EssayStadsleven

Was hij vergeten de balkondeuren te sluiten? Nee, bij de achterbuurman was iets niet pluis

null Beeld Colourbox
Beeld Colourbox

Soms als Maarten Asscher even naar buiten staarde, kruiste zijn blik die van de overbuurman. Dan staken ze hun hand op. Meer niet, maar ook niet minder. Betekent dit dat Asscher iets moet, nu er iets niet pluis lijkt?

Maarten Asscher

Daarnet zat hij in de slaapkamer. Kennelijk staan alle deuren binnen in het appartement open, dus kan hij zich vrijelijk door de woning bewegen en zo is hij nu weer in de keuken aangeland. Zou daar nog iets eetbaars te vinden zijn? Ik hoop het. Het is spijtig dat er niet ergens een bovenraam openstaat. Maar ja, na mijn melding is alles juist afgesloten. De sukkels. Of had ik me er beter helemaal niet mee kunnen bemoeien?

Ik pap liever niet aan met buren. Hun zichtbare bezigheden bieden daartoe over het algemeen ook weinig aanknopingspunten. Pal aan de overkant op driehoog worden meerdere malen per week eindeloze hoeveelheden bonte was opgehangen en weer ingehaald. De vreselijkste kleuren: oranje, bruin, gifgroen. Het lijkt de verkleedkist van een carnavalsvereniging wel.

Op de verdieping daaronder is een balkon dat het hele jaar door vol met flessen staat, als een leger vermoeide soldaten dat in weer en wind stram op nieuwe bevelen staat te wachten. Daar weer onder zijn de gordijnen altijd dicht. Een enkele keer zie ik daar iemand via het balkon van de ene naar de andere kamer glippen, zoals in ouderwets volkstoneel. Alsof je dan niet beter binnendoor zou kunnen lopen. Of is het een ondeugend slaapkamerspelletje?

Maarten Asscher Beeld
Maarten Asscher

Maarten Asscher (1957) is schrijver en poëzievertaler. In het najaar van 2022 verschijnt zijn nieuwe roman De schaduw van een vriend bij De Bezige Bij.

Peinzend loopt ze door haar betegelde tuintje

Op de begane grond hiertegenover woont een vrouw die altijd aan een tafel met een computerscherm zit te werken en die regelmatig, bij wijze van pauze, peinzend door haar grotendeels betegelde tuintje loopt, misschien op zoek naar inspiratie voor het juiste vervolg van wat ze aan het doen is.

In de tuin rechts daarvan staat een stretcher waarop een vrouw van een jaar of zeventig bij goed weer langdurige telefoongesprekken ligt te voeren. Soms hoor ik in mijn hoofd een stem die onverstaanbare dingen zegt en dan realiseer ik me pas na een tijdje dat het raam van mijn werkkamer op de kiepstand staat en dat het haar stem is waar ik naar zit te luisteren. Wat ze zegt is net niet te verstaan en ik wil dat ook helemaal niet weten.

Als je in tegenover elkaar gelegen appartementen woont, slechts gescheiden door stadse tuinen, dan moet je op een aardige manier een beetje langs elkaar heen leven, dan heb je het minste last van elkaar.

Dat was het aardige tussen mij en de achterbuurman schuin rechts op driehoog. Wij merkten elkaar op, maar lieten elkaar verder met rust. Hij scharrelde dikwijls op zijn balkon, dat rijkelijk volgepakt stond met bloemen en planten. Voorzien van gieter of snoeischaar bewoog hij zich heen en weer, heer en meester over zijn kleine balkonparadijs. Vooral in het voorjaar en de zomer liep hij zorgzaam rond, vaak met ontbloot bovenlijf.

We staken een hand op, meer niet

Omdat ik op dezelfde hoogte bijna altijd achter mijn bureau bij het raam zit en dan weleens gedachteloos naar buiten kijk, kruisten onze blikken elkaar soms onwillekeurig. Dan staken we even een hand op, meer niet.

Maar ook niet minder. Dan moest ik altijd denken aan de streekbussen uit mijn jeugd op het vlakke polderland. Wanneer die elkaar ’s avonds in het donker tegemoet rijden, over zo’n eindeloze provinciale weg of een langgerekte dijk, dan knippen ze ter begroeting even het lampje van hun cabine aan en steken ze gedurende hun korte wederzijdse zichtbaarheid tegelijkertijd hun hand op. Dan schieten ze in de herwonnen duisternis kruiselings weer uit elkaars beeld.

Zo begroetten hij en ik elkaar ook af en toe. Daarna tikte ik weer door aan de pc en wijdde hij zich verder aan zijn balkonnetje. Aan de linkerkant daarvan bevindt zich een houten kast, met daarin onder andere tuingereedschappen die hij soms tevoorschijn haalde en later weer opborg. Juist dat waren de momenten dat hij even mijn kant op keek.

Eén keer eerder was ik achterdochtig geworden over zijn welzijn, alweer jaren geleden, toen ik hem een paar weken lang niet had gezien en hij plotseling weer tevoorschijn kwam met een soort robotachtig buizenframe op zijn schouders. Hij kon zijn hoofd niet meer zelfstandig bewegen, zijn bovenlichaam draaide met alles mee, alsof hij een personage uit een sciencefictionfilm was, van elders op aarde geland.

De balkondeuren stonden wijd open

Had hij zijn nekwervels beschadigd? Was hij aan zijn schedel geopereerd? Het ging mij verder niet aan, maar hij bewoog zich zichtbaar moeizaam en zwaaien was er een tijdlang niet bij. Zodra de prothese verdwenen was, groetten we elkaar weer met enige regelmaat.

Tot een week of wat geleden.

Ik ben nog vergeten te vertellen dat mijn achterbuurman de op zich nogal onschuldige gewoonte had om ’s ochtends op zijn bed te zonnebaden. Dan stonden de balkondeuren van zijn slaapkamer wijd open en kon ik hem vanuit mijn schuinse gezichtsveld nog juist met ontbloot bovenlijf op zijn bed in de ochtendzon zien liggen. Vervolgens was hij in de naastgelegen keuken met het een en ander bezig, waarschijnlijk met zijn ontbijt en onveranderlijk kwam hij in de loop van de ochtend het balkon op.

Hij was duidelijk met pensioen en leidde een ongehaast leven, dat dagelijks met enige traagheid op gang kwam. Vooral in de zomer hadden die open slaapkamerdeuren met het balkon pal op de ochtendzon en al die bloemen en planten iets vakantieachtigs, bijna iets Italiaans.

Achteraf weet je niet meer precies hoe lang je al naar iets kijkt dat niet helemaal pluis is. Ik dacht: hij zal vergeten zijn om de balkondeuren te sluiten. Een paar dagen later keek ik opnieuw en concludeerde: hij is waarschijnlijk weer in slaap gevallen en heeft niet gemerkt dat het is gaan regenen.

Maar op een gegeven moment klopte het totaal niet meer. Dag in dag uit, ook ’s nachts, stonden de balkondeuren van zijn slaapkamer open en ik zag hem nooit meer op zijn balkon. De planten begonnen zichtbaar te verpieteren. Het licht in de keuken boven het aanrecht was nog wel aan en ook kon ik zien dat er boven in zijn trappenhuis nog een lamp brandde, maar er viel geen enkele beweging meer waar te nemen in het appartement.

Ik overwoog om te roepen

Eerst heb ik overwogen om te roepen. Dat zou misschien op de overige buren rondom de binnentuinen een wat ongeremde indruk maken, dus bij nader inzien besloot ik dat het beter was om uit te zoeken op welk nummer hij woonde, om even naar zijn kant van het appartementenblok te lopen en dan aan te bellen. ‘Goedemiddag, ik ben de achterbuurman. Wij zwaaien weleens. Ik zag u al een tijdje niet meer, en nu wou ik graag even weten of alles goed met u is.’

Had ik kunnen doen, maar het leek me ook niet helemaal logisch. Als hij de deur kon openen, was er niks aan de hand en als hij de deur niet meer kon openen, kon ik net zo goed meteen de politie bellen.

Dus dat heb ik vanochtend gedaan, en ik moet zeggen: alle lof voor het gezag. Om redenen van privacy mochten ze verder geen details geven, maar uit wat ik te horen kreeg, toen ik meteen al in de loop van de ochtend werd teruggebeld, werd mij duidelijk dat mijn achterbuurman was overleden. Met aan de andere kant van de lijn een politiefunctionaris durfde ik niet zo goed verdere vragen te stellen, maar hij kon me waarschijnlijk ook niet veel meer vertellen. Bovendien, wat wilde ik verder nog weten? Ik had me er al genoeg mee bemoeid.

Een vreemd spoor van emotie

Maar toen ik mijn telefoon afsloot en uit het raam keek, voelde ik een vreemd spoor van emotie. Ik wist niet eens hoe hij had geheten en heb nooit een woord met hem gewisseld. Kenden wij elkaar? Tja, dat is voor dit geval wel een vreemde wijze van uitdrukken. Maar vooruit: wij kenden elkaar en nu was hij dus dood, en zijn dode lichaam was kennelijk even kordaat als discreet uit de woning verwijderd.

Toen drong het tot me door dat die slaapkamerdeuren naar het balkon nog steeds openstonden. En op slag veranderde dat zuidelijke vakantieachtige beeld van dat balkon en die open deuren en dat bed daarachter in iets lugubers. De uitgedroogde planten hingen scheef in hun bakken. Vogels fladderden rond tussen de potten en pikten in de rommel op het balkon.

Met enige aarzeling belde ik nog een keer naar de politie. Er zijn in een grote stad ongetwijfeld belangrijker zaken aan de orde waar politieagenten achterheen zouden moeten, maar ik wilde toch even zeggen dat het misschien een goed idee zou zijn als iemand die balkondeuren dicht kwam doen. Op deze manier zou het in het vroege voorjaar met alle regen en wind daarbinnen een enorme troep worden, om van allerlei ongedierte nog maar te zwijgen.

Andermaal reageerden de autoriteiten daadkrachtig en een uur later zaten alle deuren en ramen aan de achterzijde potdicht.

Ik probeerde het hele geval uit mijn hoofd te zetten

Een zekere tevredenheid over mijn interventies als betrokken en verantwoordelijk buurtgenoot nam bezit van me. Wellicht had ik al eerder actie moeten ondernemen. Hoe dan ook, nu was alles netjes geregeld. Ik probeerde het hele geval uit mijn hoofd te zetten. Het ging mij verder ook niet aan. Een sterfgeval blijft spijtig, maar met een gerust geweten nam ik ’s middags na de lunch weer plaats achter mijn bureau.

Meteen de eerste keer dat ik keek, zag ik de klapwiekende duivenvleugels tegen de bovenramen in de slaapkamer. Kennelijk had de dienstdoende agent de deuren zo vlot en gedecideerd gesloten dat hij of zij de in het huis aanwezige duif over het hoofd had gezien.

Het lijken er zelfs wel twee of drie, zo wild gaat het vleugelgewapper tekeer. Onophoudelijk botst het dier tegen de glazen balkondeuren en de gesloten ramen daarboven. Soms houdt het in de slaapkamer even op en komt het terug bij de grote ruit in de balkondeur van de naastgelegen keuken.

Zijn ziel. Het is een belachelijke gedachte, ik weet het, maar ik kan het idee niet van me afzetten. Onwillekeurig moet ik denken aan de dichtregels van Jan Campert over ‘de ziel die jammerlijk hier is gestrand’ en die jaloers is op ‘de vrije vogel, breidelloos als dromen’. Ondertussen vraag ik me vertwijfeld af of ik voor de derde keer vandaag de politie zal bellen.

Lees ook:

Maarten Asscher: Het Japanse lakdoosje van mijn oma zit vol herinneringen

In deze interviewrubriek vraagt de redactie van Trouw aan bekende én minder bekende mensen waar ze over dromen, overdag of ’s nachts. Vandaag: Maarten Asscher.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden