Wandelen

Zelfs in Nederland kun je verdwalen, beroepswandelaar Monica Wesseling laat zien hoe

Beeld Merel Corduwener

Wie zijn best doet, kan zelfs in ons overvolle, van markeringen vergeven landje de weg kwijtraken. Dat maakt een wandeling pas compleet, vindt beroepswandelaar Monica Wesseling. 

Ik ben deze ochtend niet de enige met wandellust want met mij verlaten vier dames met grote schoenen de intercity. Dames die vastbesloten lijken er ‘een gezellige dag’ van te maken, getuige het gekwebbel. Niets mis mee en herkenbaar, maar voor mij vandaag even niet. Ik heb zin in alleen met de vogels. Met de roepjes van de vink, het opgewonden getik van een roodborst en het nu al wellustige TIE-ta-TIE-ta van de koolmees.

Geen probleem. In het bos is ruimte genoeg. Ook al lijkt het groepje, net als ik, van plan simpelweg de rood-witte streepjes van de NS-route te volgen om – na koffie bij Nol in ’t Bosch – in Wageningen te belanden, dan nog blijft het mogelijk af en toe even af te wijken en slechts natuurlijke geluiden te horen.

Niet dat de route natuurlijk begint met rechts het spoor en links de P + R. De pas wordt ferm, het bos bossiger.

Staartmezen

De flanken van het pad zijn groen getooid met verse fluitenkruidscheuten, de winterse maand ten spijt. Voor me danst een groepje staartmezen van boom tot boom. Met kleine roepjes (srieh-srieh) houden ze onderling contact om elkaar in een goede voedselboom te laten delen.

De staartmezen fladderen, de dames keuvelen enthousiast. Een blik op de kaart leert dat ik makkelijk een parallelpad kan nemen om later weer op de NS-route uit te komen. Parallel blijkt nog niet ver genoeg en parallel wordt parallelparallel.

De bomen druppen en al zijn de bladeren op de grond te nat om lekker te ritselen, dan nog blijft erdoorheen stappen aangenaam buitens. Links een rechte bomenlaan, te mooi om niet even doorheen te lopen temeer daar op een van de stammen een grote bonte specht zit.

Laangenot

Parallelparallel en links, prevel ik, en in mijn vastbeslotenheid de dames uiteindelijk weer te volgen keer ik na enig laangenot weer terug naar de NS-route. Denk ik. De rood-witte stickers ontdek ik niet zo een-twee-drie maar met een bos dat is opgedeeld in vierkante blokken kan er weinig misgaan. Klopt. Rood-wit.

Het pad kronkelt aangenaam, is af en toe soppen door de modder en voert door een soms fijn rommelig bos. Het hoofd gebogen om wat takken te ontwijken vallen me pootjes op, de afdrukken van een ree zo lijkt het. Pootjes die in het bos verdwijnen. Met mij. Ik worstel me met stok, gesteun én genoegen door het woud. Niet dat ik het mooie maar schuwe dier denk aan te treffen, maar zijn leger (slaapplaats), is wellicht wel te vinden. Gedwongen door jacht in vroeger tijden is het hoefdier schemer- en nachtdier geworden met rustperioden gedurende de dag.

In één richting 

Na een minuut of vijf wordt het bos te donker en besluit ik de openheid van het pad weer op te zoeken. Hét pad blijkt een pad, een ander dan waar ik vandaan kwam. Geen punt. Ik kom bij een heitje dat op de kaart blijkt te staan. Inmiddels is de lucht verder dicht­getrokken en van zwart voorzien. Oriëntatie op de zon is daarmee onmogelijk en ik besluit gewoon in één richting te lopen. Moet ergens uitkomen, concludeer ik gezien de rode stippen op de bomen. Stippen die, zo leer ik een paar dagen later, geen routeaanduidingen blijken te zijn, maar markeringen van beheerders in het kader van het bosbeheer.

En kijk. Een heitje. Een roze vlek op de kaart. Vraag is alleen vanwaar ik ben genaderd. Ik kies, kom een tondelzwam tegen die ik meen niet eerder te hebben gezien en glimlach om mezelf. Weer ­gebeurd. Weer aan het dwalen, de weg een beetje kwijt. Net als in het Voornes Duin toen ik verstrikt raakte in overstroomde duinvalleien, in een net op­geknapt duin in de buurt van IJmuiden waar de enige uitweg een steile zandklif van tien meter hoog leek te zijn of in het uitgestrekte veengebied in het oosten. Genoeglijk verdwalen, onschuldig dolen zonder angst. Dwalingen die steevast tot meewarige reacties leidden. Onbegrip dat ik niet eens een gps-apparaat had meegenomen. Dan weet je immers altijd waar je bent. Maar ik wil helemaal niet achter een pijltje lopen, niet doorlopend op een schermpje kijken. Ik wil dwalen, dolen, zoeken en glimlachen om mezelf. Genieten van het feit dat het zelfs in ons overvolle, van markeringen vergeven land nog mogelijk is de weg kwijt te raken.

De kou werd kouder

Behalve die ene keer op die bitterkoude, besneeuwde Veluwe. Een tocht met een vriendin. We hadden elkaar een poos niet gezien en hadden meer dan genoeg bij te praten. De middag vorderde, de schemer drong zich op, de kou werd nog kouder. Hoog tijd om terug te keren, alleen hoe?

Ergens in alle verhalen raakten we het wandelspoor bijster. De natuur werd vijandig, de roep van een raaf leek de dood te tijden en de angst werd steeds groter. De schemer werd zwarter en zwarter. Tot ergens in de verte licht gloorde en ons leidde.

Tja, het gaat soms bijna mis, maar meestal is het een prettig, ontregelend gevoel. Het is niet moeilijk dat te ervaren. Verdwalen kan in elk natuurgebied, mits het niet al te klein is. Gewoon een kwestie van dames op hoge hakken of een weeë pannekoekenlucht mijden. De bewoonde wereld is in dat geval te dichtbij, de bekende weg te snel gevonden. Een kwestie van gehoor geven aan de verlokkingen van een wenkende horizon, voortspoedende ­vogels, mysterieuze sporen en planten in de verte. Van niet bang zijn (echt fout gaan kan het vrijwel niet), van dwalen, dolen, genieten. En neem voor de zekerheid een kaart en telefoon mee.

Herkenbaar punt

Aangenaam gemijmer, maar kom­aan, tijd voor enige concentratie. Dwalen moest immers ooit weer vastigheid worden. Ik besluit een uur zoveel mogelijk in dezelfde richting te lopen in de hoop en de verwachting op een herkenbaar punt uit te komen.

Het uur wordt een tikje uitgerekt en eindigt in een beloning. Een rode paal, oftewel een route. Eén route wordt er twee, een groengele en ik volg oplettend en braaf. Gelukkig blijft er hoofdcapaciteit over om te genieten van zachtbruine dode varens, de denne­appels op het pad en de cadans van het lopen.

Licht wordt donker, stilte treingeluid, getwijfel zekerheid, logica toeval. Het perron is uitgestorven. Mijn dag heeft vast langer geduurd dan die van de dames van vanochtend.

Lees ook:
Waarom wandelaars volgens deze Noorse schrijver bloedirritant zijn

Bergen beklimmen, de natuur in, wat is daar nou aan? Are Kalvø, Noorse schrijver en stand-up-comedian, ergert zich groen en geel aan deze ‘outdoor-obsessie’. Hij schreef er een bestseller over. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden