NaschriftJan de Hamer

Voor Jan de Hamer (1934-2019) moest alles diepgang hebben

Beeld Dana Ploeger

Kunstschilder Jan de Hamer leefde in zijn eigen wereld. Hij had veel kritiek op het leven van alledag vol lawaai en trivialiteiten. Voor hem moest alles diepgang hebben.

Het liefst hing kunstschilder Jan de Hamer uit zijn zolderraam aan de Amsterdamse Egelantiersgracht. Dat raam vormde een kader van waaruit hij de wereld aanschouwde, als een kat die vanuit een kartonnen doos behoedzaam zijn omgeving observeert. Urenlang kon hij kijken. Naar de Westertoren, de bomen langs de gracht, het landschap van de stad. Dat verstilde landschap vormde het uitgangspunt van zijn kunst.

Jan was als een ‘Beobachter’, die vertraagd door het leven ging. Op de snelweg reed hij met zijn krakkemikkige auto niet harder dan vijftig kilometer. En bij aankomst bleef hij gerust nog een poosje in de auto zitten. Jan praatte rustig, liep traag maar kon wel in één keer geraakt worden door een beeld dat zijn oog trof. Bij een tentoonstelling in een beeldentuin vroeg een bezoeker eens of Jan ook een kunstwerk was en wellicht te koop. Hij had toen al ruim een uur aandachtig ergens naar staan turen. Jan kon maar moeizaam meekomen in de jachtige maatschappij, hij had een hekel aan lawaai. Het geluid van hoge hakken, klikklakkend op het trottoir, stoorde hem mateloos. Ook toeristen vervloekte hij. Wanneer iemand hem op straat groette met: “Hé Jan, hoe gaat het?”, antwoordde hij de laatste tijd met: “Klote!” Hij vond dat zo’n onnozele vraag. Zijn stuurse meningen maakten hem niet altijd geliefd, toch mochten veel mensen Jan.

Altijd mysterieus

Eenzaam was hij zeker niet. Na een lange dag schilderen stak hij de straat over om zijn stamkroeg ’t Smalle aan te doen. Daar zat hij aan zijn vaste tafeltje aan de zijkant en zei niet veel, tot er een stilte viel en hij met een snedige opmerking de aandacht naar zich toetrok. Scherpzinnig en humoristisch. Toen hij eens journalist en buurtgenoot Theodor Holman op straat trof, vroeg hij: “Werken wij, of lopen wij?” Holman zei: “Wij werken lopend”, waarna de twee in een betoog verwikkeld raakten. Typisch Jan, altijd mysterieus en filosofisch.

Jan leefde voor de kunst, zijn schilderijen waren een verbeelding van zijn binnenwereld. ‘Schilder zijn is stilte, afzondering, eenzaamheid. De overzijde van het licht naar je toehalen’, schreef hij. Schilderen was voor hem ‘voortdurend in gesprek zijn met wat je ziet en wat je hand kan’. Hij hield zich graag aan één stramien: simpele vormen en niet te ingewikkeld – net als zijn eigen leven. Die beeldtaal was bijna schematisch, een glooiend landschap werd een legpuzzel van lijnen. Zijn uitgangspunt was de waarneming en dat was in het schilderij ook waarneembaar, in die zin was het figuratief, al was het werk in hoge mate geabstraheerd. Strakke landschappen, veelal in pasteltinten. In menig kunstwerk stond de boom, daarmee voelde hij zich verbonden omdat die net als hij innerlijk stil is. Portretten maakte hij zelden.

Jan, geboren in 1934, groeide op in Delft. De drang om te gaan schilderen begon in de puberteit, maar dat viel in verkeerde aarde bij zijn conservatieve ouders. Zijn strenge vader was actief in de Gereformeerde Bond en zag een toekomst als kunstschilder totaal niet zitten. Maar Jan, gegrepen door het werk van Van Gogh en Mondriaan, ging toch naar de Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag. Zijn oudere zus Nel en zijn moeder vonden het maar niks, Jan maakte er thuis met zijn schildersspullen altijd zo’n rommel van. Zijn vader regelde nog wel een baan voor hem bij de Porceleyne Fles, maar Delftsblauwe borden schilderen was niet zijn ideaal en hij vertrok naar Amsterdam.

Teleurgesteld

Later realiseerde hij zich dat hij zijn vader vast diep teleurgesteld had. Hoewel hij weinig op had met het strenge geloof van zijn ouders, bleef hij gelovig. Hij werd geraakt door de evangelische beweging en volgde de Amerikaanse preker Osborn, die begin jaren zestig veel in Nederland was. Hij vertrok naar San Francisco en werkte als grafisch ontwerper bij die geloofsgemeenschap. Daarna maakte hij enkele jaren voor uitgeverij Elsevier boekomslagen en illustraties. Eind jaren zeventig woonde hij nog een jaar of vier in Canada om in Toronto kunstlessen te geven, en hij verbleef graag in de inspirerende natuur van Frankrijk en Zwitserland.

Uiteindelijk werd Amsterdam zijn vaste plek, waar hij genoot van zijn lidmaatschap van kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae: zijn tweede huis. Zelf een gezin vormen, ambieerde hij niet. Het beeld van huisje, boompje, beestje vond hij stompzinnig, mede door de strenge normen van zijn ouderlijk huis, waar hij maar niet los van kwam. Jan hield heus van vrouwen, hij had geregeld vriendinnen en woonde soms enige tijd samen. Keer op keer liepen die relaties stuk, omdat Jan zich na een tijdje begon te ergeren en zijn kritische mening niet voor zich hield.

Zelf begreep hij overigens niet wat er mis was met die kritiek. Hij maakte zich nooit druk om trivialiteiten. Wat dat betreft stelde hij zich boven de goegemeente, zag zichzelf als wijs man, die leefde voor de kunst. Hij vond dat hij als een van de weinigen het leven echt doorzag. In een interview in 1996 zei hij: “Als ik naar bed ga, moet ik begrijpen wat ik die dag heb gedaan, in relatie met al die dingen waarmee ik verbonden ben. Het leven moet begrepen worden.”

Logeerpartijen

Zijn behoefte aan contact, aandacht en filosofische gesprekken werd bevredigd door de vele trouwe vriendschappen die hij opbouwde. Mensen nodigden hem vaak uit voor logeerpartijen of hij paste op hun huizen tijdens de vakanties. Bevriende beeldhouwer Adri van Rooijen creëerde in zijn hooiberg een kamer met eigen opgang, waar Jan soms weken vertoefde. Praten over kunst, genieten van lekkernijen en dan ’s middags een tukje doen om daarna weer aan de borrel te beginnen. Heerlijk vond hij dat soort weken. Zijn gastheer moest hem wel met dwingende hand weer richting huis krijgen. Jan had moeite met afscheid nemen, dan draalde hij nog uren in de tuin voor hij huiswaarts keerde.

Op zijn logeerplek bij vriend Adrie van RooijenBeeld Dana Ploeger

Vaak bedankte hij zijn vrienden met een kunstwerk. Of ze kochten zelf een werk om hem te ondersteunen in zijn levensonderhoud. Al hingen zijn schilderijen in gerenommeerde galeries, ze verkochten ronduit slecht. Dat vond hij weleens jammer, maar echt teleurgesteld was hij niet. In de jaren van de kunstenaarssubsidie BKR had hij het hoofd prima boven water kunnen houden, daarna leefde hij uiterst sober.

Voorbij waren de tijden dat hij een taxi nam naar een bistro om te genieten van een stevige biefstuk en een goed glas wijn. Ook in zijn armoedige jaren bleef hij graag trakteren, al kwam het ook voor dat hij een vriendin mee uit eten nam en dan voor zichzelf alleen een kop thee bestelde. Hij at dan thuis. Het ging om het gebaar, om zijn intentie, vond hij. Hij gedroeg zich soms bewust als de karige kunstenaar, die niet anders kon leven dan zo. Hij vroeg vrienden weleens om geld. Zijn werk commercieel aanbieden deed hij echter niet. Voor wat extra inkomsten verhuurde hij een deel van zijn bovenhuis als atelier. Hierdoor woonde hij goeddeels op zijn zolder, die vol stond met zelf gefabriekte meubels. Om bezit gaf hij niet. IJdel was hij wel. Hij had wel wat weg van heer Bommel, met zijn mooie tweedjasjes, die hij tot op de draad versleet, en altijd een choker.

Preken

Zijn dagen vulden zich met schilderen en het noteren van filosofische gedachten. Hij luisterde naar preken van evangelische dominees uit Amerika, die hij samenvatte en becommentarieerde. De laatste jaren verloor hij meer vitaliteit. Hij oriënteerde zich op een verblijf in het Rosa Spier Huis, de woongemeenschap voor oudere kunstenaars. Dat hij daar niet middels een speciaal fonds kon wonen, vond hij maar vreemd. Voor de nodige zorgindicatie bezocht hij een psycholoog, maar hij kreeg binnen de kortste keren slaande ruzie.

Uiteindelijk was er toch een plekje, maar van verhuizen kwam het niet. In september merkte hij op dat zijn leven minder werd. Hij vreesde nog meer verlies aan autonomie. Kort daarna viel Jan toen hij wilde opstaan van zijn stoel op zijn vaste plek op het terrasje bij café ’t Smalle. Daarna lag hij twee weken op de intensive care. Hij had daarvoor al wel aangegeven dat hij content was geweest met zijn leven. Als kunstschilder was hij goed uit de verf gekomen, vond hij.

Jan de Hamer werd geboren in ’s-Gravenzande, op 7 november 1934. Hij stierf op 5 oktober in Amsterdam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden