1850 Opwekking van het vaderlandsch gevoel

Nederland viert vanaf november 2013 het 200-jarig bestaan van het koninkrijk. Trouw blikt een jaar lang wekelijks vooruit. Wat verenigde de Nederlanders de afgelopen twee eeuwen en wat dreef ze uiteen? Vandaag de achtste aflevering: schilders en wetenschappers duiken in de Nederlandse geschiedenis.

De passie bleek erfelijk. Jacob de Vos senior pleitte in 1841, in bijzijn van koning Willem II en de kroonprins, al vurig voor schilderijen over de Nederlandse geschiedenis: "Zullen toch de beeldende kunsten waarlijk tot veredeling van den mensch, tot opwekking van het vaderlandsch gevoel en tot glorie van een Rijk bijdragen, dan kan zulks vooral en schier alleen door historie-schilder- en beeldhouwkunst verkregen worden."

In omringende landen bestond een florerende praktijk. De Nederlandse schilders van midden negentiende eeuw grepen de geschiedenis vooral aan in het begin van hun carrières. Met historische taferelen toonden ze wat ze konden. Daarna gingen ze meestal snel maken waar veel meer markt voor bestond: stillevens, landschappen, stadsgezichten en Hollandse huiselijkheid.

De oude De Vos, een predikantenzoon die rijk werd met verzekeringen, overleed in 1844. Zijn zoon Jacob de Vos junior liet het niet bij woorden. Hij gaf in 1850 de eerste opdrachten van wat in de dertien jaren daarna zou uitgroeien tot een verzameling van 253 olieverfschilderijen en tien terracottabeeldjes. In totaal 33 kunstenaars verbeeldden de Nederlandse geschiedenis. Daarbij zaten gevestigde namen als Charles Rochussen en Hendrik Scholten, schilders die thuis waren in dit genre. De Vos, zelf een niet onverdienstelijk tekenaar en actief als bestuurder in de kunstwereld, had echter ook oog voor jongelingen die nog naam moesten krijgen, zoals Jozef Israëls en Lourens Alma-Tadema, die later met zijn voorstellingen van de Oudheid zou uitgroeien tot een van de meest gewilde kunstenaars van Groot-Brittannië.

De Vos junior hing zijn historische galerij op in een paviljoen achter zijn huis aan de Amsterdamse Herengracht. De gegoede klasse mocht komen kijken. Zelfs de koning bracht een bezoek. Plannen voor een museum wees De Vos af. Hoe geringschattend over de capaciteiten van de gewone man werd gedacht, maakte Joseph Alberdingk Thijm duidelijk in 1884. Hij deed verslag van een expositie van de historische galerij in Arti et Amicitiae, zes jaar na het overlijden van De Vos: "Het was aandoenlijk, op een zondag, in die hete, onwelriekende atmosfeer die beste brave burger huismoeders, die argeloze jonge lieden van beiderlei kunne, die mannen met harde, dikke, bruine handen, belangstellend die onderschriften te zien lezen en op de tafereelen na te sporen hoe zij zich het onderwerp te denken hadden." De schrijver vond "het opbeurend en aangenaam te zien dat zij zich vermaakten; dat hun belangstelling gestreeld en geprikkeld werd; dat zij poogden hun geheugen met enige noties te belasten".

Als kunstuitingen waren de in opdracht van De Vos geschilderde werken bij de voltooiing van de historische galerij in 1863 al een tikje achterhaald. Het waren voorstellingen die pasten bij de Romantiek, terwijl een wat ruwer realisme al in opkomst was. Met de historische werkelijkheid hadden ze al even weinig te maken. Daarvoor waren de ensceneringen op de schilderijen veel te theatraal.

Zo zagen de mensen het graag. De geschiedschrijving worstelde met hetzelfde probleem: "Het beschaafde publiek oordeelt alleen met zijn kunstgevoel, en stelt zich, als dit maar bevredigd wordt, met een schijn van waarheid, een dichterlijke waarheid, tevreden", klaagde Robert Fruin, in 1860 in Leiden aangesteld als de eerste hoogleraar vaderlandse geschiedenis in Nederland. Hij vond die hang naar esthetisch genot bijzaak. Een historicus moest uit zijn op waarheidsvinding. Het resultaat kon dan te droog en te saai zijn om smakelijk uit te serveren.

Misschien kende Fruin gewoon zijn eigen beperkingen. Hij was geen man van de verbeelding. Studenten werden bij hem meer geboeid door zijn inhoudelijkheid dan door zijn verteltrant. Schrijver Conrad Busken Huet noemde de leerstoel voor vaderlandse geschiedenis bij Fruins zilveren jubileum als hoogleraar in 1885 "een kansel in eene kathedraal met eene natie tot gehoor". Dat strookte niet helemaal met de alledaagse werkelijkheid. Geschiedenis was nog een bijvak (pas in 1921 werd het een aparte studie). De hoogleraar gaf college in een daarvoor ingerichte ruimte bij hem thuis.

Fruin was zich scherp bewust van 'onze schamele kleinte'. Die veroorzaakte frustratie, concludeerde de hoogleraar. "Er is niets wat ons in onzen overigens zoo benijdbaren staat meer teneerslaat en ontstemt dan onze zwakte, dat is te zeggen de geringe getalssterkte van ons volk te midden van zooveel talrijker en derhalve machtiger naburen." Fruin pleitte voor berusting. Een grote natie zou Nederland nooit meer worden.

De professor schreef een belangwekkend boek, 'Tien jaren uit den Tachtigjarigen Oorlog'. Verder verschenen van zijn hand vooral artikelen. Niet per se in vaktijdschriften maar in periodieken voor een breder publiek, al haalden ook die meestal oplagen van niet meer dan enkele honderden, hooguit enige duizenden exemplaren.

'De onpartijdigheid van den geschiedschrijver', luidde de titel van de rede die Fruin uitsprak bij de aanvaarding van zijn ambt in 1860. Onpartijdigheid bleek ook zijn grote verdienste. Hij gunde ieder zijn deel van de geschiedenis, waakte voor al te gekleurde historie. Dat gebeurde juist in een tijd dat de verschillende zuilen elk met hun eigen historici en met hun eigen verhaal kwamen.

Mede daarom raakte Fruin na verloop van tijd een beetje in de vergetelheid. Hij werd bovendien enigszins overschaduwd door grote opvolgers als Johan Huizinga en Pieter Geyl. In 2010, precies 150 jaar na zijn aanstelling als hoogleraar, werd Fruin met een congres en een bundel nog eens onder het stof vandaan gehaald.

De historische galerij van Jacob de Vos vormt tegenwoordig een onderdeel van de collectie van het Amsterdams Museum. Die vertoonde de complete verzameling zo'n twintig jaar geleden voor het laatst. Veel van de werken gaan tegenwoordig als bruikleen naar historische exposities in het hele land. De schilderijen uit De Vos' galerij over de periode 1590-1700 zijn nog tot en met eind augustus te zien in het Amsterdams Museum tijdens de tentoonstelling 'De Gouden Eeuw, proeftuin van onze wereld', naar aanleiding van de serie van de NTR en de VPRO. "De laatste zaal is een soort achteruitkijkspiegel", legt conservator Kees Zandvliet uit. "Daar laten we zien welke rol de Gouden Eeuw in de afgelopen eeuwen speelde bij natievorming en ontwikkeling van burgerschap."

Ook de historische aquarellen, die J.H. Isings tussen 1910 en 1970 maakte, zijn in dezelfde ruimte te zien. Als schoolplaten brandden ze zich op het netvlies van vele generaties Nederlanders en kregen zij de iconische waarde die De Vos voor ogen had met de door hem geïnitieerde galerij.

Bepalende momenten op weg naar eenheid
Met het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden vormden de Nederlanders nog niet per se een eenheid. Op tal van momenten in de afgelopen twee eeuwen vielen ze wel te betrappen op gemeenschappelijke kenmerken of waren ze juist één in verscheidenheid. Wat bracht de natie bijeen? Wat dreef de natie uiteen? In de serie 'Twee eeuwen Nederland' loopt dagblad Trouw tot eind 2013 elke woensdag langs bepalende momenten in tweehonderd jaar geschiedenis van het koninkrijk der Nederlanden. Een boek met alle artikelen verschijnt in het najaar van 2013.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden