1877 | Rank, blank, blozend en oer-Nederlands

Bestaat er zoiets als een Nederlands ras? De vraag hield geleerden lang bezig. Het leverde veel pseudo-wetenschap op en pijnlijke incidenten. Het koninkrijk bestaat in november tweehonderd jaar. Trouw staat wekelijks stil bij belangrijke momenten uit de nationale geschiedenis. Vandaag aflevering 18.

'Wij vertrouwen in de Opstanding. Onze voorouders moeten met rust worden gelaten." Tiemen Roos weet maar al te goed dat wetenschappers in de negentiende eeuw dat respect moeilijk opbrachten. Als lid van het Comité Urkers Schedels zette hij zich jaren in voor de terugkeer van de hoofden van lang geleden gestorven inwoners van het dorp. Het Universiteitsmuseum Utrecht bezat zes schedels en wilde ze graag houden. Pas toen de Nederlandse Museumvereniging aandrong op teruggave, ging de instelling overstag.

In 2010 keerden de stoffelijke resten terug naar Urk en werden ze herbegraven bij het hervormde Kerkje aan de Zee. Dit voorjaar volgt een gedenksteen met een korte informatieve tekst en een gedicht.

Misschien bevinden zich nog meer Urker schedels op plekken waar ze niet thuishoren. Roos: "Uit Leiden en Göttingen kregen we nooit een fatsoenlijk antwoord."

Behalve nationalisme kwam in de negentiende eeuw ook de rassenleer op. Met de combinatie viel van een volk helemaal een hechte eenheid te smeden. Want wat verbindt beter dan het wetenschappelijke bewijs van een oeroude, gezamenlijke herkomst?

Urk oefende een bijzondere aantrekkingskracht uit. De Utrechtse hoogleraar biologie Pieter Harting publiceerde in 1853 al een boekje over het visserseiland in de Zuiderzee, "een der merkwaardigste plekjes van onzen vaderlandschen bodem". Een tweedaags verblijf voldeed voor uitgebreide beschouwingen over de geografie, de geologie en de fauna ter plaatse. Over de Urkers zelf schreef Harting: "Over het algemeen zijn het stevig gebouwde, wel gemaakte menschen, met breede schouders en heupen, blond haar en blauwe ogen. Onder de vrouwen treft men er veele aan, die aanspraak op schoonheid kunnen maken. Vooral munten zij uit door de blankheid van vel en door groote donker blaauwe oogen met lange wimpers en fraai gebogen wenkbrauwen, minder door hunne overige lichaamsvormen, die iets plomps en mannelijks heeft."

Harting ging er vanuit dat de eilanders zich in de eeuwen daarvoor nauwelijks vermengd hadden met nieuwkomers van buiten. De hoogleraar onderzocht de afmetingen van drie schedels, afkomstig van een jonge, een middelbare en een bejaarde Urker en leidde daaruit af dat bewoners van het eiland zeer waarschijnlijk niet van Keltische oorsprong waren. Maar Harting wilde op basis van drie schedels geen vergaande conclusies trekken.

Zeven jaar later verscheen 'Catalogus craniorum diversarum gentium quae collegit', een schedelcatalogus van de Leidse hoogleraar zoölogie Jan van der Hoeven. Een Urker exemplaar mocht in deze studie niet ontbreken. Het viel Van der Hoeven op dat de Zuiderzeeschedels lager waren dan andere Nederlandse, wat volgens destijds gangbare opvattingen zou kunnen duiden op verwantschap met bijvoorbeeld Neandertalers.

Van drie van de zes schedels die in 2010 terugkeerden naar Urk is niet duidelijk hoe ze in Utrecht kwamen. De andere werden in 1877 op het kerkhof van het eiland verwisseld met drie van thuis meegenomen hoofden door een Hilversumse arts. Die stuurde ze bij thuiskomst op naar Harting in ruil voor een exemplaar van diens boekje 'Het eiland Urk, zijn bodem, voortbrengselen en bewoners'.

De herkomst van de Nederlander bleef wetenschappers bezighouden. De Amsterdamse hoogleraar anatomie Lodewijk Bolk riep in 1904 de hulp van onderwijzers in voor een onderzoek naar de oog- en haarkleur van de bevolking. De respons was overweldigend: bereidwillig ingevulde kaarten leverden hem de gegevens van bijna 500.000 schoolkinderen op. Noord-Nederland telde meer blonde en blauwogige jongens en meisjes, mogelijk afstammelingen van Germanen. Richting het zuiden werden haar en ogen donkerder, wat kon duiden op verwantschap met Kelten.

Antropoloog en etnograaf August Sasse had al in 1870 bestreden dat de Nederlandse bevolking volledig van Germaanse oorsprong was. Zijn zoon Johan onderschreef die stelling, nadat hij op Urk de schedels van 250 volwassenen en 200 kinderen had gemeten. Ook op dit volgens velen zo geïsoleerde eiland leefden mensen met verschillende raskenmerken.

De Duitsgezinde Friese arts Jan Tsjittes Piebenga toog in de jaren dertig van de vorige eeuw als zoveelste met meetapparatuur naar Urk. Hij was op zoek naar echte ariërs. De eilandbewoners hadden er weinig trek in. Piebenga concludeerde in 1942 dat de nodige Urkers joodse trekken vertoonden.

Zelfs wie niets met nationaal-socialisten op had, vond het in die jaren nog heel gewoon om inwoners van een dorp of streek als een apart ras te beschouwen of op zijn minst specifieke eigenschappen toe te schrijven. Uit 1938 dateert deze beschrijving: 'Knap van uiterlijk is het Urker-volk ook: rank, blank en blozend. Onder de manslui zijn wonderlijk veel krullebollen, onder de meisjes en vrouwen treft men ware schoonheden aan.' De romanschrijfster Alie van Wijhe-Smeding (zelf geboren in Enkhuizen) boog zich in de bundel 'De Nederlandsche volkskarakters' over 'de Zuiderzeevisschers'. Literatoren, wetenschappers en zelfs een vakbondsbestuurder deden in het boek nogal stellige uitspraken over de Hagenaar, de Achterhoeker, de Oost-Brabander en tal van andere landgenoten.

De Tweede Wereldoorlog liet zien waar het generaliseren over delen van de bevolking, geloven en rassen toe kon leiden. Het zorgde voor iets meer terughoudendheid na de bevrijding. Toch liet het denken in menstypes zich niet zomaar uitroeien.

Tijdens de bezetting was rondom Urk de Noordoostpolder drooggevallen. Die moest bevolkt worden. De Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders wilde een ideale maatschappij creëren. De 'nieuwe Nederlanders', die voor dit project geselecteerd werden, dienden vooral uitmuntende boeren te zijn. Het 'nieuwe' was verder heel betrekkelijk. Alle drie de zuilen (protestant, katholiek en openbaar) moesten in gelijke mate vertegenwoordigd zijn. De pioniers van de polder rond Urk hoefden geen oer-Nederlanders te zijn. De autoriteiten vonden het wel prettig als de 1700 uitverkorenen zo veel mogelijk leken op de inwoners van de rest van het land.

Urkers pasten in elk geval niet in het plaatje. Uit onderzoek in opdracht van de autoriteiten was 'vast komen te staan' dat ze verstandelijk en zakelijk tekort kwamen voor het pionieren in de polder. Binnen de Rijksdienst gingen stemmen op om, nu een deel van de visgronden was weggevallen, minstens de helft van de bevolking gedwongen naar elders te laten verhuizen. De regering vond dat te ver gaan. Bovendien maakte de naoorloogse woningnood de verhuizing onmogelijk.

Veel Urkers zijn tot op de dag van vandaag op hun hoede voor belangstelling van buiten. De schedels werden in 2010 in stilte herbegraven. De gedenksteen zal op verzoek van de gemeente in stilte worden onthuld. Tiemen Roos betreurt het, maar snapt waar het uit voortkomt: "De pers heeft nogal de neiging om zaken uit te vergroten. Maar dit verhaal maakt juist de waanzin van karikaturen en vooroordelen duidelijk."

Bepalende momenten op weg naar eenheid
Met het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden vormden de Nederlanders nog niet per se een eenheid. Op tal van momenten in de afgelopen twee eeuwen vielen ze te betrappen op gemeenschappelijke kenmerken of waren ze juist één in verscheidenheid. Wat bracht de natie bijeen? Wat dreef de natie uiteen? In de serie 'Twee eeuwen Nederland' loopt dagblad Trouw tot eind 2013 elke woensdag langs bepalende momenten in tweehonderd jaar geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden. Een boek met alle artikelen verschijnt in het najaar van 2013.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden