Beeld Trouw

ColumnBert Keizer

Wat is er gebeurd met ons type primaat?

In het ultrakorte verhaal ‘Genesis’ beschrijft Belcampo hoe het kwam dat de aarde bevolkt raakte. God had een nieuwe planeet gemaakt. De onthullingsceremonie werd bijgewoond door vele engelen die zich in V-vormige vluchten naar ’s Heren troon spoedden, waar de heiligen van alle tijden al reeds waren verzameld. Het was een even feestelijke als plechtige gebeurtenis, met als hoogtepunt het moment waarop God de nieuwe globe persoonlijk het Heelal zou insturen, zeg maar de aftrap van de nieuwe planeet. “Hier moet God met één enkele voetbeweging het hemellichaam in de tevoren vastgestelde baan lanceren. En dat nog wel met inachtneming van het juiste, precies van tevoren berekende effect.”

Helaas verliep de meestertrap dit keer niet goed. De planeet kwam wel in zijn baan, maar draaide niet. God hield er ook nog een pijnlijke voet aan over. Er ging afkeurend gemompel door de heirscharen. Er werd vergaderd (toen ook al) en er kwam een briljante suggestie. Een slimme heilige stelde voor om althans een deel van de meestertrap alsnog te doen plaatsvinden, door op de nieuwe bol wezentjes te plaatsen die al rondkrioelend ontelbare kleine trapjes zouden geven, waarmee ze de meestertrap zouden vervangen.

De schrijver besluit zijn relaas met de conclusie: “… en daarom is het dat gij en ik, dag in dag uit, moeten stappen van de Helmersbuurt naar de Poort en terug.”

Een krankzinnig ‘daarom’, dat een vernietigende zwerm van ‘waaroms’ in het leven roept. Want waarom moet die planeet draaien? Daarnaast zal ‘krioelen’ niet het juiste effect hebben. Er moet zeer eenlijnig worden gemarcheerd door álle levende wezens wil die bol gaan draaien. Enzovoorts.

Wat is er gebeurd met ons type primaat?

Overigens is het wel zinvol te bedenken dat het oorspronkelijke Genesisverhaal precies evenveel vragen oproept. We fladderen hier met niet aflatende energie rond de vraag van onze herkomst. We kunnen misschien een aardig eind komen als we zoeken naar het ontstaan van de aarde. Maar hoe er op die bal leven ontstond, is nog steeds onduidelijk. We proberen onszelf gerust te stellen door ook op andere planeten leven aan te treffen.

Geruststellen? Ja, want dan zou het iets heel gewoons zijn. Iets wat altijd ontstaat bij een bepaalde samenloop van omstandigheden. Maar we hebben die samenloop nog nooit ergens anders aangetroffen. En al zouden we die aantreffen, dan zitten we slechts met ‘leven’. De volgende vraag is immers hoe of waartoe er binnen het aardse leven de neiging is ontstaan dit soort columns te schrijven. De neiging om muziek te maken, te dichten, te filosoferen, en waarom dat zo veel vreugde kan opleveren. Wat is er gebeurd met ons type primaat? Hoe komt het dat een chimpansee pas na enkele jaren oefenen (en heel wat gekneusde vingers) in staat is een harde noot stuk te slaan met een steen, terwijl een mensenkind het in tien minuten door heeft?

De Neanderthalers als een soort halfweg-huis 

Wat we niet willen, is een sprong van levenloos naar leven. Of van dierlijk bewustzijn naar menselijk bewustzijn. We willen tussenstadia die min of meer begrijpelijk uit elkaar voortvloeien. Die hebben we nog niet gevonden, meen ik. Bij virussen kun je je afvragen of ze leven of niet. Maar het zijn zeker geen primitieve levensvormen, omdat ze bestaan uit brokken gevorderd leven: DNA en RNA. En wat dat typisch menselijke bewustzijn betreft, bestaan daar overgangsvormen van, simpele stadia die de latere complexiteit mogelijk maakten? Is er een geleidelijke overgang van het fluiten van de merel naar muziek? Ik vind van niet, want als dat zo zou zijn, dan zouden we rond de zingende merel iets van ‘muziekleven’ moeten aantreffen. Maar een merel zingt niet voor de lol. Voor mannetjes zingt hij: donder op! Voor vrouwtjes: zullen we?

Zouden de Neanderthalers niet een soort halfweg-huis zijn geweest? Als ik mocht reizen in de tijd, zou ik bij hen op bezoek willen. En dan vooral om te zien hoe de hanige sapiens met hen omging. We weten zeker dat ze elkaar niet alleen maar agressief bejegenden, af en toe was er ook lichamelijke verstrengeling. Waren dat dan vooral onze mannen en hun vrouwen, ons kennende? Of vaker hun vrouwen en onze mannen? Wederom ons kennende. Waren zij die halfwakkere mens waardoor we onszelf als minder absurd zien?

Bert Keizer is filosoof en arts bij het Expertisecentrum Euthanasie. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden