10 jaar kinderboeken

Dit is mijn laatste stuk in deze kinderboekenrubriek. Negen-en-een-half jaar heb ik met hart en ziel over kinderboeken geschreven. Maar soms is een mens aan een nieuwe uitdaging in zijn leven toe. Voor mij is het nu zover.

Als vanzelf komen evaluerende gedachten boven. Wat hebben die bijna tien jaar gebracht aan kinder- en jeugdliteratuur?

Al terugkijkend blijkt dat de jeugdliteratuur in Nederland het afgelopen decennium een stormachtige ontwikkeling heeft doorgemaakt, niet alleen aan de kant van de productie van kinderboeken, maar ook aan de kant van de receptie, het lezen. Opvallend is dat verschijnselen die nu niet meer weg te denken begrippen zijn, toen net begonnen als kersvers initiatief, zoals de Kinderjury en de Woutertje Pieterse Prijs (beide begonnen in 1988). En van griezelboeken als genre, nu razendpopulair, had nog niemand gehoord.

Een paar cijfers van de Stichting Speurwerk zetten de toon: in 1990 werden er 3,6 miljoen kinderboeken verkocht, dat was 11,3 procent van het totaal aan boeken; in 1997 werden er 6,5 miljoen kinderboeken verkocht: dus 85 procent méér in zeven jaar, en toen was dat 16,3 procent van de totale boekproductie.

Nog wat cijfers: in 1989 werden er 955 nieuwe titels aan kinderboeken geregistreerd inclusief strips, en in 1996 verschenen er 1275 nieuwe titels exclusief strips. (Maar de telling was anders, volgens Wim van Leeuwen van Stichting Speurwerk).

Hoe dan ook: zowel productie als verkoop van kinderboeken zijn in de jaren negentig fors gestegen. Henk Kraima, directeur van de CPNB, zou hieruit concluderen dat het goed gaat met het kinderboek in Nederland. Maar is dat ook zo? Ja en nee.

Met de literaire kwaliteit van het jeugdboek in de jaren negentig gaat het prima. Na het sociaal-realisme van de jaren zeventig en, als reactie daarop, het primaat van de fantasie in de jaren tachtig mag in de jaren negentig alles weer. Dat leidde tot indrukwekkende syntheses van sociale bewogenheid en literaire kracht, zoals 'De eikelvreters' van Els Pelgrom (Gouden Griffel 1990) en 'Vallen' van Anne Provoost (1994).

De Nederlandse jeugdliteratuur is de laatste kwart eeuw uitgegroeid tot een der beste ter wereld. Er wordt veel vertaald, vooral in het Duits. Volgens het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds bestaat sinds 1987 27 procent van het geheel aan vertalingen vanuit het Nederlands uit kinderboeken (het Fonds registreert echter alleen gesubsidieerde vertalingen van literaire boeken, dus bijvoorbeeld geen Dick Bruna, terwijl die tot de meest vertaalde kinderboekenauteurs behoort).

De beginnende generatie schrijvers van toen is inmiddels gevestigd: Ted van Lieshout, Joke van Leeuwen, Sjoerd Kuyper, Hans Hagen. De Vlaamse jeugdliteratuur, toen stoffig en oubollig genoemd, begon een inhaalrace, met Bart Moeyaert ('Blote handen', 1995) en Anne Provoost voorop; met jonge illustratoren als Gerda Dendooven en Klaas Verplancke als aanjagers van een nieuwe frisse 'Vlaamse school' van illustratoren, en sinds 1995 met de 'Gouden Uil' als prestigieuze prijs.

Er ontstond een opleving van klassieke jeugdboeken, zoals in de fraaie reeks van de uitgevers Altiora en Becht, ook al een Vlaams initiatief. Andere klassiekers werden tot inspiratiebron voor geheel nieuwe jeugdliteraire scheppingen, zoals de 'Odysseia' voor 'Odysseus, een man van verhalen' (1994) van Imme Dros, 'Mariken van Nimwegen' voor 'Mariken' (1997) van Peter van Gestel, en 'De schone en het beest' voor 'De roos en het zwijn' (1997) van Anne Provoost. Mythen en volksverhalen uit de hele wereld werden vertaald, mede als gevolg van het toenemend aantal kinderen van allochtone afkomst: nu gemiddeld 12 procent op basisscholen. Maar met name de Griekse mythologie werd en wordt in alle toonaarden opnieuw bezongen, het meest succesvol door Imme Dros.

Het taboe op homoseksualiteit werd doorbroken, in 1987 al door Aidan Chambers ('Je moet dansen op mijn graf') en later door Ted van Lieshout ('Gebr.', 1996). Er werd, onder aanvoering van het vaktijdschrift 'Literatuur zonder leeftijd', dat eveneens in de jaren negentig tot bloei kwam, nog iets doorbroken: de rigoureuze scheiding tussen literatuur voor jongeren en voor volwassenen, al houden critici van literatuur voor volwassenen de traditionele scheidslijnen liever in stand.

De jeugdliteratuur werd een bron van teksten voor jeugdtheater (heel veel) en jeugdfilms: 'De tasjesdief', van Mieke van Hooft, 'Mijn vader woont in Rio' van Burny Bos, 'Het zakmes' van Sjoerd Kuyper en straks 'Abeltje' van Annie M.G. Schmidt en 'Mariken' van Peter van Gestel.

Er kwamen nieuwe uitgeverijen, kindertijdschriften, en een hausse aan visuele informatieve boeken, en sinds 1996 aan kinder-cd-roms.

Maar de meest in het oog springende trend is het schijnbaar uit het niets omhoog geschoten genre van griezelboeken. Aangezien Nederland zelf geen horror-traditie heeft, moet dit wel mede een gevolg zijn van de internationalisering van de literatuur. Top-auteur Paul van Loon geeft in informatieve boeken als 'Het griezelhandboek' (1993) en 'Het vampierhandboek' (1997) rekenschap van die internationale 'roots'. Dat het genre zo is aangeslagen heeft ongetwijfeld te maken met de toegenomen behoefte aan spannende boeken die niet te moeilijk zijn.

Over de receptie van kinderboeken in de jaren negentig zijn de geluiden minder eensluidend positief. 'Er wordt steeds minder gelezen', is de uitkomst van menig onderzoek, al lezen steeds meer volwassenen kinderboeken.

Met verhoogde energie is de afgelopen jaren de leesbevordering aangepakt. Dan blijkt dat kinderen best wíllen lezen, maar vaak door de bomen het bos niet meer zien. Dé grote opgave voor leerkrachten, ouders, bibliothecarissen en boekhandelaren is momenteel het juiste boek bij het juiste kind te brengen. De Kinderjury is wel het meest populaire leesbevorderingsproject geworden. Critici, mijzelf niet uitgezonderd, kunnen weinig waardering opbrengen voor de keuze van kinderen. Maar met een andere pet op, die van de leesbevorderaar, ben je blij als je weer een kind dat lezen beweert te haten rooie oortjes hebt bezorgd, al is het dan met een minder literair boek.

Er kwamen intensieve leesbevorderingsprogramma's voor kinderen uit met name allochtone achterstandsgezinnen, waar praten en spelen met kinderen en (voor-)lezen niet in de cultuur verankerd ligt. En er kwamen prijzen die niet alleen literaire criteria hanteren, maar ook educatieve- en gebruikscriteria, zoals de Kinderboekwinkelprijs en de Kiekeboekprijs.

De aanvankelijk nog wat slapende Stichting Lezen kreeg in 1994 een financiële injectie van zes miljoen van de toenmalige minister Hedy d'Ancona, en initieert sindsdien talloze leesbevorderingsprojecten, zoals (vandaag!) de Nationale Voorleesdag.

Dit lijkt rooskleurig. Ook klinkt er tevredenheid over de benoeming van een bijzonder hoogleraar jeugdliteratuur: eindelijk erkenning voor de jeugdliteratuur. In Leiden is voor de Annie M.G. Schmidt-leerstoel Helma van Lierop voorgedragen, universitair docent in Tilburg. Tjongejonge, nog wel aan een letterenfaculteit in plaats van aan een pedagogische faculteit, zoals prof. dr. Ria Bauer-van Wechem in de jaren zeventig.

Maar er zijn ook pessimistische geluiden te horen. De nieuwe hoogleraar wordt benoemd voor maar driekwart dag per week en moet haar werk onbezoldigd verrichten, terwijl er ook geen budget voor onderzoek is. Lea Dasberg, zelf vanaf 1970 als hoogleraar historische pedagogiek in Utrecht en Amsterdam vurig pleitbezorgster voor de erkenning van de kinder- en jeugdliteratuur als serieus wetenschappelijk studiegebied, reageerde in een ingezonden brief in de NRC van 4 april jl. furieus: “Dit is een aanfluiting, zowel voor de kinderliteratuur als voor de naam van de grote en wereldwijd vertaalde schrijfster Annie M.G. Schmidt.”

Ook Joke Linders, die binnenkort promoveert op Annie M.G. Schmidt, is weinig optimistisch. Ondanks diverse proefschriften die op stapel staan vraagt ze zich in het nieuwe voorjaarsnummer van 'Literatuur zonder Leeftijd' af of het niet te laat is voor zo'n leerstoel: “De academische achterstand die de kinderliteratuur heeft opgelopen halen we nooit meer in. De bloeitijd van de kinder- en jeugdliteratuur lijkt ook een beetje over haar hoogtepunt heen.” Desgevraagd licht ze dit toe: “Tien jaar geleden zeiden we: we gáán ervoor, voor kwaliteit, voor de emancipatie van het literaire kinderboek.

Commercieel en kwalitatief loopt het ook wel, maar de structurele omstandigheden eromheen zijn armetierig. De kennis over jeugdliteratuur is vrij gering; de jeugdliteraire kritiek is ingeslapen of men trekt zich terug, zoals jij, omdat het vak geen ontplooiingsmogelijkheden biedt.'' 'Literatuur zonder leeftijd', dat zelf ook met liefdewerk-oud-papier gemaakt wordt, zal hier in het najaar een themanummer aan wijden. Een goed idee, want om te voorkomen dat steeds minder kinderen goede boeken lezen moet er in de nabije toekomst enorm veel werk verzet worden, juist op dat infra-structurele vlak: meer aandacht op Pabo's voor jeugdliteratuur, meer (ook financiële) ruimte voor ontluikende geletterdheid, leesplezier, jeugdliteraire kritiek en onderzoek. Het zal altijd liefdewerk zijn, als het maar mogelijk blijft of wordt. Het gaat om het geluk van kinderen.

Lieke's tiental

Hondsmoeilijk, om uit de afgelopen tien jaar mijn meest geliefde tien kinderboeken te kiezen. Het uiteindelijke rijtje bevat verbazend veel mythen en sprookjes, dierenverhalen, poëzie (ook in proza) en spiritualiteit. Eerst drie verzamelbundels-voor-het-leven:

1. Arnold Lobel, 'Alle verhalen van Kikker en Pad', Ploegsma 1996; onsterflijke verhalen van hevige eenvoud en sereniteit, waarin Lobel de twee vrienden een diepe menselijkheid geeft: Kikker als de wijze, nuchtere, creatieve; Pad als de impulsieve, flegmatieke, ijdele.

2. Toon Tellegen, 'Misschien wisten zij alles', Querido 1995; heel Tellegens wonderlijke dierenuniversum in één band. Niet om snel achter elkaar uit te lezen: elk verhaal wil geproefd worden als een gedicht, dromerig, vluchtig, melancholiek, beeldend, vol filosofisch gegoochel met taal en logica. Alles kan, niets moet, een clou hoeft niet per se en stress is van een andere planeet.

3. Tine van Buul en Bianca Stigter, 'Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is', Querido 1990; een nu al klassieke bloemlezing kinderpoëzie, niet alleen van 'kinderdichters' (Annie M.G. Schmidt voorop), maar ook van dichters voor volwassenen.

Nu wordt het pas echt moeilijk, want ik moet kiezen uit een grote stapel lievelingsboeken.

4. 'De avonturen van Alice in Wonderland' van Lewis Carrol, in de vertaling van Nicolaas Matsier, van Goor 1996. Toch maar de versie met de oude tekeningen van John Tenniel, boven de modernere van Antony Browne. Matsiers vertaling, soepel en beweeglijk, wint het van alle voorgaande, zoals die van Kossmann en Reedijk uit 1947.

5. Imme Dros, 'Odysseus, een man van verhalen', Querido 1994; gedurfde, zwierige herschepping van de Odyssee vanuit vertellende personages om Odysseus heen. Fonkelend van lef en leven door de verschillende stijlen en tekstsoorten van de vertellers.

6. Max Velthuijs, 'Kikker en het vogeltje', Leopold 1991; weer een kikker, en wat voor één! De jaren negentig zijn ook de jaren waarin Kikker groot is geworden door klein te blijven. Zeven kikkerboeken maakte meestermoralist Velthuijs, de achtste, 'Kikker en de wijde wereld' komt deze zomer. Misschien is 'Kikker en het vogeltje' de mooiste omdat Velthuijs in een paar woorden en beelden het geheim van leven en sterven raakt, waar filosofen en theologen daar meters bibliotheek voor nodig hebben.

7. Paul Biegel, 'Nachtverhaal', Holland 1992; 'Nachtverhaal' won het maar net van Biegels 'Anderland' uit 1990. Beiden zijn wonderen van verteltechniek, bezwerender dan televisie, maar 'Nachtverhaal', over een (onsterflijke) fee op zoek naar sterflijkheid, boeit als een geslaagde marihuana-trip en prikkelt met z'n herhalingen, overdrijvingen, magische getallen, rijmende en allitererende neologismen de voorleeskunst.

8. Aidan Chambers, 'Nu weet ik het', Querido 1990; derde deel in een reeks op zichzelf staande (jeugd?)romans over een (belezen) jongen van een jaar of zeventien. In de eerste staan literatuur en seksualiteit centraal, in de tweede homoseksualiteit en in deze gaat het om spiritualiteit. Atheïst Nik wordt verliefd op een diepgelovig, intelligent meisje en wil per experiment uitvinden hoe het voor Jezus gevoeld moet hebben om aan het kruis te hangen. Adembenemende zoektocht naar de raakvlakken van theologie en wetenschap.

9. Anne Provoost, 'Vallen', Houtekiet/Fontein 1994; verpletterende, knap geschreven roman, actueel, complex en meeslepend, over het verband tussen collaboratie in de tweede wereldoorlog en neo-nazistische denkbeelden en praktijken van nu.

10. Ulf Stark en Anna Höglund, 'Kun je fluiten Johanna?', Querido 1993; twee deugnieten bezorgen een eenzame oude man uit een bejaardentehuis de tijd van zijn leven zonder 'goed' te willen doen.

Geestig en ontroerend, zonder een greintje sentiment; tekst en beeld dragen in perfecte harmonie de eenvoud en diepgang van dit pittige verhaal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden