null Beeld Beeld Rosa Snijders
Beeld Beeld Rosa Snijders

EssayArmoede

Vincent Cardinaal (39) over zijn leven getekend door armoede en verslaving. ‘Je leeft met gebalde vuisten’

Verbitterd, gewond, verkrampt. Zo rolde Vincent Cardinaal lange tijd door het leven sinds een jeugd die werd getekend door armoede en verslaving. Tot hij leerde ‘rots en water’ te zijn.

Vincent Cardinaal

Op mijn vijftiende werd ik van de middelbare school gegooid. Het was het einde van een onvermijdelijke route: ik was een boze, maar slimme tiener. Stronteigenwijs bovendien. Dat leidde ertoe dat ik alleen deed waar ik zelf zin in had, en de rest kon het heen-en-weer krijgen. Natuurlijk zou er een keer iemand ‘tot hier en niet verder’ zeggen.

En zo gebeurde het dat ik verzocht werd om de school te verlaten: op mijn gezelschap werd geen prijs meer ­gesteld. “We snappen niks van jou”, zei de conrector. Dat kon goed kloppen: ik praatte onophoudelijk, maar liet zelden iemand binnen.

Er was een docent die mij goedgezind was. Hij was mijn begeleider bij de schoolkrant, zowat het enige ­onderdeel waar ik veel moeite in stopte. Hij gaf me een afscheidsbriefje mee: ‘Je leeft met gebalde vuisten, en dat is bewonderenswaardig. Maar beloof mij en vooral jezelf dat je die alsjeblieft voor iets goeds zult gebruiken in je leven.’

Het bleken profetische woorden: de gebalde vuisten stonden symbool voor een leven dat getekend was en werd door armoede en verslaving. Het bracht me tot de rand van de afgrond.

 Vincent Cardinaal Beeld
Vincent CardinaalBeeld

Vincent Cardinaal (1982) is schrijver, cultuurjournalist en verslaafde-in-herstel. Hij is vast verbonden aan het Vlaamse weekblad Humo, en werkte eerder voor Nieuwe Revu, NRC Handelsblad en Vers Beton.

Ik groeide op in Crooswijk, een arme wijk in het ­centrum van Rotterdam. Het is het soort buurt waarover Dimitri Verhulst schreef: ‘God schiep de dag, en wij sleepten ons erdoorheen’. Veel geweld, veel gebruik van middelen en vooral: een schrijnend gebrek aan geld en mogelijkheden. Dat was mijn vroegste jeugd. Ik bracht mijn tijd door te midden van alcoholisten en kettingrokers.

We waren thuis doodsbang van de brievenbus: elke dag kon er een slecht bericht komen van een van de vele schuldeisers, de dreiging van een leeggehaald huis lag altijd op de loer. De schulden waren veroorzaakt door mijn verslaafde vader: zijn drankzucht had ons leven verwoest. Het misbruik was mentaal, fysiek, spiritueel én financieel: hij liet een berg dampende schulden achter.

Als mijn moeder de moed had verzameld bezwaar te maken tegen het feit dat zij – doodsbang en intens on­zeker – vanuit de bijstand dit mocht aflossen, dan kwam mijn vader die de kop indrukken. Hij was een man die een brand bluste met een vlammenwerper. En ik als kind keek toe: het maakte me angstig, maar vooral kwaad. Zo kwam het dat ik altijd met gebalde vuisten rondliep.

Boos op de volle broodtrommel van vriendjes

Op school haalde ik goede cijfers, maar had ik geen vriendjes. Gepest werd ik niet: de eerste die ooit een poging had gewaagd, had direct een rotzet met die gebalde vuisten gekregen. Ze keken wel uit. Om mij werd met een grote boog heengelopen. Ik was kwaad op van alles: op de goedgevulde broodtrommel van klasgenootjes, of het knalrode horloge van de meester. Voor mij waren het allemaal symbolen die zeiden: jij mag niet meedoen.

Wat ik ook deed op school was lege flessen jatten. Van het statiegeld deden mijn moeder en ik boodschappen. Een vol bord eten was elke dag een uitdaging. De enige mensen met wie ik weleens sprak op school waren volwassenen. Toen ik acht jaar oud was liet ik een serie deurwaardersbrieven zien aan de meester. Ik wilde­ weten of ik de inhoud goed begrepen had en of hij me kon zeggen hoe ik kon voorkomen dat onze huisraad zou worden meegenomen. Hij keek me alleen maar verbijsterd aan.

Nu denk ik: waarom sloeg die man geen arm om mij heen, een kwaad kind dat eigenlijk nooit kind was? Maar waarschijnlijk stond ik daar ook niet echt voor open. Ik zal niet vergeten hoe ik reageerde toen een conciërge me een boterham toe wilde stoppen, stiekem: ik schopte hem tegen zijn schenen.

In de voetsporen van mijn verslaafde vader

Als tiener werd ons leven, voor de bühne althans, eenvoudiger. Mijn stiefvader kwam in ons leven en er was meer geld beschikbaar. De schulden verdwenen. Op mijn veertiende ging ik zowaar een keer op vakantie: dat had ik nog nooit meegemaakt. Maar ik bleef kwaad. En bleef raadselachtig gedrag vertonen. Altijd met gebalde vuisten. Ik sloeg een gat in een deur toen ik werd uitgelachen bij een spreekbeurt. Ik zat met verkrampte vuisten toen de vader van een vriendinnetje kwam vertellen dat hij een promotie op het werk had gekregen. Ik haatte hun geluk, zo simpel was het.

Thuis werd ondertussen nooit over gevoelens gepraat. Ik zat nog steeds veel alleen op mijn kamertje. En ik begon in de voetsporen van mijn verslaafde vader te ­treden: ik merkte dat ik mijn gespannen lijf rust kon ­bieden door het gebruik van drugs. Nog voor ik van de middelbare school werd getrapt, was ik zelf een junkie.

Met deze bakjes probeert een van de gefotografeerden voor het project 'Tegenspoed, verhalen over armoede' greep te krijgen op zijn uitgaven. Beeld Foto Dirk-Jan Visser
Met deze bakjes probeert een van de gefotografeerden voor het project 'Tegenspoed, verhalen over armoede' greep te krijgen op zijn uitgaven.Beeld Foto Dirk-Jan Visser

Als twintiger hield ik nog lang de schijn op. Na de avond-havo (in slakkentempo) ging ik journalistiek ­studeren. Maar weer was kwaadheid stiekem mijn basisemotie. Bij mij moest je niet aankomen met verhalen over hoe erg het was dat je ouders gingen scheiden. Dat maakte me vals. Een vriendinnetje maakte het daarom met me uit. Voor ze de deur van mijn studentenkamer dichtsloeg zei ze ook nog: “Maak je post eens open”.

Want dat deed ik nooit. Als kind had ik geleerd dat post alleen maar ellende kan brengen. Mijn moeder en ik maakten geregeld uitjes langs de vuilnisbak, om ­stapels post weg te kieperen. Daar werd ik dan wel ­vrolijk van, het voelde als wraak op de wereld. Als jongvolwassene herhaalde ik dit patroon doodleuk. Ik stopte alle officiële post in een schoenendoos en als die vol was, dan gooide ik hem in de kliko.

Een keer maakte ik per ongeluk zo’n brief open. Er stond in dat ik binnen tien dagen een bedrag van 12.500 euro moest terugbetalen aan studiefinanciering. Ik raakte daardoor zo van de leg dat ik in de avond naar de eerste hulp moest: mijn vuisten waren zo verkrampt, dat ik mijn linkerhand niet meer los kreeg. Met spierverslappers en engelengeduld pulkte een coassistent mijn hand weer vrij.

Mijn leven was een ongeluk in slow motion

Zo rolde ik lange tijd door het leven: verbitterd, gewond, verkrampt. Maar, eerlijk is eerlijk: ook vals, stiekem en gemeen. Verslaafd, bovendien. Voor geld had ik geen respect. Ik leende het zonder verpinken en betaalde zelden iets terug. Het kon me niet schelen. Tenminste, dat zei ik tegen mezelf om het draaglijk te houden.

Maar net als die vier jaar op de middelbare school kon het natuurlijk niet goed blijven gaan. Mijn leven was een auto-ongeluk in slow motion geworden. Het duurde tot ik dik in de dertig was tot iemand een keer tegen mij zei dat ik zélf verantwoordelijk was. Ik kon die auto aan de kant zetten en op een andere voet verder gaan.

Daarna duurde het nog een paar jaar, tot ik – niet eens zo lang geleden – voor het eerst in mijn leven om hulp vroeg. Ik ging naar een kliniek, waar het me opmerkelijk weinig moeite kostte om me open te stellen en in plaats van post eens mijn bagage in de prullenbak te mieteren. “Geen wonder”, zei een van de behandelaars tegen me, “elk elastiek knapt een keer. Dat van jou is nu eindelijk gebroken. Geniet van de rust.”

Die laatste zin snapte ik toen niet, maar nu wel. Als je leeft zonder wrok en zonder angst voor post hoef je niet heel de dag alert te zijn. Als kind in armoede en ellende opgroeien resulteert in kopieergedrag, gedoe. Hulp vragen staat doorgaans niet in je boekje. Want: wie kun je vertrouwen als elke volwassene die je kent er een teringbende van heeft gemaakt? Precies, je wordt je ­eigen kompas en het maakt niet uit als dat op hol geslagen is. Tot je crasht. En dat is onvermijdelijk.

De maanden worden afgestreept, op dit lijstje van een gefotografeerde voor het project 'Tegenspoed, verhalen over armoede'. Na 36 maanden is het schuldhulpsa­nerings­traject ten einde. Beeld Foto Dirk-Jan Visser
De maanden worden afgestreept, op dit lijstje van een gefotografeerde voor het project 'Tegenspoed, verhalen over armoede'. Na 36 maanden is het schuldhulpsa­nerings­traject ten einde.Beeld Foto Dirk-Jan Visser

Een gebalde vuist, een uitgestoken hand

Mijn leven is inmiddels een stuk kalmer. Een van de ­beslissende momenten was een sessie van de weerbaarheidstraining ‘rots en water’ die ik bijwoonde. Sindsdien hang ik deze leer aan. Het principe is simpel, gebaseerd op een Aziatische verdedigingssport die wel iets wegheeft van aikido. Rots en water stelt dat je beide elementen nodig hebt voor een gezond leven. Twee gesloten vuisten staan voor rots en rots, oftewel het blussen van die brand door een vlammenwerper. Dat heeft geen toekomst. Maar alleen water (twee vlakke handen) kun je ook niet zijn: dat geeft geen weerstand. De kunst is dus rots en water te zijn.

De sessie die ik bijwoonde was gevuld met kinderen uit Crooswijk. Ze leerden voor zichzelf op te komen. Voor elke oefening maakten ze het ‘rots en water’-gebaar: de rechterhand gebald, de linker vlak en erbovenop gelegd.

Ik voelde aanvankelijk jaloezie: had dit maar in de jaren tachtig bestaan. Daarna zette ik me over mezelf heen, zoals ik geleerd had. En ging ik naast de kinderen staan. Ook ik maakte het ‘rots en water’-gebaar. En haalde diep adem.

Sinds dat moment leef ik niet meer met gebalde ­vuisten. Ik leef met een gebalde vuist en met een uitgestoken hand. Het heeft ervoor gezorgd dat ik mensen en mezelf heb kunnen vergeven en op een verantwoordelijk pad ben gekomen. De kwaadheid is gekanaliseerd en ik kan nu de uitnodigende handen van een ander accepteren. Mijn kracht gebruik ik weer voor positieve ­dingen.

Lees ook:

Een scheiding, faillissement, en ineens zit je diep in de schulden. ‘Het kan jou en mij ook overkomen’

Fotograaf Dirk-Jan Visser ging op zoek naar mensen die op enig moment in aanraking kwamen met schuldhulp. Omdat het hun tijdelijk tegenzat, of ze gewoon niet goed kunnen meekomen in een samenleving.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden