15 jaar internet / Met www begon het pas echt

Het internet zoals we dat nu kennen heeft deze week zijn vijftiende verjaardag gevierd. Inmiddels is internet gemeengoed. Dat was het kort geleden nog niet. Verslag van de eerste jaren: van de Digitale Stad, via de steeds langere lijsten met nieuwe websites, tot de domste ideeën die in Nederland werden bedacht.

Trouw, althans een klein deel ervan, was de eerste krant op internet. Echt waar. Jaren voor de Volkskrant, jaren voor de Wall Street Journal, jaren voor de Telegraaf stond de jongerenpagina van Trouw, Zanzibar, iedere week op internet.

Het was begin 1994, het vroor dat het kraakte en aan de Amsterdamse Prins Hendrikkade was een klein groepje enigszins vervuilde jongens met jassen aan en sjaals om – de verwarming deed het niet – bezig met een boel computers. Het waren de jongens van het blaadje Hacktic, computerkrakers die onderling veel lol beleefden in een codetaal waar een gewone burger niets van snapte. Ze waren samengekomen rond een snelpratende jongen met een blonde paardenstaart die Rop Gonggrijp heette, die in die tijd alleen bekendheid genoot in kleine kring.

Maar daar kwam verandering in. De jongens hadden met subsidie van de gemeente Amsterdam een Digitale Stad gemaakt, een stad waarin burger en overheid elkaar gingen ontmoeten. De technologie ontleenden ze aan iets wat ze Internet noemden, een wereldwijd netwerk van computers die met elkaar in verbinding stonden. Met internet, zeiden ze, kun je zomaar in de bibliotheek van de universiteit van Arizona kijken. Met internet kun je iedereen een berichtje sturen, zonder dat je postzegels of telefoontikken moet betalen. Internet, zeiden ze, gaat onze toekomst voor altijd veranderen.

Wat je kon in die Digitale Stad was beperkt. Je kon een berichtje sturen, je kon opzoeken waar het dichtstbijzijnde filiaal van de bibliotheek was. Witte letters op een zwart scherm, geen plaatjes. Toch was het begeesterend. Een van die jongens die zijn dagen en nachten aan de eerste Nederlandse internetcomputers doorbrachten, was mijn buurman. Avondenlang praatte hij erover, over internet en de Digitale Stad, over hoe de nieuwe generatie zou opgroeien met een heel ander wereldbeeld dan wij gewend waren. Grenzen zouden vervagen. Informatie zou gratis worden, overal beschikbaar. Kranten, zei hij aan mijn adres, moesten nu zorgen dat ze erbij waren. Anders was de slag om de nieuwe generatie misschien voorgoed verloren. Ik vertelde dat allemaal aan de toenmalige hoofdredactie. Tuttut, zei die.

Maar na enig aandringen mocht ik dan met Zanzibar, de pagina die ik redigeerde, wel doen wat ik wilde. En zo gebeurde het dat ik iedere week met een floppy-disc (het zou nog tot eind jaren negentig duren voordat ook dagblad Trouw over e-mail beschikte) naar het ijskoude pand aan de Prins Hendrikkade fietste om daar acht artikelen on line te laten zetten. Nog datzelfde jaar maakte een bedrijf in Californië bekend dat het een programma had gemaakt waarmee ook plaatjes te zien waren: een internet-browser. Wilde je een pagina zoeken, dan moest je ’http://www’ ervoor tikken. Daarmee begon het Nederlandse internet pas echt.

Nog maar negen procent van de Nederlanders had op dat moment toegang tot het wereldwijde web. En toch waren er mensen die het toen al wel weer gezien hadden. Zoals kamerlid Marjet van Zuylen, woordvoerder media van de PvdA. In april 1996 zei zij: de internet-hype is voorbij. „Vorig jaar hadden we hoge verwachtingen van het netwerk. Het zou de hele maatschappij veranderen. Nu is het meer: we moeten zoeken naar mogelijkheden om er zo verstandig en efficiënt mogelijk mee om te gaan.” Zij baseerde zich op de voorspelling van internetbedrijven dat het net door overmatig gebruik binnenkort zou gaan vastlopen. Het aantal websites – wereldwijd – was toen nog geen twintigduizend. Nu weet niemand meer hoeveel internetpagina’s er zijn.

Miljarden.

Maar het liep niet vast, het werd groter en sneller. De Amerikaanse president Clinton zag al snel het gevaar van terroristen, die via internet veel gemakkelijker aan recepten voor bommen en ander explosief materiaal konden komen. En moraalridders wezen op de verwerpelijkheid van internetmateriaal voor kinderen: wat te denken van die site waar zeshonderd manieren werden beschreven om zelfmoord te plegen? Het ene onderzoek volgde het andere op: hoe langer mensen op internet doorbrengen, hoe depressiever, gestrester en eenzamer ze ervan worden, ontdekte de Carnegie Mellon Universiteit in 1997. Toch bleef het aantal internetgebruikers groeien.

Met het aantal gebruikers nam ook het aantal internetpagina’s toe. Bedrijven wilden erbij zijn, en probeerden of ze hun afzetmarkt ook via de computer konden bereiken. Was de wekelijkse rondgestuurde lijst met nieuwe Nederlandse internetadressen eerst enkele tientallen sites lang, al snel kwamen er honderden sites per dag bij. Pioniers bedachten internetdiensten, waarvan de één nuttiger bleek dan de andere. De PTT bedacht dat iedereen met een telefoonaansluiting gratis e-mail kreeg; het e-mailadres was hetzelfde als het telefoonnummer. Nu ongevraagde reclame het grootste probleem van internet is geworden, lijkt dat een heel dom idee. Of het idee van het bedrijfje EC-Rider, dat een gids met internetadressen ging uitgeven. Het loeidikke boekwerk moest naast de computer liggen en bevatte honderden adressen, gegroepeerd op trefwoord. Er kwam nooit een tweede editie.

Wat wel lukte waren de initiatieven om gratis e-mailadressen uit te geven. „De aanbieders van gratis e-mail zullen zich vanzelf moeten terugtrekken”, voorspelde internetsocioloog Marianne van den Bommen nog in het begin. Maar Hotmail, de gratis e-maildienst van Microsoft, bestaat nog steeds en is groter dan ooit. Het afgelopen jaar begon zelfs zoekmachine Google met een gratis e-maildienst. Langzaam werd internet meer gemeengoed. Toen in 1998 het rapport over de relatie tussen stagiaire Monica Lewinsky en Bill Clinton openbaar werd, werd het op internet gepubliceerd. Wereldwijd zaten op dat moment miljoenen mensen klaar om het te downloaden. Wachten tot de kranten eruit zouden publiceren duurde velen toen te lang. Dat jaar ging ook Trouw, officieel, on line.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden