NaschriftLaurens Joosse (1936-2020)

Wat God de vrouw niet gaf, kreeg ze van Laurens Joosse (1936-2020)

De familie Joosse, met uiterst rechts Laurens.

Van Zeeuws dorpsjongetje werd Laurens Joosse haute couturier die in licentie japonnen naaide van grote ontwerpers als Hubert de Givenchy. Over de dames voor wie hij de kleding maakte bleef hij zijn leven lang discreet.

‘Moeder’, antwoordde Laurens als kleuter op de vraag wat hij later wilde worden. Nu had hij ook een leuke moeder als rolmodel. Als Zeeuwse die haar hele leven in klederdracht liep, beschermde ze de tiende van haar elf kinderen, want Laurens was een bijzonder kind. In de grote vrachtwagens van het transportbedrijf van zijn vader had hij geen interesse zoals zijn oudere broers, liever dekte hij de tafel die hij feestelijk versierde met bloemen. 

Dikwijls zat hij als achtjarige op de bank te breien of naaide hij lapjes stof aan elkaar. Wanneer er mensen op bezoek kwamen die hem zeiden dat ‘naaien toch iets voor meisjes was’, kwam moeder in het geweer. ‘Waar bemoei jij je mee, dat kind geniet daarvan.’ Homoseksualiteit was een begrip dat niet vertrouwd was in het kleine Zeeuwse dorp Nieuw- en Sint Joosland en ook binnen het gezin werd het niet gekoppeld aan Laurens. De creatieve inbreng van de tiende telg werd door het hele gezin gekoesterd. Laurens was weliswaar gevoelig, maar niet bang uitgevallen en had als het nodig was een scherpe tong. Toen een jongen van school hem nawees als ‘dat meisje van Joosse’, kreeg die er verbaal zo van langs dat het niet nog een keer gebeurde.

Door zijn talent overal een feestje van te maken mochten de meeste mensen hem graag. Vader en moeder waren trouw aan de gereformeerde kerk, maar onafhankelijk in hun denken. ‘Ga om met goede mensen en vertel alles aan mij’, was het devies van moeder aan haar kinderen. En: ‘Buiten hebben de mensen hun mening, maar wij maken hier zelf de dienst uit’.

Haute couture maken

Zo stond Laurens op zeventienjarige leeftijd stevig genoeg in zijn schoenen om te gaan doen wat hij het liefste deed. Moeder kon hij weliswaar niet worden, maar kleermaker was altijd een goede tweede geweest. Hij trad in dienst bij een herenkleermaker in Vlissingen die ook uniformen maakte voor de jongens van de Zeevaartschool, die moesten heel precies zitten. Na dertien jaar was hij meester-kleermaker. Toen begon het te kriebelen. Haute couture maken voor dames, dat leek hem het hoogste.

In die tijd leerde hij via gezamenlijke vrienden de wat oudere Niek kennen met wie hij een relatie kreeg en voor wie hij verhuisde naar Rijswijk. Door zijn degelijke opleiding in combinatie met zijn onbevangen charme werd Laurens aangenomen als coupeur bij het Haagse modehuis Kühne waar Parijse couture werd gemaakt. Hij moest weer helemaal opnieuw beginnen, want een japon van Dior vroeg andere vaardigheden dan de strakke uniformen die hij in Vlissingen maakte. Laurens zoog de nieuwe kennis op. Toen de hoofdcoupeur met pensioen ging, kreeg hij de baan waarbij hij veel persoonlijk contact kreeg met de clientèle en met hen moest passen en meten. De dames genoten ervan hoe hij als dartel veulen van de trappen sprong en hen vol nieuwsgierigheid benaderde, zo anders dan zijn voorganger die formeler was geweest.

Uiteraard ging Laurens zelf ook onberispelijk gekleed, met als ‘handelsmerk’ een halssjaaltje van Hermès. Dit alles niet te opvallend en vooral dienstbaar, want de dames waren degenen die moesten stralen. Helaas ging het in Nederland niet goed met de haute couture en in 1972 moest het modehuis de deuren sluiten. Laurens was zesendertig en stond net als het andere personeel op straat.

Beeld Roland J. Reinders

Tot hij enige tijd later werd gebeld door een oude klant van Kühne met het verzoek of ze eens langs mocht komen, zo memoreerde hij smakelijk in een interview in het Jaarboek Kostuum van de Nederlandse Kostuumvereniging twee jaar geleden. Met auto met chauffeur kwam ze aan bij zijn maisonette, hoog in een flat boven het Rijswijkse verkeer en moedigde de coupeur aan voor zichzelf te gaan beginnen met een eigen klantenkring, Deze klant zou genoeg van hem afnemen en ‘als ik kom, komt iedereen’. Laurens wierp nog tegen dat zijn schoolfrans niet goed genoeg zou zijn voor bezoeken aan Parijs, maar de klant was ervan overtuigd dat hij genoeg charme had om dat te compenseren.

En zo begon voor het Zeeuwse jongetje van weleer een nieuw leven dat zich voor een belangrijk deel afspeelde in het crème de la crème van de haute couture: Parijs. Monsieur Sjosse werd hij er genoemd. Door zijn charme en met behulp van de juiste contacten kreeg hij toegang tot de grote modeshows van Parijs en mocht hij in licentie patronen kopen van ontwerpers als Dior, Yves Saint Laurent en Hubert de Givenchy

De patronen maakte hij na in de door de ontwerper precies aangegeven stoffen, knopen en ceinturen die hij meestal moest kopen in Parijs. Dit alles voor een selecte groep dames die allemaal beschikten over een grote liefde voor couture, geld hadden en representatief moesten zijn voor hun werk of dat van hun man. ‘Mijn meisjes’ zou Laurens ze noemen en met de meesten bleef hij een leven lang contact houden. Voor elke klant had hij een eigen paspop, gemodelleerd naar het lichaam. Om die pop drapeerde hij de kledingmodellen, die hij aanpaste aan de eigenheden van een lichaam. Een te korte hals? Een kleine buste? Laurens wist daar wel raad mee. Maar zijn ‘meisjes’ wees hij altijd de kleine perfecte paspop aan, ‘kijk, dit bent u’. 

Monkelend kon hij over zijn maatwerk zeggen: ‘Wat God niet geeft, geeft Joosse’. Door de jaren heen leerde hij zijn klanten goed kennen en wist hij precies welke japon of welk mantelpakje in de smaak zou vallen en wat iemand mooi zou staan. Over de intimiteiten die ze hem toevertrouwden, sprak hij met niemand. Natuurlijk, soms verhaalde hij wel iets onschuldigs. Zoals over zijn bejaarde klant die hij had aangeraden om lagere hakken aan te doen achter haar rollator, waarop ze had geantwoord dat als ze die naaldhakken niet zou dragen, ze om zou vallen. 

Ook over de prijs van de stukken die hij maakte was hij discreet, zijn klanten zouden het immers niet fijn vinden wanneer hun vriendinnen zouden weten wat een japon had gekost. Maar je kon er wel een mooi schilderij van kopen, gaf hij toe, al was een avondjurk gemaakt door Joosse nog altijd een stuk goedkoper dan wanneer je haar direct zou kopen van Givenchy.

Givenchy was uiteindelijk de ontwerper die hij trouw bleef, omdat hij vond dat diens ontwerpen het best waren te vertalen naar verschillende maten en types, daarbij vond hij de stoffen ‘aristocratisch’.

‘Het beste wat mij is overkomen’

Laurens werkte altijd alleen, vanuit zijn Rijswijkse maisonnette achter zijn naaimachine, hoewel veel van het werk ook met de hand ging. In zijn perfecte afwerking zat ook de ‘haute couture’ en in het feit dat hij de ontwerpkleding zo maakte dat het niet alleen mooi zat als zijn klant stilstond, maar ook als ze bewoog. Sierlijk waren zijn japonnen, net als Laurens’ handen die meegolfden wanneer hij vertelde over zijn werk.

Een moeilijke tijd maakte Laurens mee toen partner Niek overleed nadat het stel dertig jaar samen was geweest. Zijn goede vriendin Thea belde hem daarna elke avond op om half zeven, samen dronken ze dan op afstand een glaasje sherry. Het sleepte Laurens er een beetje doorheen, want hij vond het leven alleen helemaal niet leuk.

Een paar jaar later ontmoette hij op een feest de in Wenen woonachtige Flemming met wie het goed klikte. Beide mannen hielden van de opera en van eten en drinken in goede restaurants. Flemming noemde Laurens ‘het beste wat mij is overkomen’. Vanaf dit moment woonde Laurens een deel van het jaar in Wenen en het andere deel in Rijswijk.

Laurens Joosse_ met partner Flemming bij de opera.jBeeld rv

Hij bleef werken tot zijn meisjes bijna allemaal ‘dood waren of te oud om te kopen’ en hij zichzelf als zeventiger eigenlijk ook te oud vond.

Ruim drie jaar geleden werd hij benaderd voor het toenmalige programma ‘Senior Stagiair’ van omroep Max waarbij een ervaren professional stage loopt bij een eigentijds bedrijf met het idee dat jong en oud van elkaar kunnen leren. Laurens werd geplaatst bij de mode-ontwerper Edwin Oudshoorn in Amsterdam. ‘Ik weet helemaal niet wie meneer Oudshoorn is, want ik heb geen computer’, zei de tachtigjarige Laurens, maar blij en nieuwsgierig stortte hij zich in die nieuwe wereld van jonge modemensen. Zijn kleding, die onder invloed van Flemming steeds kleuriger was geworden, spatte van de camera, wanneer hij door het atelier liep in truien van zachte wol in lentegroen, roze of oranje. Het werd duidelijk dat Laurens een vakman was, maar wel een van de oude stempel. ‘Ik heb mijn vak niet doorgegeven’, zei hij deels spijtig, deels laconiek.

Toen hij de diagnose kanker kreeg, leek hij aanvankelijk nog zijn oude levendige zelf, maar de ziekte won snel terrein. Flemming haalde hem naar Wenen en Laurens hartsvriendin Thea ging mee. Beiden verpleegden hem de laatste maanden. Ziek en moe als hij was, bleef Laurens iemand voor wie het glas halfvol was. Hij had best willen doorgaan, zei hij, maar was vooral dankbaar voor al het dierbare dat het leven hem had gebracht.

Laurens Joosse werd geboren op 20 november 1936 in Nieuw- en Sint Joosland en overleed op 2 september 2020 in Wenen.

Trouw beschrijft het leven van onlangs overleden heel gewone of bekende mensen. Heeft u zelf een tip voor Naschrift? Mail ons via naschrift@trouw.nl.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden