgebracht. Het is voorlopig de '20' die vulling gaat geven aan de '21' zo blijkt uit de lijst met de eerste vijf. De werken zijn namelijk van de coryfeeen uit de tweede helft van de nog lopende eeuw: Pierre Boulez, Luciano Berio, Andre Previn, Toru Takemitsu en Mauricio Kagel. Een van de toondichters is al dood (Takemitsu, 1996) en de anderen zitten rond de zeventig jaar. Het muziekpubliek moet wel flink achter lopen in de waardering van zijn eigentijdse componisten dat genoemd vijftal de frisse stoet 21-ste eeuwers aanvoert.

Het oudste op te nemen werk dateert van 1958. Het is Sequenza voor fluit, van Berio; de hele serie van dertien sequenzas wordt voor het eerst compleet vastgelegd. Het jongste opus is zeer vers: 1998. Het gaat om de eerste opera van Previn getiteld 'A streetcar named Desire', bekend als 'Tramlijn Begeerte', het toneelstuk van Tennessee Williams dat de basis voor het libretto vormde.

Er doen ook andere aanduidingen de ronde voor nieuwe muziek: modern; eigentijds of hedendaags; avant-garde. Het luistert nogal nauw welk etiket je op iets plakt. Eerder dit jaar werden we voor de tweede keer in het Amsterdams Concertgebouw en voor de eerste keer op cd geconfronteerd met 'Ameriques' van Edgar Varese. Eigentijds kun je dit klankengedicht voor een gigantisch orkest niet noemen, want het ontstond in de jaren 1916-1918. Maar modern klinkt het nog steeds en in de opzet, vormgeving en uitwerking straalt het de visionaire kracht van 'avant-garde' uit.

Het merkwaardige verschijnsel doet zich zelfs voor dat in een programma met moderne muziek, zoals twee weken terug bij het Concertgebouworkest, een stuk uit 1988 ('Cortege' van de Engelsman Colin Matthews) vertrouwder in de oren klonk dan een werk uit 1975 van Yannis Xenakis, 'Empreintes'. In de afgelopen twintig jaar zochten jongere generaties componisten hun impulsen niet langer in het experiment, het onderzoek naar nieuwe vormgevende uitgangspunten (zoals het serialisme uit de jaren vijftig en zestig) of nieuwe klankmogelijkheden (door andere combinaties van instrumenten), maar probeerden zij aansluiting te vinden bij de klank- en denkwerelden van de componisten uit de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw. Om in de sfeer van DGG te blijven: de muziek van 19/20.

Bovengenoemde componist Matthews bleek zijn inspiratie te hebben geput uit de muziek van Mahler en het aansluitend expressionisme, gebruikmakend van een zeer groot symfonie-orkest binnen de traditionele klankgrenzen. Het oudere werk van Xenakis daarentegen, haalde hetzelfde orkest juist weg uit het bekende klankbeeld. Fascinerend zoals hij het statische geluid van de koperblazers uitbuitte met toonkleuren die verwant zijn aan elektronische geluiden.

Aansluiting zoeken bij de eerste helft van onze eeuw sprak ook uit een nieuwe symfonie van Jan van Vlijmen, twee weken geleden door het Radio Filharmonisch Orkest ten doop gehouden. Van Vlijmens werk voor groot orkest ademde een mentaliteit die verwant bleek aan composities van Alban Berg. Gebruik van een citaat uit Bach in deze symfonie, getiteld 'Monumentum' en bedoeld als een eerbetoon aan een overleden vriend, verried het zelfs een al te grote schatplichtigheid aan Bergs ontroerend werkende Bach-citaat in zijn vioolconcert, ook een 'in memoriam'-compositie. Muziek van onze tijd, maar geen avant-garde.

De nieuwe Van Vlijmen, maar ook de werken van jongere componisten als Theo Verbey, Tristan Keuris, Peter-Jan Wagemans, geven aan dat het muziekleven van nu zowel aan de kant van de componisten als van de consumenten druk aan het kauwen en herkauwen is op de stormachtige, soms avant-gardistische ontwikkelingen die zich afspeelden in de eerste zestig jaar van onze eeuw. De esthetica van de twintigste eeuw in al zijn facetten moet eerst geheel verwerkt zijn, alvorens er iets nieuws kan ontstaan. Het feit dat nu de regio-orkesten Mahler-cyclussen opzetten, dat er een grote belangstelling gegroeid is voor de muziek van tussen 1920 en 1940 waarin vele experimenten werden uitgewerkt die nu 'salonfahig' zijn geworden in onze oren, dat hedendaagse componisten het negentiende-eeuwse symfonie-orkest herontdekken als medium, dat alles maakt duidelijk dat de '21-ste eeuwse muziek' nog heel lang '20-ste eeuws' zal geuren en oren.

In Nederland ontwikkelde Louis Andriessen zich tot een klankschepper die consequent koos voor een andere weg dan het symfonische pad. Zijn creaties als 'De materie', 'De tijd', 'De snelheid' spreken in hun melodisch-harmonische ordening, ritmiek en instrumentatie (veel blazers en slagwerk) van een afwijkende mentaliteit, weg van het subjectieve dat uit de negentiende eeuwse romantiek voorkomt. Maar is Andriessen daarmee '21-ste eeuws'?

Avant-garde was en is nog steeds de zogeheten 'musique concrete', of 'concrete muziek'. Het was dit jaar 50 jaar geleden dat in Parijs de Franse ingenieur en componist Pierre Schaeffer het begrip introduceerde als aanduiding van klankcomposities op band verkregen door elektronische bewerking van opgenomen geluiden. De componist werkt dus met concreet geluid. Uit de onderzoekingen van Schaeffer ontwikkelden zich nieuwe initiatieven in de vorm van elektronische studios, waar vooral jonge componisten (zoals Karlheinz Stockhausen, John Cage en Luciano Berio) maar ook ouderen als de Nederlander Henk Badings bandcomposities creeerden. Niet alleen met concreet geluid, maar ook met elektronisch voortgebracht geluid. Een echte verbinding met de concertzaal wist de concrete/elektronische muziek niet te leggen. Karlheinz Stockhausen kwam nog het verst.

Eerder dit jaar, in augustus, werd de klankmagier zeventig jaar. Een leeftijd die niet congruent is aan zijn jeugdige uitstraling en de ongebreideldheid van zijn ideeen. Ik hoef alleen maar het 'helikopter-kwartet' in herinnering te roepen waarmee hij enkele Holland Festivals geleden vriend en vijand verblufte. Als op een eiland schept Stockhausen zijn eigen klankuniversum, compleet met theorieen over het leven en de kosmos. Hij werkt die sinds de jaren zeventig uit in een cyclus van zeven opera's getiteld 'Licht'; die opera's dragen de namen van de weekdagen. Zowel inhoudelijk als in hun klankuitdrukking vallen deze werken van Stockhausen buiten hedendaagse kaders. Hij schept zijn eigen ensembles in samenhang met elektronische bewerking en/of versterking.

Met de voltooiing van de complete cyclus in 2001, en de opvoering daarna, zal kunnen worden vastgesteld of Stockhausens visionaire bouwwerk echt ontsnapt aan de esthetica en de vorm-normen van de twintigste eeuw. '20' of '21', dat wordt de vraag. Het zal aanvoelen als '20/21'.

Haenchen heeft zich in ieder geval aangemeld als pleitbezorger van '21-ste eeuwse opera'. Gelet op het feit dat de intendant van de Opera van Leipzig, Udo Zimmermann, zich al inzette voor Stockhausens totaalkunst, kan zijn grapje weleens een zeer serieuze dimensie krijgen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden