Beeld Trouw

Column Bert Keizer

Waarom stemt de leegte in het heelal ons niet angstiger?

In ‘De Tijd van Verwondering: de ontdekking van de moderne wetenschap’ beschrijft Richard Holmes wat hem overkwam toen hij voor het eerst door een echte telescoop mocht kijken. Hij werd bevangen door een merkwaardige variant op hoogtevrees, hij had het gevoel dat hij reddeloos in die leegte zou kunnen vallen. Eigenlijk herhaalde hij Pascals verzuchting toen die huiverend omhoogblikte naar de nachthemel en opschreef: ‘De eeuwige stilte in die oneindige ruimte jaagt mij angst aan.’

De herdenking van de maanlanding vijftig jaar geleden was opvallend angstvrij. Er werd wel stilgestaan bij de angst voor een ongeluk. De ergste variant daarvan leek mij de kans dat Armstrong en Aldrin niet van de maan af zouden kunnen komen. Ik heb me altijd afgevraagd of Nasa daar een draaiboek voor had. Iets in de vorm van een zelfdodingspil. Maar misschien was het advies onder die omstandigheden: zet je helm maar af. Want dan is het gauw gedaan.

Maar ik zocht naar die andere angst, de Pascal-Holmes-variant, het gevoel dat je nergens bent, omdat plaatsaanduiding in de kosmische leegte een farce is. Een piepklein muisje dat je middenin een gigantische hangar plaatst zal zich onbeschermd voelen en onmiddellijk op zoek gaan naar een holletje. Wij zitten in iets veel ergers dan een hangar, wij zitten in het heelal. De leukste plaatsaanduiding is die waarin men zegt dat we ‘in een uithoek’ van het heelal zitten. Waren er maar uithoeken, dan hadden we ook een centrum. Helaas zijn dit allemaal categorieën waarmee we het prima redden rond Soest en Tokio, maar in de ruimte zijn dergelijke begrippen volstrekt zinloos.

Neil Armstrong als eerste mens op de maan in 1969. Beeld ANP

Ik begrijp niet eens wat ik niet begrijp, als ik aan het heelal denk. Ik hoor dat het uitdijend is. Dat alle sterren van ons weg reizen. Zitten we dan toch precies in het midden? Zo niet, zijn er dan sterren om ons heen die met dezelfde snelheid als wij wegreizen van, ja van waar dan eigenlijk? Waarbij we maar niks zeggen over waar dit allemaal naar toe vliegt?

Maar we zitten wel in een holletje in de leegte. En dat is de eerste gedachte die alle astronauten terugbrengen: hoe breekbaar ons hutje is, hoe dun het parapluutje waaronder we schuilen.

Omdat de mens geen muis is gaan we welgemoed de ruimte in en rond dat thema hoor je alleen maar opgetogen geluiden. Ik begrijp wel dat we naar de maan toe wilden, gewoon, omdat hij er is. Ik was in tranen toen het ook werkelijk gebeurde. Maar men heeft het nu niet langer over ‘kijken hoe het daar is’, men heeft het er nu over om de planeten om ons heen te gaan koloniseren. We gaan daar wonen.

Verschrikkelijke oorden

Nou zijn de omstandigheden op Maan, Jupiter, Saturnus, Mars, Venus en hun manen zo bizar dat we daar alleen maar kunnen verblijven als we de aarde meenemen. Jupiter en Saturnus zijn gasreuzen, daar kun je niet eens staan, al zou je tegen de zwaartekracht op kunnen. Op Jupiter weegt iemand van zeventig kilo tweeëntwintig ton, op Saturnus zesenhalve ton. Op Mars weeg je dan maar zeven kilo, maar de atmosfeer daar bestaat voornamelijk uit kooldioxyde en is net zo ijl als de onze op vijfendertig kilometer hoogte. Op Venus is de oppervlaktetemperatuur vierhonderdtachtig graden onder een wolkendek van kooldioxyde en zwavelzuur. Mercurius nog even doen? Hier weeg je drieënhalve kilo, dus oppassen met afzetten want je zit zo twintig of dertig meter hoog in de ‘lucht’, maar die is hier niet. Overdag is het vierhonderdzesentwintig graden, ’s nachts minus honderddrieënzeventig.

Kortom, wij worden omgeven door verschrikkelijke oorden. Op Mars zouden we kunnen gaan wonen, maar gezellig is anders. We moeten de aarde meenemen in termen van zuurstof, water en voedsel. Je kunt er geen stap zetten zonder een ruimtepak. Dus moet je je leven lang in een tent wonen. Altijd binnenblijven dus.

Wat ik me bij dit soort overwegingen vaak afvraag is of er zoiets bestaat als astronomogene suïcide. Ik bedoel zelfdoding door ondraaglijk besef van menselijke nietigheid als je ons tegen het heelal aanhoudt. Maar misschien zijn astronomen juist erg lacherig over menselijke drukte, die kosmisch immers nauwelijks geluid maakt. Dat die leegte rustig stemt, niet angstig. Ik ben nog steeds niet zo ver.

Bert Keizer is filosoof en arts bij de Levenseindekliniek. Voor Trouw schrijft hij wekelijks een column over zorg, filosofie, en de raakvlakken daartussen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden