Tien GebodenHarold Hamersma

Zondagsrust? Die kent Harold Hamersma niet

Harold HamersmaBeeld Mark Kohn

Harold Hamersma (Amsterdam, 1956) – voorheen reclameman, vooral bekend als wijnschrijver, graag geziene gast op radio en tv – schreef een boek over de Amsterdamse Pijp, zijn ouders en de rest van zijn familie. ‘Onder de rook van de Heineken’ verscheen deze week bij uitgeverij Ambo|Anthos.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“We zouden meer in onszelf moeten geloven, dan in pillen, poen of de paus. Ik kan allerlei verheffende dingen zeggen over de zin van mijn bestaan, maar feit is: ik heb géén idee. Ik ben een toevallige passant. Als jij Magere Hein was, zou ik zonder te morren met je meegaan, zeer tevreden met het leven dat ik heb gehad. Ik heb het DNA van mijn moeder: ik kan overal iets moois in zien. Toen ik mijn moeder vroeg of ze, als Joods meisje, niet verschrikkelijk bang was geweest in de oorlog, antwoordde ze: ‘Ja, het was een afschuwelijke tijd’ om daar meteen aan toe te voegen: ‘Maar wat konden die moffen zingen. Schitterend!’

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“En dan kom jij nu zeker met Dionysos, de god van wijn en vreugde? Die verafgood ik dus niet. Ik ben niet verslaafd aan alcohol, sterker nog: ik heb een enorme aversie tegen mensen die door overmatig drankgebruik decorum verliezen. ‘Laat je nou eens een keer gaan!’, zeggen ze dan. Waarom zou ik? Ik ben een controlfreak. En die roes kan me gestolen worden. Weet je wat ik het mooie vind van wijn? De verhalen. Ik hou ervan om verhalen te vertellen. Het had ook kaas kunnen wezen. Of Märklin-treintjes.

Misschien werd het wijn omdat mijn vader, zijn broers en mijn neven allemaal bier dronken en de geur van gist en hop, komend van de Heinekenbrouwerij, als een klamme molton over onze buurt hing. Of omdat ik het zo leuk vond om op mijn negentiende met mijn vriendin Karin vadertje en moedertje te spelen; zij hield van koken en ik kocht er bij Albert Heijn zo’n goedkoop literpak Pinard bij.

Wist je trouwens dat Pinard het jargon was voor ‘bocht’, een wijn die de Franse soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog in de loopgraven kregen als vervanging van water dat helemaal niet te drinken was? Afijn, daar is het voor mij begonnen: in die kleine bovenwoning, met de toekomstige mevrouw ­Hamersma.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Jaren geleden had ik een reclamebedrijf en onze financial controller – uit Ederveen, de biblebelt ­– was een lange, bleke jongen die ik vanwege zijn uiterlijk al snel het Ederveen Lijk noemde. Als we lunchten, kwam van hem het verzoek om bij aanvang even stil te zijn. Vond ik mooi. Ik hou van het ritueel. Op een dag vroeg hij ook of we misschien iets minder vaak konden vloeken. Ik was het me helemaal niet bewust. ‘Wat zeg jij dan?’, vroeg ik. ‘Grutjes’, zei hij. Oké, dát woord krijg ik mijn bek niet uit, maar ik ben na zijn opmerking wel meer op mijn taalgebruik gaan letten. Ik ben een sociale kameleon. Ik wil niemand kwetsen.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Zondagsrust? Ken ik niet. Mijn vrouw zegt: ‘Jij staat altijd aan’.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Je moet het dol maken op deze aardbol om uit de ouderlijke macht te worden ontzet, maar mijn oma kreeg het voor elkaar. Nadat mijn opa, waarschijnlijk mede vanwege het promiscue gedrag van zijn vrouw, in 1942 voorgoed het huis had verlaten, kwam er pas echt een eindeloze stroom van mannen op gang. Ome Jan, ome Nico, ome Massie, ome dit, ome dat. Het zou me niets verbazen als die mannen ook weleens aan mijn moeder en haar twee jaar oudere zus Beppie hebben gezeten. Er was bittere armoede, de boel vervuilde en op 5 december 1945 – toen mijn moeder twaalf jaar oud was – werden haar jongere tweelingbroertjes aan Jeugdzorg toevertrouwd en moesten zij en Beppie maar voor zichzelf gaan zorgen.

Mijn moeder is door haar zus door haar jeugd geloodst, daarna heeft mijn vader, Auke, die zorg overgenomen. Hij droeg haar op een gouden schild. Ze hield op haar manier ook wel van hem, maar... Weet je wat het is? Ik denk dat ze nooit heeft geleerd hoe het is om iemand lief te hebben. Hoe je een echtgenote, een moeder moest zijn. De dingen overkwamen haar. Ik ben haar overkomen. Ze had letterlijk geen idee waar al dat water ineens vandaan kwam: ‘Auke, Auke!’ Was haar vruchtwater gebroken.

Misschien had ze wel zoveel ellende in haar jeugd meegemaakt, dat ze de rest van haar leven in een soort naïeve, optimistische blijdschap door wilde brengen. Zonder gedoe. Ze had ook niet zoveel herinneringen aan de oorlog, zei ze. ‘Mam, wat herinner je je van Bevrijdingsdag?’ ‘Geen idee. Mijn vader was het huis uit, mijn moeder was de hort op. Het was een nare tijd.’ Overigens bleef ze haar moeder, die wij Miegie Paardenvliegie noemden, tot haar dood in 1973 opzoeken.

Oma had de oorlog overleefd omdat ze met een christenman was getrouwd. Haar zusje, Branca, werd met haar zes kinderen in Auschwitz vermoord. Mijn moeder heeft niet veel over haar tante en haar nichtjes verteld. We gedenken hen ieder jaar, op 4 mei. ‘Jodenherdenking’ noemt mijn moeder dat. Na afloop zegt ze: ‘Over de Joden niets dan goeds.’ Ik weet niet of ze meer over haar joodse achtergrond zou kúnnen vertellen; ze heeft zich er nooit zo mee beziggehouden. Of ik haar ken? Ik weet het niet. Ik kijk naar haar, ik luister naar haar.

Het eerste hoofdstuk uit mijn boek, waarin haar jeugd ter sprake komt, had ik al eerder geschreven (gepubliceerd in de bundel ‘Wat ik van mijn moeder leerde’, samengesteld door Manon Duintjer, verschenen in 2019, AV). Ik zei: ‘Mam, ik heb een verhaal over je geschreven’. ‘O, schitterend’, zei ze. Ze vindt alles altijd schitterend. Later werd het verhaal in Het Parool afgedrukt. ‘Mam, nu sta je ook nog in de krant.’ ‘Schitterend.’ Een paar dagen later belde ze op: ‘Ik heb het uitgescheurd en wel vijf keer gelezen’. ‘En?’ vroeg ik. ‘Ik ben heel erg trots op je.’ Zoiets had ze nog nooit tegen me gezegd. Nog nooit. Moest dat dan? Ze had geen idee.

Mijn vader – mooie man, kop van een filmster, charmant, altijd vrolijk – nam de meeste taken op zich. Die man was zelf ook een mirakel; hij had vanaf z’n 24ste nog maar één long, is vier keer bijna doodgegaan, maar uiteindelijk toch nog 86 jaar oud geworden. Hij is in zijn slaap overleden. Mooie dood. Prachtig. We helpen mijn moeder waar we kunnen, maar ze onderneemt ook zelf nog van alles. Ze noemt zichzelf de Wandelende Jood, want ze doet alles – op haar 86ste! – te voet. Ze weet namelijk niet hoe ze in- en uit moet checken in de tram of de bus.

Vorig jaar zou ze met Kerstmis bij ons komen eten. Ze was laat, maar ongerust werden we niet. Ze duikt toch altijd weer op, al is het soms via een omweg. Bleek ze een half uur bij de verkeerde deur te hebben gestaan, verbaasd dat er niet werd opengedaan en was vervolgens maar weer terug naar huis gelopen. ‘Maar mam, je weet toch dat wij al jaren op nummer 169 wonen?’ ‘Weet ik veel, ik liep altijd gewoon maar achter je vader aan.’

Ze is ooit naar een waarzegster geweest. Mijn broer Jeroen was al geboren. ‘U krijgt nóg een kind’, zei die vrouw, ‘en u wordt 96 jaar oud.’ Een paar jaar later werd mijn zusje geboren, een nakomertje. Mijn moeder is er heilig van overtuigd dat die andere voorspelling óók uit zal komen. Daar zou ze best eens gelijk in kunnen krijgen. Ik ben alleen bang voor het telefoontje dat ze ’s nachts aan de wandel is gegaan; dat ze is gaan dwalen en niet meer weet hoe ze thuis moet komen.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Het is een beetje een lullig verhaal hoor, maar ik kan het me nog zó goed herinneren: ik zat als kleine jongen met mijn bamboe hengeltje naast de brug aan de Ruysdaelkade te vissen toen ik in mijn ooghoek een miertje zag lopen. Ik gooide voor de grap een kiezelsteentje in de lucht dat precies op dat beestje terechtkwam! Ik zag hem spartelen, ik had natuurlijk z’n ruggetje gebroken. Vreselijk! Ik had ook zo’n moeite met het uitzoeken van de wurm die aan m’n haakje moest. Waarom deze wurm en die andere niet? Ik kan ook geen kreeft aanwijzen in een restaurant. ‘Doet u die maar.’ Nou hou ik niet zo van kreeft, maar het idee dat ik moet beslissen over leven en dood. Nee. Liever niet.”

VII Gij zult niet echtbreken

“We zijn voor elkaar bestemd. Dat blijkt. Ik ben nog nooit iemand tegengekomen die ik leuker, interessanter of aantrekkelijker vond dan mijn eigen vrouw. We zijn een aan elkaar gewaagd setje: ik ben van het drinken, zij is van het eten. Ik ben Peppi, zij is Kokki. Wij, Hamersma’s, houden van vrouwen. We zijn aardig, we flirten, dat zit in ons DNA. En natuurlijk ben ik ook weleens iemand tegengekomen...

Wacht, ik heb een goed verhaal voor je. Járen geleden had ik met vrienden afgesproken in Café Luxembourg in Amsterdam. Ik stap daar binnen – zij waren er nog niet – en ik zie daar een vrouw op wie ik op slag verliefd word, echt struck by lightning! Nu ik je dit vertel, krijg ik wéér kippevel, hier, kijk maar. Ik wist niet dat zoiets bestond. Ik dacht dat er dan iets mis moest zijn met je huwelijk of zo, maar Karin en ik zaten lekker in de wedstrijd, er was geen vuiltje aan de lucht. En het ergste van alles was: die vrouw had precies hetzelfde. We raakten aan de praat. Haar gezelschap was ook te laat, en ik weet nog hoe ik heen en weer geslingerd werd tussen: ‘Ik hoop dat iedereen wegblijft’ en ‘Ze moeten nú binnenstappen’. De deur ging open. Mijn vrienden kwamen. Haar afspraak arriveerde. We hebben nog even naar elkaar gekeken en dat was het. Geen namen, geen telefoonnummers uitgewisseld, niks.

Afijn, dit verhaal vertelde ik jaren later ook eens op een dinner party. We hadden net besproken hoe belangrijk het was om niet op elkaars lip te zitten, dus ik vond dit wel een mooi voorbeeld. Tot ik Karin wit weg zag trekken; ik had het haar nog nooit verteld en ze werd er letterlijk onpasselijk van. Begrijp jij dat nou? O, jij wel. Ja, misschien had ik het eerder moeten vertellen, of erover moeten zwijgen. Ik zie wat je bedoelt. Het was naïef, maar laat het ook een illustratie zijn van het feit dat het voor mij helemaal geen issue was! Wij, Hamersma’s, hebben namelijk nóg een belangrijke eigenschap: we zijn trouw. We zijn net labradors, van die trouwe, ouwe honden die voor eens en voor altijd van je zullen blijven houden.”

VIII Gij zult niet stelen

“Dat doe je niet. Dat hoort niet. Het gaat zelfs zo ver dat ik, als ik dubbele flessen wijn krijg aangeboden, zeg dat ze er eentje mee terug moeten nemen. U hoeft me niet te paaien. Ik heb meer dan genoeg. Ik betaal met alle plezier van de wereld zoveel mogelijk belasting: voor de beste zorg, voor goede wegen, voor de opvang van niet gedocumenteerden – kom er maar bij! Da’s een. En dan heb ik ook nog twee tarieven voor mijn optredens. Een hoog tarief voor grote bedrijven en een zielige-zeehondjes-dobberende-bootjes-in-de-Middellandse-Zee-tarief voor organisaties die geld ophalen voor een goed doel. In het laatste geval kom ik voor niets en gaat het bedrag dat ze voor mijn wijnpraatje hadden willen betalen naar de mensen die het harder nodig hebben dan ik. Dat is wat ik doe. En daar voel ik me senang bij.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Dit is wie ik ben. Ik ga mezelf niet mooier voordoen dan ik ben. Dat geldt ook voor de manier waarop ik als copywriter reclame heb gemaakt. Ik moest een keer een campagne bedenken voor Verkade. Koekjes, chocolade: overal zag je de producten van Verkade. Dus verzon ik de regel: ‘Gaat er eigenlijk wel eens een dag voorbij zonder Verkade?’ We hebben die iconische merken heel close-up gefotografeerd en de advertenties op dubbele pagina’s in de Libelle en Margriet laten zetten. De boodschap was niet: ‘Als u dit koekje neemt, knapt uw huwelijk daar van op’ of ‘Eet een Maria-kaakje en u wordt honderdveertien!’. Nee: dit is gewoon een lekker koekje. Dat is geen leugen, zelfs geen overdrijving; it’s the truth, well told.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Weet je nog wat ik je aan het begin van dit gesprek vertelde? Dat ik tevreden zou zijn als het hier zou eindigen? Ik heb eind vorig jaar een TGA gehad, een Transient Global Amnesia: acuut geheugenverlies van voorbijgaande aard. Mijn dochter Julia, door mijn vrouw gebeld, kwam onmiddellijk en riep, naar verluidt: ‘O nee, mama, het is papa’s hoofd! En papa ís zijn hoofd!’ Ik werd met een ambuutje afgevoerd. Mijn zoon Bob zat in Zuid Afrika, schrok zich helemaal de pokken ­– dit was toch de eerste keer dat hij met de sterfelijkheid van zijn vader werd geconfronteerd. Het was om half twee ’s middags begonnen en om half negen werd ik alweer uit het ziekenhuis ontslagen. Alles was in orde, maar die paar uur zijn uit mijn geheugen verdwenen.

Mijn vrouw zegt dat ik sindsdien milder, beschouwelijker ben geworden. Ik zie het ook als nóg een leuk verhaal om te vertellen: hoe er een mannetje in het hoofd van Harold Hamersma kroop, naar de knopjes keek, ergens ‘TGA’ zag staan en dacht: daar gaan we eens even op drukken. Lekker een beetje lol maken! Gelukkig had hij het knopje ‘Plotsdood’ niet gezien, anders had ik dit besef óók moeten missen: dat mijn vrouw en kinderen nóg meer van me houden dan ik dacht en dat dit schitterende leven ook in één keer afgelopen kan zijn.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden