De ooievaarMickelle Haest

‘Ze wilde niet naar het ziekenhuis’

Ik bel aan bij een aanleunwoning. Hier woont een ruim dertig weken zwangere vrouw. Gisteren werd ik gebeld door een verloskundige uit de Achterhoek: “Zou jij haar willen overnemen? Ze verhuist naar jouw regio.” Ze schetste de situatie. “Ze woont bij haar vader in afwachting van een huis en zit in de schuldsanering. Kinderen van haar ex en haar huidige partner zijn uit huis geplaatst. Ze staat onder toezicht van Jeugdzorg.”

Ik bel nog een keer aan. Na een aantal minuten doet een wat oudere man met baard de deur open. Ik krijg geen hand. Hij wenkt mij zonder iets te zeggen naar binnen. In zijn mond een brandende sigaret. Het huis barst uit zijn voegen. Via een krap pad tussen meubels en rommel door gaan we naar een van de twee kleine slaapkamers. De een blijkt van de oude man, de andere van de zwangere vrouw. Ze ligt op een twijfelaar, ingeklemd tussen muren. “Hai”, begroet ze mij. Op bed drie lege zakken chips en twee blikjes cola.

Opa is verdwenen. Achter mij doemt een andere man op. “Hoi”, zegt hij. “Ik ben de vader van wat van haar moet komen.” Hij wijst naar de vrouw. “Kom maar zitten”, zegt de vrouw en ze wijst naar het voeteneind van het bed. We spreken de bevalling door. “Ik zal een plekje voor je in het ziekenhuis regelen als het zover is”, zeg ik. “Nee hoor, ik wil thuis bevallen.” Om mij heen is alles smerig. Ik moet al mijn overtuigingskracht gebruiken, maar uiteindelijk geeft ze toe.

‘Ik zie vier centimeter hoofd’, zegt hij door de telefoon

Het is vier uur ’s nachts als ik opneem en haar man vraagt: “Waar ben je? Je bent nodig.” “Ik kom eraan”, roep ik. Vanuit de auto bel ik hem. “Hoelang heeft ze al weeën?” “Ik heb geen idee. Ik lag lekker te slapen, maar ik werd er wakker van.” “Hoe gaat het met haar?” “Tja, ze heeft al vier centimeter.” “Heb je dat gevoeld?” vraag ik verbaasd. “Nee, natuurlijk niet. Ik ben niet gek.” “Hoe zie je dat dan?” “Ik zie vier centimeter hoofd”, zegt hij. “Hoofd?” Hij reageert niet.

“Hallo”, roep ik een paar keer. “Is er nog iemand?” “Ja, ik ben er”, antwoordt ineens opa. Op de achtergrond hoor ik de vrouw kermen. “Heeft ze haar broek uit?” vraag ik. “Half”, antwoordt hij. “Beschrijf me alsjeblieft wat je ziet.” “Hij ligt op de grond. Hij is flauwgevallen.” “Oké, maar wat zie je bij je dochter?”

Ondertussen geef ik plankgas en geef de ene instructie na de andere en heb de indruk dat opa die opvolgt. Vlak voor aankomst hoor ik de baby huilen. “Leg een schone handdoek over het lijfje om het kind warm te houden. Ik sta zo voor de deur.”

Als ik binnenkom, ligt haar man met een natte washand op zijn hoofd en een colaatje op de bank. Zijn handen trillen. “Ze wilde niet naar het ziekenhuis”, zegt hij, schuldbewust. Opa zit uitgeput in zijn gemaksfauteuil. In het slaapkamertje tref ik een chaos. Niets is afgedekt. Overal zit bloed en vocht. Direct pak ik het kindje. Alles lijkt in orde te zijn. De vrouw zegt niets.

Mickelle Haest tekent elke week de ervaringen op van een uitvaartverzorger of van een verloskundige.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden