1858 Sloop toch dat bouwvallig Binnenhof

Nederland viert vanaf november 2013 het 200-jarig bestaan van het koninkrijk. Trouw blikt een jaar lang wekelijks vooruit. Wat verenigde de Nederlanders de afgelopen twee eeuwen en wat dreef ze uiteen? Vandaag de elfde aflevering: 'bouwmeester der landsgebouwen' Willem Rose komt met omstreden plannen.

PAUL VAN DER STEEN

Het lijkt heel wat, als het staatshoofd op de derde dinsdag van september haar jaarlijkse gang van Paleis Noordeinde naar de Ridderzaal maakt. De Gouden Koets komt tevoorschijn, paardehoeven op het plaveisel en militairen in hun mooiste uniform als haag langs de route.

Toch is de maatvoering heel Hollands. De route is kort. Grote boulevards die zich lenen voor dit soort parades ontbreken. Net als immense overheidsgebouwen die de macht van de staat uitstralen. Alles en iedereen wringt zich door nauwe straatjes, langs het popperige premierskantoortje in het Torentje, onder een poort door die maar net voldoet, tot aan de ielige trappartij voor de Ridderzaal.

Oude en jonge naties in Europa investeerden in de negentiende eeuw volop in gebouwen die de kracht en de rijkdom van hun landen moesten uitstralen. Soms gingen hele hoofdsteden met stratenplan en al op de schop. De architectuur greep veelal terug op het verleden. De neoclassicistische stijl was lang favoriet. Zuilen en de klassieke maatvoeringen zorgden voor cachet en ze verwezen naar de Oudheid, bakermat van cultuur en democratie. In een later stadium kwam ook de neogotiek in zwang. Bijvoorbeeld toen het in 1834 grotendeels afgebrande Britse parlement dankzij bouwmeester Charles Barry een nieuw aanzicht kreeg.

In Nederland overleefde het Haagse Binnenhof, ooit residentie van de Hollandse graven, de stormen van alle eeuwen. Maar toen trad in 1858 Willem Rose aan als 'bouwmeester der landsgebouwen in de residentie'. Na een eerste nauwgezet onderzoek rapporteerde hij over de "algemeen, min of meer bouwvallige toestand van 's Rijksgebouwen op het Binnenhof". Hij maakte twee ontwerpen voor nieuwbouw, in het eerste bleven alleen de Ridderzaal en het voormalige paleis van stadhouder Willem V gespaard, in het latere nog iets meer gebouwen. De politiek wilde van de beide plannen niets weten. Rose ging in de ogen van volksvertegenwoordigers veel verder dan hij op grond van zijn aanstelling mocht gaan. Nieuwbouw zou bovendien algauw enkele miljoenen guldens gaan kosten.

Gebrek aan geld en spaarzaamheid hadden er in de eerste halve eeuw van het koninkrijk der Nederlanden al voor gezorgd dat het Rijk vooral functioneel en praktisch bouwde. Tijdens de Gouden Eeuw had Nederland nog de grandeur van het Hollands classicisme gekend. Paleis Het Loo in Apeldoorn, het Trippenhuis in Amsterdam en het stadhuis van Maastricht zijn nog altijd te bewonderen voorbeelden.

Het meest in het oog lopend was het nieuwe stadhuis waarmee Amsterdam z'n almacht wilde demonstreren. In 1648 werd begonnen een gebouw neer te zetten met afmetingen en materialen die tot dan alleen aan vorsten en de kerk waren voorbehouden. Hier ging het om een groots gebaar van burgers. Tegelijkertijd waakten de opdrachtgevers en ontwerper Jacob van Campen voor al te veel protserigheid. Binnen, vooral in de Burgerzaal, mocht de rijkdom zichtbaar zijn, de façade bleef tamelijk sober. Naar een monumentale ingang bleef het vergeefs zoeken. De maten van de voordeuren van de betere grachtenpanden voldeden ook voor dit 'paleis' van de stad.

Het latere neoclassicisme, elders in Europa populair, kreeg in Nederland nooit veel voet aan de grond. Rose, die niet het Binnenhof mocht slopen, ontwierp wel het ministerie van koloniën aan het Plein: Hollands sober, eerder geïnspireerd door de vormentaal van de natuur dan door die van het verleden en met constructief en decoratief gebruik van moderne materialen als ijzer en zink.

Rose zou de kop van jut worden van de machtige cultuurambtenaar Victor de Stuers: hij verweet de rijksbouwmeester het negeren van 'de wetten en regelen der constructie' en het bouwen van 'onooglijke kasten'. De Stuers zelf streefde in het laatste kwart van de negentiende eeuw naar een 'nationale stijl'. Onder zijn leiding, in een periode met ruimere middelen, verrees naast het ministerie van koloniën het daarmee sterk contrasterende ministerie van justitie. Het gebouw was rijk gedecoreerd en liet volgens De Stuers zien hoe een gebouw tegelijkertijd recht kon doen aan Nederland, de geschiedenis en de ratio van bouwen.

Kritiek volgde al spoedig. Wat kostte al die architectonische aanstellerij wel niet? Met zulk commentaar was De Stuers snel klaar. "De nederlandsche maagd is goddank niet zo arm, dat zij in een bombazijnen rok en op klompen zou moeten verschijnen. Als zij niet te gierig is, kan zij fatsoenlijk, welgekleed en netjes geschoeid zich vertoonen."

De Stuers had ook een grote stem in de bouw van het Rijksmuseum, die in de jaren zeventig van de negentiende eeuw na lang delibereren in zicht kwam. De architect Lucas Eberson ontwierp een neoclassicistisch gebouw dat - hoewel een stuk kleiner - aan het Louvre in Parijs deed denken.

De opdracht ging echter naar Pierre Cuypers, een goede vriend van De Stuers. Weer mopperde menigeen over geld. Twee miljoen gulden! Zoveel geld was in Nederland nog nooit voor een gebouw uitgegeven.

Het uiterlijk van 's lands schatkamer stuitte nog meer mensen tegen de borst. Cuypers had er een ratjetoe van neostijlen van gemaakt. In het grondplan kwamen de twee binnenplaatsen van Jacob van Campens stadhuis van Amsterdam terug. Maar de neogotische stijlen sprongen het meest in het oog bij Cuypers' ontwerp. Sommigen vonden het gebouw lijken op 'een Hollandsch raadhuis'.

Koning Willem III ging tegen de bouwmeester in door op te merken "dat het middengedeelte meer het karakter heeft van een boterhal dan van een museum". Bij de opening was zijn afkeer inmiddels zo groot dat hij schitterde door afwezigheid. Nooit zou hij een voet zetten in 'dat klooster'. Daarmee verwoordde hij de meest gehoorde kritiek: het Rijksmuseum oogde veel te katholiek om door te kunnen gaan als pronkstuk van de Nederlandse natie. De tijd maakte nauwelijks milder. De hedendaagse architectuurhistoricus Auke van der Woud is al even weinig complimenteus over Cuypers' werk: "Dit was geen stijl, maar een bewerkelijk en kostbaar misverstand."

Net als het Amsterdamse stadhuis ruim twee eeuwen eerder kreeg het Rijksmuseum geen monumentale toegang. De plek die Cuypers daarvoor in gedachten had, moest en zou een onderdoorgang van de oude binnenstad naar de nieuwe stadsuitbreidingen in Zuid worden. Het was een voorwaarde van de gemeente Amsterdam, die alleen op die voorwaarde de grond voor het museum om niet afstond.

Tijdens de recente verbouwing (kosten: 375 miljoen euro) speelde de discussie weer op. Het fietspad onder Cuypers' creatie mocht niet verloren gaan. En ging ook niet verloren. De kleinheid van de polder wint het in Nederland nog altijd van monumentale grootsheid.

Bepalende momenten op weg naar eenheid
Met het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden vormden de Nederlanders nog niet per se een eenheid. Op tal van momenten in de afgelopen twee eeuwen vielen ze wel te betrappen op gemeenschappelijke kenmerken of waren ze juist één in verscheidenheid. Wat bracht de natie bijeen? Wat dreef de natie uiteen? In de serie 'Twee eeuwen Nederland' loopt dagblad Trouw tot eind 2013 regelmatig langs bepalende momenten in tweehonderd jaar geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden. Een boek met alle artikelen verschijnt in het najaar van 2013.

undefined

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden