Amanda Gorman draagt tijdens de inauguratie van Joe Biden het gedicht 'The Hill We Climb' voor. Marieke Lucas Rijneveld zou het gedicht vertalen, maar gaf de opdracht terug na kritiek op de keuze voor een witte vertaler.

EssayStevo Akkerman

Waarom het jammer is dat het tegenwoordig eerder gaat om wie iets zegt, dan om wat diegene zegt

Amanda Gorman draagt tijdens de inauguratie van Joe Biden het gedicht 'The Hill We Climb' voor. Marieke Lucas Rijneveld zou het gedicht vertalen, maar gaf de opdracht terug na kritiek op de keuze voor een witte vertaler.Beeld AP

Als er gestreden wordt om het literaire woord, gaat het tegenwoordig eerder om wie iets zegt, dan om wat hij zegt. Stevo Akkerman vindt dat jammer.

Vanuit Paramaribo ging je over de ‘poederweg’ naar Atjoni, wat betekende dat je je een hele dag heen en weer liet slingeren in een busje en van top tot teen onder het bauxietstof kwam te zitten. In Atjoni, het laatste dorp dat over de weg bereikbaar was, stapte je over op een korjaal en zo voer je over de Surinamerivier het regenwoud in. Daar, aan de oever van de rivier, woonden de marrons ofwel de boslandcreolen. Maar zelf noemden ze zich bosnegers.

’s Avonds, bij het vuur, vroeg ik of ze dat geen vervelende term vonden.

“Welnee, waarom? Wij zíjn toch bosnegers?”

Het was 2007, ik was in Suriname om research te doen voor een roman die De inboorling zou gaan heten. Hoe zouden de mensen aan de Surinamerivier zich nu, bijna vijftien jaar later, noemen? Ik weet het niet, maar ik kan me voorstellen dat er iets veranderd is. Ik lees dat de poederweg is vervangen door asfalt, wat zal betekenen dat de nederzettingen in het regenwoud – ofwel ‘het bos’ – minder afgelegen zijn komen te liggen. En het is in het contact met anderen dat woorden en namen hun betekenis en gevoelswaarde krijgen – die liggen niet in lettercombinaties, niet in klanken, maar in herkomst, bedoeling en context. Wat aan de oever van de rivier een doodgewone aanduiding is, kan elders een diskwalificatie blijken te zijn, een neerbuigende term, door de machthebbers van weleer ook als zodanig bedoeld. Ja, er zijn ook voorbeelden van denigrerende termen die geuzennamen werden, maar dat gaat niet altijd even gemakkelijk. Columniste Ellin Robles schreef in Het Parool, ook dit was in 2007, dat zij niet zwart genoemd wilde worden, en ook niet langer meer Afrikaans-Surinaams Nederlands. “Ik wil een neger zijn. Verbonden met zielsverwanten. Ik wil een neger zijn, maar ik weet niet hoe dat moet. Waar zijn de zielsverwanten? Wat is de zielsverwantschap? God van de negers, hoor mij.”

Met De inboorling begaf ik me op gevaarlijk ijs. Dat begon al met het historische gegeven dat de ruggengraat van de vertelling vormde: het te kijk zetten, letterlijk, van 28 Surinamers op de Wereldtentoonstelling van 1883 in Amsterdam. De manier waarop deze mensen in die dagen werden beschreven, was uiterst racistisch en dus bevatte mijn tekst uiterst racistische citaten. Bovendien liet ik, witte schrijver, een fictieve zwarte man, afstammeling van een van deze 28, ernstig worstelen met zijn identiteit. Had ik het recht wel om dat te doen? Zelf vond ik van wel, maar bij de boekpresentatie in de Muiderkerk in Amsterdam stond een man in het publiek op om een deel van het honorarium op te eisen: hij vond dat ik er vandoor was gegaan met een verhaal dat niet het mijne was, maar het zijne.

Drie gevoeligheidslezers

Als ik het boek doorblader om te zien of ik het anno 2021 anders zou doen, valt mij vooral het woord ‘blank’ op, waar ik nu ‘wit’ zou gebruiken. Maar indertijd stoorde niemand zich daaraan, ook mijn ‘gevoeligheidslezer’ niet. Nou ja, zo heette dat toen gelukkig nog niet. Het is ook pas sinds de affaire rond Amanda Gorman en Marieke Lucas Rijneveld (die door kritische stemmen ongeschikt werd geacht als vertaler van een zwarte dichter) dat ik op de hoogte ben van het verschijnsel sensitivity reader. De uitgever van Gorman bleek, ongeacht de identiteit van de vertaler, te staan op een controleronde door maar liefst drie sensitivity readers – professionele meelezers die de tekst beoordelen op eventuele missers, vooral aangaande (onbewuste) vooroordelen op het gebied van kleur, gender, religie en dergelijke. Zo’n professionele meelezer had ik niet, wel een onprofessionele; iemand van Surinaamse afkomst die thuis was in het onderwerp, het taalgebied, de geschiedenis, de geuren en kleuren. Niet om me te controleren, laat staan om censuur toe te passen (dat woord viel nogal eens in de Rijneveld-kwestie), maar om mij te laten profiteren van wat zij wist en ik niet.

Wat mag gezegd worden, door wie, en hoe? Wie bepaalt dat? Ziedaar het hedendaagse mijnenveld van de verbeelding. Het is geen nieuw terrein, er is altijd een explosief element geweest in de vrije expressie, maar de oorzaak van de ontploffingen verandert wel. Na de vurrukkulluku jaren zestig leek het misschien even alsof er geen taboes meer bestonden, bevrijd als we waren van godsdienst, burgerlijkheid en autoriteit, maar er zijn nieuwe taboes voor in de plaats gekomen, of oude taboes naar nieuw recept. Daarin speelt, veel meer dan voorheen, de vraag naar het eigenaarschap van thema’s en genres. Wat niet wil zeggen dat het traditionele kwetsen is uitgestorven als overtreding, integendeel: ook dat staat regelmatig weer in een kwade reuk, maar dan wel sterk afhankelijk van wie er gekwetst wordt.

Dat het bij het protest tegen Rijneveld als vertaler van Gorman ging om de identiteit van de Nederlandse auteur en niet zozeer om haar pen, is evident. Voordat ik met behulp van de schrijver Tim Parks wat kanttekeningen bij deze gang van zaken zet, lijkt het me verstandig te zeggen dat Gorman natuurlijk alle recht had gehad te vragen om een zwarte vrouwelijke vertaler – daar was ook veel voor te zeggen geweest. Maar zij en haar team waren content met Rijneveld, in de kennelijke overtuiging dat literair talent en literaire verwantschap zwaarder wegen dan kleur of gender. Dat Rijneveld zich terugtrok, was dan weer háár goed recht, al trad er wel wat collateral damage op: nu zouden we nooit weten wat zij zou hebben gemaakt van The Hill We Climb, het gedicht dat Gorman voordroeg bij de inauguratie van Joe Biden.

Over naar Tim Parks. Deze Britse romanschrijver leeft al sinds 1981 in Italië, vertaalde Italiaanse literatuur in het Engels en doceerde vertaalkunde aan de universiteit van Milaan. In The New York Review of Books wijdde hij afgelopen maart een beschouwing aan ‘de zichtbare vertaler’, aanhakend bij de controverse rond Rijneveld en andere ongeschikt geachte vertalers – dit speelde niet alleen in Nederland. Parks kan putten uit tal van tegenstrijdige ervaringen. Hij vertaalde een roman over een onmogelijk gemaakte lesbische liefde op een meisjesschool en ook de memoires van een vrouw die in Birkenau gevangenzat en nauwkeurig beschreef wat het concentratiekamp deed met haar lichaam, het verlies van de menstruatiecyclus, de angst nooit meer moeder te kunnen worden. “Geen moment”, schrijft Parks, “was ik bang dat ik niet in staat zou zijn een geloofwaardige versie van hun verhaal te bezorgen.”

Stille jongen vertaalde zwijmelende chicklitroman het beste

Een typisch staaltje van masculiene overmoed? Nee, want vaak genoeg kwam Parks zelf tot de conclusie dat hij niet de juiste vertaler was. Dit niet op grond van zijn identiteit, maar op grond van gebrek aan affiniteit met een tekst of kennis van een specifiek taalveld. Een ‘prachtige bildungsroman’ met honderden pagina’s vol puberstraattaal durfde hij om die reden niet aan. Hoe verwarrend het allemaal kan werken – leve het onvoorspelbare van de creativiteit – bleek toen Parks zijn Italiaanse studenten de openingspagina’s liet vertalen van een zwijmelende chicklitroman. Het ging daarin om een haarverfdrama, echt iets voor de 90 procent vrouwelijke studenten die Parks had. Maar het was een stille jongen die op de proppen kwam met de versie die de hele groep liet gieren van het lachen – perfect! “Hoe kreeg je dit voor elkaar?”, vroeg een van de studentes. “In mijn hoofd luisterde ik naar mijn zus in de badkamer”, antwoordde de jongen.

Toch jammer als hij vanwege zijn geslacht gediskwalificeerd zou zijn.

De werkelijke en valse dilemma’s bij het vertalen zijn niet helemaal dezelfde als bij het schrijven zelf – al is vertalen ook schrijven, zeg ik er snel bij – maar ze overlappen elkaar gedeeltelijk wel. Dat geldt in deze tijden van identiteitspolitiek, ook in het culturele vlak, dus vooral voor de vraag ‘wie denk jij dat je bent om dit te kunnen doen?’ Ofwel: vanwaar het recht van degene die de pen voert om de positie van een ander te verwoorden? Nu zou je kunnen zeggen dat een schrijver dat al doet zodra hij een ander personage dan zichzelf opvoert. Maar in dit debat gaat het nooit om de grens die ieder mens scheidt van een ander mens, maar om specifieke grenzen: vrouw/man, hetero/homo, zwart/wit, meerderheid/minderheid, oud/jong, westers/niet-westers. Alleen al de woordvolgorde in deze tegenstellingen kan discussie oproepen, en altijd gaat het dan om macht c.q. privilege.

De internationale schrijversorganisatie PEN raakte aan deze gevoeligheden in het manifest De democratie van de beelding, dat in 2019 werd aangenomen op een congres in Manilla. De tekst verdedigt de verbeelding als ‘net zo vrij als dromen’ en zegt: ‘PEN gelooft dat de verbeelding schrijvers en lezers in staat stelt hun eigen plek in de wereld te overstijgen en ideeën van anderen in zich op te nemen’. Het is een beetje hoogdravend en zemelig (de verbeelding kan ideeën van anderen net zo goed geheel de grond in boren), maar zo gaat dat nu eenmaal met manifesten op congressen. Toch is hierdoor, zo meldde The Observer, frictie ontstaan tussen de overkoepelende PEN-organisatie en sommige nationale afdelingen: het idee dat literatuur iets universeels zou zijn, valt slecht in landen en bij gemeenschappen die historisch gezien weinig aan bod zijn gekomen of zelfs tot zwijgen werden gebracht. Die onvrede wil ik niet wegwapperen, maar ik zou de oplossing niet graag zoeken in het opnieuw onderdrukken van de verbeelding, nu van een ­andere groep.

Elke tekst is een vertaling van wat zich afspeelt in het hoofd van de schrijver naar woorden op papier en vervolgens weer van woorden op papier naar het hoofd van de lezer. Ik ben geneigd dat een wonder te noemen, al weet ik dat we nergens op mogen rekenen; vaak genoeg kan er in dit proces juist kortsluiting optreden. Ik wil ook pleiten voor die kortsluiting. Want dat ik er tegen ben om hekken te plaatsen rond de verbeelding, betekent niet dat ik denk dat alles wat artistiek heet heilig is, laat staan dat we geen bezwaren meer zouden mogen opperen ­zodra iets als Kunst of Literatuur wordt bestempeld.

In het debat rond de gevoeligheidslezer wordt soms verwezen naar Gerard Reve, en het baanbrekende Ezelsproces van 1968. Reve was aangeklaagd wegens ‘smalende godslastering’, dat kon je indertijd rustig een gevoeligheid noemen. De basis daarvan waren twee passages waarin de schrijver zich voorstelde seks te hebben met God, ‘in de gedaante van een eenjarige, muisgrijze ezel’. Hij werd vrijgesproken, nadat hij zelf een verdedigingsrede had gehouden – in 2018 werd die rede in Trouw nog ‘een monument voor de vrijheid van de kunst’ genoemd.

De ‘tjoeki tjoeki’ boot van Reve

Daar wil ik niets aan afdoen, maar onder het mom van ‘kunst’ ging Reve vervolgens op volstrekt niet-literaire wijze tekeer tegen zwarte landgenoten; dat was politiek en schunnig en er kwam geen enkele verbeelding aan te pas. Het was ook niet in een roman of via een personage dat de schrijver zich wentelde in onversneden racisme. Hij koos het podium van een festival om een gedicht voor te lezen dat hij daags tevoren bij het ANP had aangekondigd als ‘van uiterst rechtse, fascistische en racistische aard’. Poëtischer dan ‘gooi al dat zwarte tuig eruit / ons land voor ons’ werd het niet. En het was in een brief aan Simon Carmiggelt, gepubliceerd in De taal der liefde, dat hij de nazaten van onze slaven op de korrel nam – waarmee we overigens weer belanden aan de oevers van de Surinamerivier. Dit schreef hij: ‘Nu moeten we nog van die Surinaamse en Curaçaose & Antiliaanse troep af. Ik ben er erg voor, dat die prachtvolken zo gauw mogelijk geheel onafhankelijk worden, zodat we ze allemaal met een zak vol spiegeltjes en kralen op de tjoeki tjoeki stoomboot kunnen zetten, enkele reis Takki Takki Oerwoud, meneer!’

Ik zal De avonden niet afrekenen op deze zinnen, ik ben ook nog steeds benieuwd naar wat Reve over religie heeft geschreven – dat moet je lezen, bezweren kenners mij – maar laat ik het zo zeggen: als ik een literair festival mocht organiseren, en deze schrijver leefde nog, zou ik ernstig twijfelen of ik hem moest uitnodigen.

Maar dat zou niet vanwege zijn afkomst zijn.

Stevo Akkerman (1963) is Trouw-columnist en redacteur bij Tijdgeest. Hij publiceerde romans en non-fictie-titels, waaronder De inboorling (2009), Het klopt wel, maar het deugt niet (2016) en Wat is dan goed? (2019).

Moet iedereen over alles kunnen schrijven? Reacties (max. 150 woorden) zijn welkom via tijdgeestreacties@trouw.nl. Graag naam en woonplaats vermelden.

Lees ook:

De column van Stevo Akkerman

Ja, Marieke Lucas Rijneveld mag het werk van zwarte dichteres Amanda Gorman vertalen

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden