EssayOnder de waterspiegel

Waarom journalist Rick Pullens graag een vis zou willen zijn

null Beeld Anne Caesar
Beeld Anne Caesar

Plotseling was het daar: het verlangen om een vis te zijn. Zo’n emotieloos dier dat alleen maar rondjes zwemt? Ja, een vis. Waar komt dat verlangen toch vandaan, vraagt Rick Pullens zich af. ‘Een vis is automatisch onderdeel van zijn omgeving, de mens niet.’

Rick Pullens

Een wit visje met zwarte strepen schiet vlak voor me naar links, en dan vlug naar beneden, waar het verdwijnt tussen kleurrijk koraal op de zeebodem. Naast me zwemmen zilverpaarse vissen met gele staartvinnen driftig onder en boven elkaar langs. Alle kanten op. Alsof de stoplichten het vandaag niet doen op dit onderzeese kruispunt.

Recht voor me, waar het koraal als pannenkoeken uit de rotsen steekt, wemelt het van de zwarte visjes. Hun boven- en ondervinnen golven sierlijk door het water; ­water dat zo helder is dat het er niet lijkt te zijn. Misschien is één van die visjes Nina Hagen wel, bedenk ik. Of op z’n minst een fan van de Duitse punkdiva die eind ­jaren zeventig - zwarte kleding, zwart haar, zwarte lipstick - op operateske wijze haar a capella-nummer Fisch im Wasser zong:

Sie will ein Fisch im Wasser sein
Im flaschengrünen, tiefen See
Sie will mit Wasser sich besaufen
Und paar Blasen blubbern lassen

null Beeld Anne Caesar
Beeld Anne Caesar

Ze hangt hier vast ergens uit, La Hagen, in deze wonderlijke wereld, maar waar? En is ze nog aanspreekbaar? Want aan het eind van het nummer – dronken van al dat water en al die luchtbellen – laat ze haar begeleidingskoortje de coupletten precies verkeerd om zingen. In spiegelbeeld. Zo gaat dat onder de waterlijn. Dan krijg je dit soort zinnen: Nies ressaW mi hcsiF nie lliw eis.

De zon werpt lichte en donkere vlekken op het koraal waar de zwarte visjes zojuist nog dansten. Boven mij, in de nok van dit metershoge blauwe theater, doemt het silhouet van een kleine rifhaai op. Soepel glijdt hij door het water, met zijn spitse snuit, gestroomlijnde lijf en korte driehoekige vinnen. Hij merkt me niet eens op. Natuurlijk niet. Ik ben één van hen, zo voelt het. Ik voel me hier thuis.

Nooit geweten dat het onder water zo druk is. Alsof ik op zo’n Italiaanse rotonde ben zonder vaste rijbanen. Maar hier gebeuren geen ongelukken. Alles kronkelt, duikt en danst door elkaar. Met elkaar. Alle kleuren, alle maten. In alle rust. Hier wordt niet getoeterd of geschreeuwd. Het enige wat ik hoor is mijn eigen ademhaling, de lucht die ik via het ademapparaat uit de tank op mijn rug krijg.

Ik weet niets van vissen en ik heb me nooit meer in ze verdiept sinds ik ruim 25 jaar geleden als 18-jarige in Australië mijn duikdiploma’s haalde en even bij ze was. Een week lang bracht ik door op het Great Barrier Reef, om daarna als gecertificeerd duiker terug aan land te gaan en niets met mijn diploma’s te doen. Maar toen ik onlangs mijn oude onderwaterfoto’s zag was het er opeens, dat vreemde verlangen: ik wil een vis zijn, in een helderblauwe zee. Pardon?

null Beeld Anne Caesar
Beeld Anne Caesar

Elke druppel is verdacht

Toen ik als kind aan de Atlantische kust van Frankrijk voor het eerst in mijn leven de oceaan zag, schijn ik te hebben geroepen: ‘Dit is mijn zeetje’. Zelf herinner ik me dat ik me zwemmend in het water vooral afvroeg wat er onder me was. Een vis? Zeewier? Een kwal? Iets niet kunnen zien, heeft iets beangstigends. Ik houd van overzicht, dat heb ik niet als ik op het water lig. Elke druppel die daar het lijf raakt, is opeens verdacht.

Misschien dat onderwaterzwemmen daarom mijn favoriete onderdeel was tijdens zwemles. Ik hield zo lang mogelijk mijn adem in, in elk geval tot ik de overkant van het lesbad had gehaald. Ik gaf me op het laatste moment pas weer over aan het mens-zijn. Vissen hebben het ­makkelijker: ze zuigen water door hun mond naar binnen en filteren er met hun kieuwen zuurstof uit. Jaloersmakend.

Jammer dat ik zo jong was toen eind jaren zeventig De man van Atlantis op televisie werd uitgezonden. Ik vermoed dat ik ademloos zou hebben gekeken naar acteur Patrick Duffy (u kent hem waarschijnlijk beter als Bobby Ewing uit Dallas) als overlevende van het verloren continent Atlantis. Een man met bovenmenselijke krachten, die onder water adem kon halen en de extreme dieptedruk kon weerstaan. Tussen zijn vingers en tenen had hij vliezen. Een vis, in de gedaante van een man, met een strakke gele zwembroek.

De behoefte om de grens tussen mens en dier over te steken is al oud. Zo werden in grotten, van Zuid-Frankrijk tot op Sulawesi, tienduizenden jaren oude wandtekeningen gevonden van figuren die half dier-half mens waren. Ook Griekse en Romeinse goden kropen in de huid van dieren. Neem Neptunus, de god van de zee, vaak afgebeeld als een halfnaakte man, half vis-half mens, met een drietand in de hand.

Het lichaam

Tijdgeest laat het lichaam stralen deze zomer. U leest de komende weken over de weldaad van blote voeten, hoe oud we zullen worden, slungellijven en hoe mooi we eigenlijk zijn. Deze week: het verlangen om een vis te zijn.

Maar volledig het uiterlijk van een vis aannemen, is niet populair. Vissen komen er bekaaid vanaf bij mensen, concludeert gedragsbioloog Jonathan Balcombe in Het ­geheime leven van vissen: hoe vissen leven, liefhebben, samenwerken en communiceren. Van alle gewervelde dieren zijn ze het vreemdst voor ons, omdat ze geen herkenbare gezichtsuitdrukkingen hebben en zich niet lijken te kunnen uiten. We denken dat ze dom en primitief zijn. Ten onrechte.

Iemand die vissen wel serieus neemt, is schrijver Joost Oomen. In Visjes, een avontuur op Salina wil hij er een vangen met een gedicht aan zijn haak, om te bewijzen dat vissen kunnen lezen én gevoel voor poëzie hebben. Geen gemakkelijke opgave, na een maand weet hij nog altijd niet welke woorden een vis lekker vindt.

null Beeld Anne Caesar
Beeld Anne Caesar

Wat voor vis ben ik dan?

Ik wil dus een vis zijn: net als toen ik achttien was gewichtloos zweven door de zee, in die schemerwereld waar ik me zo thuis voelde. Maar wat voor vis ben ik dan? Genoeg keus, want wat wij vissen noemen is een verzameling dieren van een fabelachtige verscheidenheid: er zijn bijna 34.000 soorten bekend.

Misschien ben ik wel een poetslipvis, zo’n slank visje dat rondhangt bij het koraal en de tanden en huid van ­andere vissen schoonmaakt. Hij is, simpel gezegd, de uitbater van de plaatselijke wasstraat. Een slimme vis, die zelfs weet te slagen voor de spiegeltest. Hij herkent zichzelf, net als chimpansees en dolfijnen dat doen. Een zelfbewuste vis.

Of wil ik een clownvis zijn? Zo’n (oranje) visje, bij velen vooral bekend sinds het de hoofdrol kreeg in Disneys Finding Nemo. Een vissensoort die innig bevriend is met de zeeanemoon en als enige immuun is voor zijn gif. Een samenwerker. Zodra een grote vis hem wil pakken, verstopt hij zich in de plant, die de belager verlamt en opeet. Het clownvisje geniet van de restjes.

Of ben ik groter? Een Napoleonvis dan? Dat meterslange groenblauwe wezen met dikke lippen en een gefronst voorhoofd dat met iedereen contact maakt. Niet de mooiste vis van de zee, wel de vriendelijkste.

Het maakt misschien ook niet zoveel uit. Elke soort heeft z’n charmes. Als ik maar in het rif leef, vóór de drop-off, vóór de plek waar alles diep en donker wordt.

null Beeld Anne Caesar
Beeld Anne Caesar

Met een tank op mijn rug

Met vinnen aan mijn voeten, een duikmasker op en een snorkel in de mond lig ik in het zwembad. De tank op mijn rug is gevuld – 200 bar slaat de meter uit. Wie een vis wil zijn, moet niet op het droge blijven. Daarom ben ik hier deze avond, samen met andere duikers. Ik doe de ademautomaat in mijn mond en daal af. Voor het eerst in jaren weer.

Het is stil onder water. Ik hoor mezelf lucht naar binnen zuigen en uitblazen. Borrelende luchtbellen dwarrelen omhoog terwijl ik naar beneden ga. Vlak boven de bodem blijf ik hangen. Hier geen vissen, geen koraal, maar rechthoekige witte tegels met grijze voegen. Verder niets. Op een elastiekje na, met haren van de eigenaar er nog in een klit omheen.

Wie duikt moet vooral rustig ademhalen, had een meer ervaren duiker in de kleedkamer gezegd. Hoe minder controle je met je hoofd probeert te hebben over je lichaam, hoe makkelijker het wordt om stabiel in het water te hangen. Dus geef ik me over, ik ontspan; bevrijd van het gewicht dat ik op het land met me mee tors. Ik volg de witte tegels naar het diepe. Ik zweef. Eindelijk weer.

null Beeld Anne Caesar
Beeld Anne Caesar

Vissen zijn sociale dieren. We kunnen heel wat van ze leren over onze relatie tot de wereld en elkaar, meent schrijfster Nikki Dekker. In haar roman Diepdiepblauw wisselt ze passages over zeedieren af met scènes uit het leven van een jonge vrouw.

Dekker laat zien hoe divers de wereld onder water is op het gebied van relaties, sekse en gender. Kijk alleen naar zo’n schattig clownvisje, dat van geslacht kan veranderen (maar dat vertelt Disney niet in Finding Nemo). Duidelijk wordt ook hoe binair de bril van mensen is: je bent hetero of homo, man of vrouw, monogaam of polygaam, samen of single.

De jonge, biseksuele vrouw vindt die blik op de liefde verwarrend. Is alles altijd wel zo rechtlijnig en duidelijk omrand? Nee. Ook voor mij niet. Net als Dekker en haar hoofdpersoon ben ik biseksueel. Wil ik daarom zo graag onder water zijn? Omdat ik intuïtief iets van mezelf ­herken in die wereld zonder al te vaste vormen? Dat schemergebied waar het leven ooit begon.

Maar de zee is niet een landschap waarvoor de mens het juiste lichaam heeft. Sinds onze verre voorouders aan land gingen, zijn we zelfs een bijzonder zintuig kwijt-­geraakt: de zijlijn; haarcellen in kleine holtes – die samen een lijn vormen van voor tot achter op het lijf – waarmee vissen minuscule trillingen en veranderingen van druk registreren. Zo krijgen ze zicht op de omgeving, afstanden en andere vissen. En zo voorkomen ze botsingen. Een soort aanraken op afstand.

‘Dit is een vorm van voelen, maar de bewegingen en drukverschillen vertalen zich in geluid’, stelt filosoof en duiker Peter Godfrey-Smith in Metazoa – het dierenrijk en de evolutie van het bewustzijn. Een vissenlijf is volgens hem in feite één groot drukgevoelig oor.

Een mensenlichaam is dat niet (meer). Omgeven door lucht zijn wij nadrukkelijker gescheiden geraakt van alles om ons heen. Een vis is automatisch onderdeel van zijn omgeving. Dat wil ik ook. Ik wil mijn zijlijn terug.

Misschien wordt het tijd om terug de zee in te gaan? Om terug te vinden wat we ooit zijn kwijtgeraakt. Naar die wereld zonder woorden, zonder vaste vormen, waar alles in verbinding staat. Samen één geheel. Wie gaat er mee? Misschien kan het nog, na miljoenen jaren. Want ieder mens draagt de zee in al zijn cellen met zich mee.

null Beeld Anne Caesar
Beeld Anne Caesar

Boven water is iedereen boos

Ik laat mij zakken in het blauw. Nog even en ik ben een vis. Een mensenvis. Ik neem een hap. En nog een. En nog een. Dronken van mijn eigen bubbels zweef ik onder de spiegel door. Steeds dieper. Ondertussen zingt Nina Hagen nog wat regels uit haar lied:

Was sie dann will
Das ist mit Neptun schweigen
Und in Ruhe tun, was sie sonst nie tut
Was sie sonst nicht kann und soll

Hier is rust. Hier ben ik onderdeel van dat grotere geheel. Daarboven niet. Daar is iedereen boos. Heeft iedereen een mening. Een oordeel. Hard tegen hard. Bubbel tegen bubbel. Zwart of wit. Hier is het stil. Want vissen schreeuwen niet.

En mochten er plotseling toch wat woorden onder de waterspiegel verschijnen, dan weet ik: dat moet Joost Oomen zijn, met aan zijn hengel een gedicht. Laat hem vandaag mijn Neptunus zijn. Dan zwijgen we. Om in alle rust te doen, wat we anders niet zouden doen. En in spiegelbeeld te zingen: Sie will ein Fisch im Wasser sein.

Nies ressaW mi hcsiF nie lliw eis
Nies ressaW mi hcsiF
Nies

Over de auteur

Rick Pullens (1977) is journalist en theatermaker. Hij werkt sinds 2007 voor Trouw, eerst als eindredacteur, sinds twee jaar als redacteurTijdgeest. Pullens studeerde sociale geografie aan de Universiteit van Amsterdam en rondde een kleinkunstopleiding af bij Studio Selma Susanna in Amsterdam. Hij speelt op dit moment als pianist mee in de voorstelling La Lawaai, tot eind dit jaar te zien in diverse theaters.

null Beeld Anne Caesar
Beeld Anne Caesar

Lees ook:

Hoe Daniël Rovers (46) verslingerd raakte aan ‘Nederland in beweging’

Zomertijd laat het lichaam stralen: deze zomer leest u over blote voeten, slungellijven, een vis zijn, schoonheid, ouderdom. Nu: pondjes eraf met Nederland in beweging!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden