null

Autovrij

Wat nog fijner voelt dan een auto hebben? Geen auto hebben

Beeld Fenna Jensma

Het voelt zo fijn, een auto voor de deur. Je eigen huis op wielen dat je brengt waar je maar heen wilt. Maar weet je wat, verrassend genoeg, nog fijner voelt? Geen auto voor de deur.

Lidwien Dobber

Hij had me nog naar Barneveld gereden, met mijn vouwfiets in de achterbak. Wist hij veel. Dat ik op die grauwe novemberdag naar een even grauw industrieterrein was gegaan om hem daar achter te laten. Mijn trouwe Hyundai i10. Ik hield van hem.

Achter een spatscherm in de kantine van BCA Autoveiling ruilde ik hem voor harde euro’s. Er zaten wel wat meer krasjes op dan ik vooraf had gemeld, zei de inkoper nog. Zulke dingen zeggen auto-inkopers. Maar hij wilde ’m toch kopen voor de afgesproken prijs. Tuurlijk wilde hij dat. Er was een wereldwijd chiptekort, en dus een nieuwe-autotekort, en dus grote belangstelling voor goede tweedehandsjes. Dat had ik al ge­goo­geld. Had hij die afgesproken prijs niet betaald, dan had ik mijn auto zo weer meegenomen. Ik had niet veel excuses nodig om hem nog even níet van de hand te doen.

Ik zat daar dankzij mijn jongste zoon. Die vindt auto’s de bron van heel veel kwaad. Hij had een paar maanden tevoren tegen me gezegd: jij hebt helemaal geen auto nodig. Ach kom, zei ik, natuurlijk wel.

Lidwien Dobber (1965) studeerde politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht en werkt sinds 2010 bij Trouw, eerst als economie- en eindredacteur, nu voor Tijdgeest, het weekendmagazine van Trouw.

Mijn auto, die stond voor de deur en als ik wilde, als ik helemaal klaar was met alles en iedereen, dan kon ik instappen en zo naar Zweden rijden. Bomen, water en even niks. Een fijn idee. En niet meer dan dat, want ik reed er nooit mee naar Zweden, ik reed ermee naar mijn avonddiensten. Ook fijn trouwens, vooral op de terugweg, zo tegen middernacht, als de snelwegen er in hun meest paradijselijke staat bijliggen: leeg. Muziekje op, cruisen met 90 kilometer per uur, even ontstressen na de sprint die een krant maken elke avond weer is.

Bospad vol blubber en bochten

Bij mij thuis vroeger hadden we geen auto en zelf haalde ik mijn rijbewijs pas rond mijn dertigste, vlak voordat ik een tijdje in Ivoorkust ging wonen, in een kamp in het oerwoud, minstens een uur rijden van de bewoonde wereld. Het leek me handig dat ik dat bos uit kon, mocht er iets loos zijn, dus nam ik rijles en deed nét op tijd examen. Met rijbewijs stapte ik op het vliegtuig.

Maar ja, ik had leren rijden op overzichtelijk Nederlands asfalt. Kon ik het ook op een smal, blubberig, donker bospad, vol plassen (en wat zat er allemaal ín die plassen) en onverwachte bochten? Best. Mijn allereerste rit verliep voorspoedig, tot ik bij de Kuil der Kuilen kwam. Lang, breder dan het pad, gevuld met water, het leek wel een meer. Ik schrok me rot, want ik had geen idee hoe diep dat ding was, hoever ik zou wegzakken, hoeveel grip ik zou hebben. Ik haalde mijn handen van het stuur en deed ik wat ik altijd deed als ik een enge film keek en de horrorclown kwam in beeld: ik sloeg mijn nagels in het bovenbeen van mijn man toentertijd, die naast me zat. Dat is geen goede reactie. We moesten de auto uit de blub duwen. Niet ik, maar hij loodste ons door de kuil en reed terug naar het kamp.

Meer lezen?

In deze Tijdgeest vindt u nog meer verhalen over de auto:

• In Groningen is niet langer de auto, maar de mens de baas in de straat

• De allermooiste auto van Nederland? De Spyker 60 HP natuurlijk

Zwarte vingers

Toch, in Ivoorkust leerde ik rijden: in het bos, in de chaos van de stad, over de plattelandswegen met immer overstekende, het leven verachtende kippen. Ik hield er een Frank Sinatra-gevoel aan over: if I can make there, I’ll make it anywhere.

Ik hou van autorijden en al ben ik geen autogek – merken, bouwjaren of dure extra opties zeggen me niks – mijn eigen auto’s zag ik graag. U vindt ze hierna. Het waren mijn vertrouwde huizen op wielen, met in de achterbak steeds diezelfde dikke bruine wollen ­deken die ik ooit eens van mijn zus had gekregen en die me warm zou houden, mocht ik stranden.

Maar mijn zoon had gelijk: ik had geen auto nódig. Ik wilde hem alleen. Ik kon ook met de trein naar de krant en trouwens, veel diensten draaide ik sinds corona vanuit huis. Mijn auto was dan wel zuinig, maar niet-rijden is zuiniger. En minder vies; ik woon aan een rondweg en heb zwarte vingers als ik mijn balkon een maand niet poets. Buh, denk ik dan. Maar ondertussen deed ik zelf ook buh.

Met de trein naar Zweden

Latent was ik aan het sparen voor een elektrische auto. Dat voelde goed, tot ik beetje bij beetje tot de conclusie kwam dat die welbeschouwd weinig problemen oplost die aan autobezit kleven. Ook een elektrische auto is blik dat onnodig veel plaats inneemt, dat lawaai maakt en fijnstof produceert.

Dus weg met die auto. Scheelt een hoop geld ook. Nooit meer naar de garage voor een apk. Nooit meer die jaarlijkse terugkerende frustratie dat je er een auto zonder gebreken naar binnen rijdt, en een paar uur later wordt gebeld dat er toch weer voor honderden euro’s aan verspijkerd dient te worden. Oh ja, en eigenlijk is de versnellingsbak binnenkort ook aan vervanging toe. Kan nog net, maar het zou verstandig zijn...

Nooit meer, wat een bevrijding!

Mijn buurtje staat vol met deelauto’s, ik kan er altijd eentje huren, al is de drempel om de auto te nemen, nu ik per rit zie wat het kost, wel hoger. En dat is maar goed ook, daar wordt de wereld minder vies van.

Het enige echte slachtoffer is mijn Zweden-fantasie. Dacht ik. Maar er stopt gewoon een trein in Kramfors. En vandaar ben ik zo in die prachtige Höga Kusten.

De Hyundai i10 (midden):  met 50 kilometer per uur de berg op. Beeld
De Hyundai i10 (midden): met 50 kilometer per uur de berg op.Beeld

Nu de laatste de deur uit is, schreef Lidwien Dobber vier kleine odes aan de auto’s in haar leven.

De Hyundai i10

Ik viel als eerste op zijn kekke zwart-oranje bekleding. En toen op zijn ‘i’: heerlijk hoe dit kleine autootje dankzij zijn injectiemotor wegsprintte als het licht op groen sprong. Zijn ‘10’ was voorwaarde: ik wilde een auto met een lichte motor, want hij moest zuinig zijn. Dat ik hem in zijn eerste versnelling moest zetten en dan niet verder kwam dan een schamele 50 kilometer per uur als ik tegen een Alp omhoog reed, nam ik op de koop toe. Hoe vaak kwam ik in de Alpen? Hij had bluetooth, dus hij praatte met mijn telefoon en speelde mijn eigen muziek af als ik hem daarom vroeg. Ach, als ik dit schrijf, merk ik dat ik nog niet helemaal over de ­Hyundai heen ben. Iemand in dit land heeft hem nu. Ik vraag je: zorg goed voor hem...

De gele Mercedes: iedereen ging aan de kant. Beeld
De gele Mercedes: iedereen ging aan de kant.

De gele Mercedes

Hij kwam uit 1976, we kochten hem eind jaren negentig van een boer in Beieren. Als ik met die bak invoegde op de snelweg gingen mijn medeweggebruikers aan de kant. Zo’n auto. Toen we hem nog maar net hadden, reed ik ermee door de bossen van Baarn. Het werd al donker en plotseling deed-ie niks meer. Ik kon hem nog net de berm inrijden.

Mobieltjes bestonden nog niet, maar gelukkig stopte er een politieauto. De agenten vroegen me om mijn autopapieren. Hoe ik eraan kwam, vroeg er een, aan die papieren. Die vraag snapte ik niet helemaal. Hoe komt een mens aan autopapieren? “Iedereen kan die wel laten zien”, zei hij. Ja beslist, zei ik, maar willen jullie me nu helpen? Mijn auto is kapot. Daar stond hun hoofd niet naar. Hun systeem, meldden ze, zei dat ik onverzekerd rondreed. Maar ja, ik had papieren, dus ze lieten het er maar bij. “Laat die auto hier niet staan hè”, zei er een. En ze reden weg.

Het was middernacht voordat ik het thuisfront te pakken had en om 1 uur ’s nachts duwden we 1500 kilo geel staal over het naastgelegen fietspad naar de dichtstbijzijnde parkeerplaats.

De Fiat Marea Weekend: ruim en soepel, tot dat ene moment.  Beeld
De Fiat Marea Weekend: ruim en soepel, tot dat ene moment.Beeld

De Fiat Marea Weekend

Lieve Marea, niet tegen de anderen zeggen, maar jij was mijn favoriet. Je reed heerlijk soepel, in jouw achterbak paste alles en dat je achterbumper scharnierde, zodat we hem konden omklappen en als zitje gebruiken, was echt heel handig. Vandaar dat je einde er zo inhakte. Pleegde jij nou een aanslag op ons? Jij, ik en de kinderen reden op de A7 bij Avenhorn, 120 op de meest linkse baan toen je motorklep openwaaide. Bam! Voorruit aan gruzels, maar lang leve ­veiligheidsglas, we hadden geen schrammetje.

We waren wel in shock. Wat was er nou net ­gebeurd? Tijd om erover na te denken had ik niet, want ik zag niets meer met die motorkap voor mijn neus. Op de achteruitkijkspiegels manoeuvreerde ik je naar de vluchtstrook. De klap had je dak ingedeukt, je was total loss. Lang voelde het als verraad, je had niet goed voor ons gezorgd. Maar ik vermoed toch dat de schuld bij mij ligt. Ik gooi motorkappen nooit meer dicht zonder check en dubbelcheck.

De Peugeot: een moeizame relatie. Beeld
De Peugeot: een moeizame relatie.Beeld

De Peugeot

Kent u Wallpaper van Staygold? Waarschijnlijk niet. Het was een hit in 2012, het jaar dat we de Peugeot kochten. Aan het begin van het liedje zit een piep. Precies dezelfde piep die de Peugeot maakte als-ie oververhit raakte. En oververhit raken, dat deed hij. Wanneer precies, daar heb ik geen lijn in kunnen ontdekken. Maar als hij piepte, moest hij aan de kant met de klep omhoog, zodat de motor kon afkoelen. Anders zou er van alles smelten en dat zou het definitieve einde van de Peugeot zijn.

Niet fijn: rijden was de hel, die auto was in deze staat onverkoopbaar, de garage kon niets vinden, want als hij daar was gedroeg hij zich voorbeeldig. Er zat maar een ding op: de garagehouder smeken om net zo lang te zoeken tot hij iets vond. Dat deed hij. En hij fikste de auto. Zei ik dat ik van al mijn auto’s hield?

Nou, met de Peugeot is het altijd wat moeizaam gebleven. Maar naar Wallpaper kan ik nu luisteren zonder dat mijn bloeddruk de lucht in schiet. Lekker liedje!


Lees ook:

De straat is nu vooral voor de auto, maar willen we dat wel?

Het boek ‘Het recht van de snelste’ van fietsprofessor Marco te Brömmelstroet is een pleidooi om na te denken over ‘ons asociaal geworden verkeer’. Ga iets van je eigen straat vinden, roepen de auteurs op.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden