1900

“Als zijn bloed op de aarde druipt, beginnen de bergen te branden, geen enkele boom zal blijven staan, de wateren zullen uitdrogen, het moeras zal zichzelf verzwelgen. . .” Steevast sombert de wereld in de einddagen van een eeuw, lijkt het. Maar volgens historici die in het boek Fins de Siècle de laatste decennia van een reeks van eeuwen in Engeland belichten, is dat maar de halve waarheid. Aflevering 6

MARTIN VAN DER LAAN

De eerste eeuw die voor mensen echt een getal kent, loopt op haar eind. Denk niet dat de 18de eeuw haar voorganger was, je kunt het heden van progressie, rijkdom en comfort beter vergelijken met de hele historische tijdspanne van voor 1800, meent bioloog A. R. Wallace.

Vreemd toch, de Franse schrijver Emile Zola heeft de term fin de siècle in 1886 nog niet geïntroduceerd of aan beide zijden van Het Kanaal praten ze elkaar bij die opkomende dageraad met ongekende mogelijkheden juist steeds meer de vermoeidheid aan. Vooral kunstenaars. Historicus dr. L. J. Dorsman voorzag deze tijd van verval tijdens een lezing onlangs aan de VU van fraaie predikaten: een sterfoude wereld, een bordeel waar alles te koop is, waar je opkijkt tegen het Goddeloze tabernakel van de banken, ziekte tot norm is verheven en het door de mens gemaakte boven de natuur wordt gesteld.

Al wat mooi is zal verdwijnen. Geen wonder dat de hostess in Oscar Wilde's Picture of Dorian Gray tegen Sir Henry verzucht: Fin du siècle? I wish it were fin du globe.

Er somberen meer mensen over een wereld waarin de natuur is uitgesloten. Besef dat in 1800 alleen Londen meer dan honderdduizend inwoners telde, nu zijn dat 23 steden. In die entourage en onder toenemende invloed van de staat verwacht Charles Pearson, ooit minister van onderwijs en opvoeding, een vervlakking en marginalisering van de cultuur. Van de staatscrèche naar de staatsschool, en vandaar weer naar de staatswerkplaats: ach, ach, zucht hij.

Hoe afstompend wordt het leven, klaagt Pearson, als het uit niet veel meer bestaat dan een eindeloze tocht met een pleziertrein door de steden, waarbij de hygiënewetten je verbieden ooit nog een dier aan te raken of een boterbloem te plukken. We lezen alleen nog maar over het lied van de vogels dat we nooit hoorden, voelen slechts aan de kou op onze handen in welk seizoen we leven, zijn blind voor alles om ons heen behalve voor wat in de etalages ligt.

Intussen zit Engeland in Zuid-Afrika ernstig in de knoei. De boerenoorlog vergt tegen het einde van de eeuw een leger van 250 000 man, waarvan er 22 000 sneuvelen. De staatskas is dan inmiddels 250 miljoen pond lichter. Niettemin zijn velen die oude Queen Victoria goed gezind en treurt het volk in 1901 bij haar overlijden dat haar bewind nu al is afgelopen: na 63 jaar, zeven maanden en twee dagen.

Tegenover het gebrek aan vertrouwen van mensen in zichzelf en de tijd, de suïcidale sfeer in deze dagen, staan echter een groeiende nieuwsgierigheid en levendigheid. Letterlijk levendig: het grote sporten is begonnen. Professionele clubs uit het industriële noorden domineren 's lands nationale spel, het voetbal. Het seizoen '88/'89 beleeft de eerste voetbal league, in '92 sluit een tweede divisie aan. De middenklasse tennist, badmintont, golft inmiddels, naast het boogschieten en jagen.

De aard van de tijd mag er dan een zijn van verwarring, gekunstelde ziekelijkheid, neerslachtigheid en gejammer over de naderende verdoemenis, de schrijver Max Nordau voorziet in 1895 toch een enorme bloei: voor een generatie die straks “een dozijn kranten leest, constant naar de telefoon loopt, over alle vijf continenten in één adem een oordeel kan geven en een kennissenkring van tienduizend bijhoudt”.

Fin de siècle? Maar 'nieuw' is ook een modewoord, nu een sfeer van verwachting heerst. “Niet nieuw zijn in deze dagen betekent eigenlijk niets zijn”, schrijft de criticus H. D. Traill in 1892. Ondanks jammerklachten over de geldgod Mammon en denigrerende beschouwingen over “deze drukknop-wereld” genieten mensen van de nieuwe snufjes. Al kunnen ze vaak niet overzien wat er met de uitvindingen zal gebeuren als ze het stadium van speeltje eenmaal zijn gepasseerd.

De verbrandingsmotor maakt de fantasie nog helemaal niet los. Auto's het einde van het paard? Geen wonder dat de mensen om die suggestie lachen, de wegen zijn er allerminst geschikt voor en er geldt altijd nog een maximum snelheid van twaalf mijl per uur. Nee, de fiets, die arbeidersvriend voor het prikkie van 4,5 pond, zal als eerste de mens de ervaring van de 'vrijheid op de weg' verschaffen.

Natuurlijk is er vrees voor de nieuwe tijd, waarin andere landen Engeland overvleugelen. Amerika met zijn staal, Duitsland en Frankrijk met auto's. En de Britse mijnwerkers en havenarbeiders maar ploeteren onder de meest beroerde omstandigheden.

Armoede is nu eenmaal ook van deze dagen. En dus ook de treurige aanblik van een vuilstort achter een ziekenhuis, waar schrijver Jack London armen bekvechtend ziet graaien in een brij van stukken brood, hompen vet en varkensafval, “gespaard uit zieke handen en monden. Varkens zouden het niet beter doen, maar de arme stakkers hebben honger.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden