10 GEBODEN - Manon Uphoff

1 Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Ik ben negen maanden nadat mijn broertje Edwin was verongelukt, met Kerst, geboren. Daar heeft mijn vader een mythisch verhaal van gemaakt; ik was een Jezuskind dat alles goed kwam maken. Ik stond hoog in zijn aanzien, maar daar was ook een aantal gedragscodes aan verbonden: echt van vlees en bloed worden, kon ik niet. Ik ben wel eens jaloers geweest op mijn broers. Die hadden een vrijheid die ik moest bevechten. Ik werd niet vastgehouden door allerlei geboden en verboden; het was eerder een soort intern, onuitgesproken stelsel van normen en waarden dat speciaal voor mij gold. Ik was Het Goede Kind. Ik ontwikkelde een sterk gevoel voor de emoties van anderen, wist ook goed te troosten. Ik mocht van niemand anders zijn dan van God en van mijn vader. Daar móest ik los van komen. Ik weet nog goed dat ik mijn Godsbeeld, zo rond mijn tiende, elfde jaar, kapot ging denken - en dat daarmee ook mijn vader geleidelijk aan kleiner werd. Het was een moeizaam, pijnlijk proces en ik heb het er niet zonder kleerscheuren afgebracht. Ik kan nog steeds moeilijk afscheid nemen. Dat is een persoonlijke verscheurdheid geworden: ik zou aan de ene kant los willen zijn van alles en tegelijkertijd heb ik de behoefte heel dicht bij mensen te zijn. Toen ik het Godsbeeld kapot had gemaakt, bleef er niet zoveel over. Jarenlang heb ik op de wip gezeten. Ik wilde terug naar dat oude beeld, dan weer een periode helemaal niet.”

“Nu is er vooral een groot verlangen naar rechtvaardigheid. Het leven is voor sommige mensen zo kort, dat ik Zijn bestaan bijna zou willen afdwingen. Ik kan goed leven zonder een God, maar blijkbaar tot op bepaalde hoogte. Als Hij er niet voor is om te voorkomen dat kinderen sterven, dan is dit met recht een sadistisch universum. Ik vind het geloof dat er 'iets' is om bepaalde onverdraaglijke gedachten op een of andere manier toch draaglijk te maken, een goede reden om te blijven geloven in een God. Hoe die God eruit ziet, doet er vervolgens niet veel toe. Er zijn onderzoeken geweest naar bijna-dood ervaringen en daar kwam uit naar voren dat er blijkbaar in de hersenen een chemisch stofje wordt aangemaakt dat er, als je in grote angst verkeert, voor zorgt dat je door een kalmte bevangen wordt, waardoor je rustig en vredig kunt sterven. Als God gelijk is aan een chemisch stofje, vind ik het ook best. Zolang mensen maar niet eenzaam hoeven dood te gaan.”

2 Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Het mythische verhaal dat mijn vader van mijn geboorte had gemaakt, werd gevoed door zijn Maria-verering. Die verering was veel sterker dan bij de doorsnee katholiek. Al was mijn vader daar zeer ambivalent in, want je zou toch verwachten dat iemand die de maagdelijkheid van Maria zo hoog in het vaandel heeft staan, van zijn vrouw en van zichzelf ook een zekere kuisheid verwacht, maar in het contact met mijn moeder was dat helemaal niet zo. Die relatie was in eerste instantie gebaseerd op erotische aantrekkingskracht, daar is ook nooit een geheim van gemaakt. Ik denk dat mijn vaders verering van Maria - en haar maagdelijkheid - in wezen een zoektocht naar de ideale moeder is geweest. Een soort verheven, ontvankelijke moederfiguur, bij wie hij altijd terecht kon.”

“Mijn vader was hoofd statistiek aan de universiteit van Utrecht. In zijn vrije tijd schilderde hij. Hij heeft een periode Madonnafiguren gemaakt. Niet van die suikerzoete, maar eerder seksueel aantrekkelijke wezens die op mijn moeder in haar mooiste dagen leken. Ik tekende gemene, lugubere dingetjes. Ik heb nog een stapel zwart-wit tekeningetjes bewaard, die ik op mijn dertiende heb gemaakt. Hoofden aan koorden, afgehakte handen. Ik denk nu dat het voor een deel puur anatomische nieuwsgierigheid was, maar misschien is het ook een vorm van afreageren geweest. Ik had in mijn puberjaren meer begrip, meer warmte gewild. Dat ik goed wilde doen, werd voor lief genomen. Dat ik er ook echt heel erg mijn best voor deed, werd niet gezien.”

3 Gij zult de naam van de Here, uw god, niet ijdel gebruiken

“Bloemen van iemands graf halen en er moddersporen op achterlaten, vind ik veel erger dan een keertje godverdomme roepen. Het heeft met respect te maken. En daar heb je meteen het eeuwige conflict met mensen die in God geloven te pakken: zij vragen daar respect voor. Ja, maar als je denkt dat er geen God is, dan kun je hem toch ook niet vervloeken? Dat is een rivier die je niet kunt oversteken. Wat ik wel pijnlijk vind, is het kleineren van mensen die geloven. Geloof is voor mij meer gekoppeld aan werkelijke mensen en veel minder aan ideeën. Wat mij betreft hou je van een dooie cactus. Het is dan misschien geen verheffend symbool, maar dat maakt die liefde toch niet belachelijk?”

4 Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de here uw god, dan zult gij geen werk doen

“De zondag was lange tijd een heel erg leuke dag. Het was een dag waarop mijn vader kookte en wij heerlijk aten. Iedere zondag kip, doperwtjes, aardappels, appelmoes, groentesoep en pudding toe. Ik heb altijd winterse dagen voor ogen; nooit een zomerse zondag. Er hing een haast mythische, kerkelijke sfeer, maar niet op een vervelende, verstikkende manier. Toen we verhuisden naar de buitenwijk nam het prettige gevoel af, ik miste de stad; de sfeer van een winkelstraat, de lichtjes en de mensen om me heen. Het werd een benepen gezelligheid, het nieuwe huis kende niet de grandeur van ons oude huis. Ik probeer nu, in mijn eigen gezin, die zondagen van toen te reconstrueren. We hebben net als vroeger ontbijt op bed en kletsen urenlang over de meest uiteenlopende onderwerpen. Ik heb geen hekel aan de zondag. Over de winkelzondagen ben ik wel een beetje ambivalent. Soms komt het uit, is het prettig dat de winkels open zijn, maar toch... Ik word er ook een beetje triest van als ik op Hoog Catherijne rondloop tussen hologige mensen die voortgedreven worden door iets waarvan ik me afvraag of dat nu wel hetgeen is wat zij zoeken. Met z'n allen die winkels in, niet zes dagen, nee, zéven dagen per week. Kopen, kopen en nog meer kopen. Ik word af en toe wel moe van het consumeren. Het is bijna een machinerie waar je een behoorlijke krachttoer voor moet ontwikkelen om je er aan te kunnen onttrekken. Het wordt zo gauw een behoefte die een heel andere basis heeft, je hebt het niet meer nodig, allemaal: het is kopen om te kopen. Ik merk ook dat ik niet meer kan kiezen. Dan sta ik bij de broodjesafdeling van V & D en zie zoveel broden, dat ik bij God niet meer kan beslissen. Dat is zo'n rare gewaarwording: zoveel keuze te hebben en niet kunnen kiezen. Ik heb niet de vrijheid, de kennis of de tijd om al die dingen met elkaar te vergelijken en eigenlijk maakt het ook geen donder uit. Als het één nou wezenlijk beter is dan het andere, dan had het nog zin. Je hoeft geen belangrijke, bewuste keuze meer te maken, want je sterft hier echt niet aan een verkeerd gebakken brood.”

5 Eert uw vader en uw moeder

“Jarenlang heb ik op een bijna ziekelijke manier gezocht naar de ouders uit mijn kindertijd. Elke dag kwam ik, na mijn studie, thuis, ging aan tafel zitten en hoopte op iets zonder aan te kunnen geven waar ik nu precies op zat te wachten. Om uiteindelijk weer teleurgesteld naar mijn kamer terug te gaan. Het heeft lang geduurd, maar het is voorbij gegaan. Ik heb afstand genomen en vanuit een soort beleefdheid is er toen een nieuw contact ontstaan. Van daaruit is iets nieuws gegroeid, maar dat is van een volwassen Manon uitgegaan, niet van het kind. En als volwassen mensen - meer op afstand - vind ik het leuke mensen. Ik heb een tijd woede gevoeld, en kilheid. Ik zou het vreselijk gevonden hebben als dat gevoel zich had uitgestrekt, want het staat een open relatie met je eigen kinderen later vreselijk in de weg. Als je met nog zoveel pijn naar je eigen ouders toe zit, is het moeilijk om je eigen ouderschap vorm te geven. Met mijn moeder - hoeveel strijd ik ook met haar leverde - heb ik nu een goed contact. We kunnen elkaar de huid vol schelden, maar zij is wel een mensch geworden, een vrouw met wie ik bevriend zou kunnen zijn. Met mijn vader is het contact op een heel andere manier verlopen. Na de verering kwam de breuk, toen was er een gemis - in ieder geval van mijn kant -, gevolgd door flinke botsing. Nu is onze relatie die van een soort gecultiveerde, wel liefdevolle afstandelijkheid. Waarin in wezen alles verborgen en onuitgesproken blijft. Eigenlijk heb ik daar wel vrede mee. De strijd met mijn moeder is bijna altijd direct geweest, met mijn vader ging alles via een omweg. Zo leeft hij ook. Hij communiceert meestal via mijn moeder. Als ik opbel, duurt het nooit lang voordat hij zegt: Zal ik je moeder even geven?”

6 Gij zult niet doodslaan

“Ik ben gefascineerd door de dood. Ik kan me vanuit een nieuwsgierigheid bezighouden met de gedachte: hoe zou het zijn om te doden? Je kunt doden in een verschrikkelijke driftaanval, dat ligt redelijk voor de hand en is daarom als gedachte voor mij ook minder interessant. Het onbegrijpelijke zit hem eerder in het kalm en beheerst doden: waarom zou iemand zoiets willen doen? En dan kom ik uit op iets menselijks, iets wat ik kan herkennen. Als je iets maakt, blijft altijd de angst dat het kapot gemaakt kan worden. Dus: iets maken is nooit definitief. Iets kapot maken wel, dat is het laatste woord willen hebben, voor God willen spelen. Macht. In wezen liggen creativiteit en destructiviteit niet zo verschrikkelijk ver uit el- kaar. Ik denk dat veel geweld voortkomt uit leegheid; uit de behoefte om iets te scheppen, om op een of andere manier effect te kunnen hebben op de omgeving. Daar kan ik een kille, berekende moord natuurlijk niet mee rechtvaardigen, maar ik kan het zo wel iets beter begrijpen.”

7 Gij zult niet echtbreken

“Ik zou het liefst een thuis hebben waarin ik altijd welkom ben, waarin ik met liefde word ontvangen en verder kan doen en laten wat ik wil. Wat inhoudt dat ik relaties kan hebben met wie ik wil, kan vrijen met wie ik wil. Ik doe het niet, omdat het me niet waard is mijn huidige partner daardoor te verliezen. Het is bovendien hypocriet, want ik zou het andersom absoluut niet kunnen verdragen. Ik eis trouw van iemand. Mijn partner kan rustig relaties met andere vrouwen hebben, ze leuk, aardig en aantrekkelijk vinden maar als het zich zou uitstrekken tot iets seksueels, zou ik dat onverdraaglijk vinden. Wat dat betreft ben ik hebberig, dat deel wil ik voor mezelf. Zo worstel ik haast voortdurend met mijn eigen ambivalenties. Ik wil de vrijheid, maar zou mijn relatie niet zomaar verbreken. Niet dat ik zoiets moreel niet kan verantwoorden, maar ik heb in de loop der jaren wel ervaren dat scheiden echt een grote ramp is in een mensenleven. Het is soms makkelijker om het overlijden van iemand te verwerken, omdat je weet dat je dan die liefde hebt, dan te beseffen dat de mens met wie je twintig jaar samen bent geweest jou niet meer de moeite waard vindt om mee door te gaan.”

8 Gij zult niet stelen

“Stelen is iets roven waar een ander liefde voor voelt, erg aan gehecht is, of nodig heeft. Ik vind het moeilijk om het, in onze welvaartsmaatschappij, erg te vinden als iemand iets wegneemt uit een warenhuis. Ik heb me niet schuldig gemaakt aan stelen volgens mijn eigen definitie, maar ik heb wel gejat als een bezetene. Samen met een vriendin heb ik kilo's make-up, lotions en oorbellen uit Galerie Modern in Utrecht weggehaald. Het was spannend, we waren vingervlug en heel erg op elkaar ingespeeld. Ik zou het nu niet meer doen, omdat het zo'n gedoe geeft als ik tegen de lamp zou lopen. Bovendien ben ik financieel in een positie gekomen waarin ik me de dingen die ik wil hebben ook kan permitteren. Maar als ik het geld niet zou hebben? En ik zou een keer een mooi sjaaltje willen, of wat lippenstift? Ik geloof niet dat ik er veel moeite mee zou hebben het uit een winkel weg te halen. Dat is vast helemaal fout, maar nee, ik heb helemaal niet het idee dat je spullen van iemand afpakt. Integendeel: ik heb eerder het idee dat er bijna om diefstal wordt gevraagd door mensen zoveel producten te presenteren waar ze niet aan mogen komen. We hebben een enorme overvloed en er is tóch nog een groep in de maatschappij die daar geen recht op heeft, die daar van af moet blijven: dat zou ik haast treiteren willen noemen.”

9 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste

“Wanneer een auteur zegt: 'Ja, ik schrijf autobiografisch', dan koppelen zijn of haar lezers dat onmiddellijk aan De Waarheid. Maar is dat dan de waarheid op handelingsniveau of is dat de waarheid op ervaringsniveau? Ik kan zeggen dat er handelingen en gebeurtenissen in mijn boeken staan, die ook zo in mijn leven zijn voorgekomen, maar hoe dat ervaren is, komt puur voor mijn eigen rekening. In die zin is het altijd valse getuigenis; ik leg een persoonlijke getuigenis af en dat is maar één verhaal. Het stoort me niet om op die getuigenis te worden aangesproken - ik zou ook reageren als ik in andermans boeken werd opgevoerd. Al blijft het moeilijk om uit te leggen dat het boek toch wezenlijk anders is dan de werkelijkheid. Zowel in Begeerte als in Gemis is er een vertellende ik. Dat is een gecreëerde figuur, die door háár ogen de gebeurtenis filtert die zich in míjn leven heeft voorgedaan. Zij heeft daar een visie op en ik kan niet zeggen dat het altijd mijn visie is. Dat maakt mij als auteur natuurlijk ook een beetje ongrijpbaar. Ik vind het ook helemaal niet raar dat, bijvoorbeeld, mijn moeder boos wordt als zij vervelend in mijn boek is afgeschilderd, maar ik pretendeer helemaal niet dat ik De Waarheid heb geschreven. Ik maak me wel zorgen over de impact die zoiets kan hebben op onze relatie. Ik zou het rot vinden als die verknald wordt door een passage uit een boek. Ik schrijf niet om iemand kwijt te raken, ik schrijf juist om mensen om mij heen te krijgen die me waarderen, die graag lezen wat ik schrijf.”

10 Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Dit is een gebod waar ik niet aan kan gehoorzamen. Als het mij goed gaat, gun ik iedereen het beste, maar als het mij wat minder goed gaat, dan begeer ik wel degelijk andermans rund, ezel en noem maar op. Het is een gebod waarvan ik me wel eens afvraag: waarom staat het er in vredesnaam bij? Wat wordt er verwacht van mensen? Ik denk dat begeren ook een goede motor kan zijn om dingen voor elkaar te krijgen. Schrijver zijn en ook als zodanig gezien worden - dus niet alleen op m'n zolderkamertje iets in elkaar flansen waar niemand ooit iets van hoort - is ook een begeerte. Nu is het in de Kunsten toevallig zo dat je door iets te kunnen niet automatisch de plek van een ander inneemt, maar zelfs al was dat zo, dan zou mij dat toch niet tegenhouden. Schrijven is voor mij een heel groot goed. Ten eerste omdat het zo verweven is met wie ik ben en wat ik kan en ten tweede omdat er niet veel anders voor mij overblijft als ik het niet zou doen. Juist omdat ik schrijf - en daar iets mee kan - krijg ik de mogelijkheid om ook op andere terreinen een beetje een redelijk mens te zijn.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden