Rob Sangidi in het Oorlogsmuseum in Overloon.

NaschriftRob Sangidi (1938-2020)

Van huilende straaljagers kon Rob erg genieten

Rob Sangidi in het Oorlogsmuseum in Overloon.

Oud-militair Rob Sangidi was zachtaardig en bescheiden. Hij zorgde dertig jaar voor zijn zieke vrouw en trad niet snel op de voorgrond. Door corona konden zijn geliefden amper afscheid van hem nemen.

Pas op hoge leeftijd keerde Rob Sangidi terug naar zijn verre geboorteland. Daarvoor was het er door de jarenlange zorg voor zijn zieke vrouw Joke niet van gekomen. Eenmaal terug in Indonesië ontpopte de immer bescheiden en bedaarde Rob zich tot spraakwaterval. Het ene na het andere jeugdverhaal rolde over zijn lippen. Over het rennen door de rijstvelden, de vliegende honden die hij probeerde te vangen en de malaria die hij kreeg waarna hij dagen lag te ijlen. Maar ook over het ronddrentelen in de keuken om de kookkunsten van moeder Moeilah af te kijken: haar kruidige gerechten zou hij decennia later voor zijn eigen gezin weer op tafel toveren.

De reis in 2013 haalde zoete, maar ook minder prettige herinneringen naar boven. Robs jeugd werd deels overschaduwd door de Japanse bezetting: vader Frans was Knil-militair en gestationeerd op Borneo, waar Rob in 1938 was geboren. In de oorlogsjaren werden de kinderen naar opa en oma in Batavia (het huidige Jakarta) gestuurd. Dat was veiliger.

In die tijd luisterde Rob nog naar zijn Javaanse naam Drajat, die hij moest opgeven toen hij als 12-jarige in Nederland neerstreek. Het gezin vluchtte in 1950 voor de op wraak zinnende onafhankelijkheidsstrijders: als familielid­­ van een Knil-militair was je je leven niet zeker en een opsporingsbevel stond uit. Op een avond vielen de vrijheidsstrijders met kapmessen en bamboesperen hun huis binnen; alles werd overhoopgehaald, maar de la waar pa’s Knil-papieren lagen klemde zo stevig­­, dat de strijders die met rust lieten: hun redding! Drajat wist dat zijn vader nog een handvuurwapen en twee handgranaten bezat en snapte niet dat hij die niet had gebruikt. Later toen hij zelf beroepsmilitair was, wist hij dat zijn vader daarmee juist een bloedvergieten had voorkomen.

Zuurkool met spek

In Nederland wachtte een weinig warm welkom voor de oud-Knil-familie. Ze trokken van pension naar pension: ze woonden enige tijd in Wilde Zwanen – het huidige Singer Museum in Laren – tot ze in een barak van opvangkamp Bos- en Heidepark in Leersum terechtkwamen­­. Hoewel de koks hun best deden­­ met koken, bestonden de maaltijden vaak uit koolraap of zuurkool met spek. Dat was een flinke overgang voor de kinderen. Rob vond er wel veel vriendjes, die hij later nog geregeld sprak tijdens reünies. In Nederland werden nog twee dochters en een zoon geboren: met zeven kinderen was het gezin compleet. De meisjes hadden het hoogste woord in het gezin, zij bepaalden veel; de twee zoons gingen hun eigen gang.

Na zijn opleiding aan de technische school en de middelbare avondschool meldde Rob zich bij defensie. Eerst als dienstplichtig militair en later als beroepsmilitair trad hij in de voetsporen van zijn vader. Hij was een tijd gestationeerd in Luxemburg en bij de militaire oefenterreinen van het Franse La Courtine. Daarna ging hij als technicus bij de landmacht aan de slag.

Op een feestavond van de Arnhemse verpleegkunde-opleiding – waar bewust militairen waren uitgenodigd – ontmoette hij eind jaren zestig de Brabantse Joke Verhoeven. De verkering was al een poos dik aan toen Joke hem mee naar huis nam. Maar niet voordat ze haar ouders op voorhand waarschuwde dat hij wel ‘donker’ was. Gelukkig reageerde haar vader met: ‘Al was hij groen of geel, zolang hij maar goed voor je is’. Dat was Rob zeker. Hij voelde zich snel opgenomen in de Brabantse schoonfamilie en genoot van hun gezelligheid en saamhorigheid.

Uit het huwelijk kwamen twee zoons voort: Marcel en Pascal. Rob was inmiddels korporaal eerste klas bij de luchtmacht. Voor zijn werk verhuisden ze meermaals, ook naar Duitsland, zo woonden ze in de jaren zeventig in de Nederlandse siedlung (wijk) in Hessisch-Oldendorf en daarna in Rinteln. Hij werkte er als monteur en de jongens gingen naar de Nederlandse school. Ze genoten van de gezellige sfeer en activiteiten op de legerbasis. Met schoolreisjes reed Rob de kinderen rond in een grote legerbus en bij de verjaardag van de majoor werd in een speciaal opgezette legertent in reusachtige pannen friet gebakken. In die tijd kookte Rob weer de Indonesische gerechten uit zijn jeugd: hij maakte zijn eigen boemboe. Vaak stonk het hele huis naar trassi.

Vele verhuizingen

Als vader was Rob betrokken, bezorgd en zeer gedisciplineerd. In de tuin ging altijd de overall aan, in de schuur de stofjas en vuurwerk afsteken gebeurde alleen met vuurwerkbril op en handschoenen aan – met de kinderen op veilige afstand. En wanneer hij kwaad werd, iets wat zelden gebeurde, moest je maken dat je wegkwam. Verder werden zijn kinderen behoorlijk­­ verwend, ze kwamen niets tekort. Met Sinterklaas kregen ze eens beiden een stereotoren. Rob zag die verwennerij als goedmaker voor de vele verhuizingen die nu eenmaal bij zijn werk hoorde. Want na het werk op verschillende legerbases in Duitsland werd hij overgeplaatst naar vliegbasis Soesterberg en later naar Volkel.

Rob sleutelde in zijn vrije tijd veel aan de brommers van zijn zoons of auto’s van buren en bekenden. Hij hielp altijd, zei niet snel ‘nee’. Als hobby ontdekte Rob het fotograferen, in hun woning bouwde hij een donkere kamer. Ze hadden het bijzonder goed met elkaar tot Joke in 1989 een ernstig brommer­ongeluk kreeg en enkele dagen in coma lag.

Toen zij ontwaakte was ze halfzijdig verlamd. Joke kampte in de jaren erna met complicaties en aandoeningen. Defensie bood Rob de gelegenheid om op zijn vijftigste met vervroegd pensioen te gaan en zo nam hij de zorg voor zijn vrouw op zich. Hun jongens waren toen zestien en achttien jaar. Het huis werd aangepast, Rob hielp met haar revalidatie. Joke was na het ongeluk niet meer de krachtige vrouw die altijd zo goed wist wat ze wilde. Ze had moeite met haar beperkte bewegingsvrijheid en het feit dat ze afhankelijk van anderen was.

Rob bleef optimistisch en sjouwde Joke overal mee naartoe. Samen maakten ze wat fietstochten: de zuurstoffles ging gewoon achterop de scootmobiel en Rob fietste ernaast. In de dertig jaar dat Rob voor zijn vrouw zorgde klonk er nooit een onvertogen woord. Natuurlijk was het zwaar en was hij het weleens zat, maar daar hoorde je hem niet over. Wel genoot hij extra van de open dagen van de luchtmacht, die hij samen met zijn zoons bezocht. Bij aankomst kocht hij gelijk het petje van die specifieke dag en bewonderde hij de vliegdemonstraties. Zijn lievelingstoestellen waren de B25 Mitchell-bommenwerper en de Hawker Hunter-straaljager: vooral van dat huilende geluid kon hij genieten.

Rob Sangidi toen hij nog Drajat heette.

In 2012 overleed Joke. Rob kon daarna moeilijk zijn draai vinden. De reis naar Indonesië die hij ging maken met zijn zus Martinah en zwager Herman was een mooi nieuw doel. Zolang Joke had geleefd vond hij dat hij niet zo lang weg kon. Nu kon hij de intense reis voluit beleven. Het jaar daarop kreeg Rob last van Parkinson; de bijbehorende tremor irriteerde hem mateloos. Omdat hij niet handig was in het maken van contacten, was hij veel alleen. Zijn jongste zoon regelde een appartement om de hoek, dat scheelde. Ook uitstapjes met zijn kleinkinderen vond hij fijn. Maar het alleen zijn beviel niet: Rob schreef zich stiekem in bij een datingsite voor ouderen en ontmoette Annie – ook uit Veghel. Ze gingen veel op stap: naar Prinsjesdag, het theater en een reisje met de Stichting Zonnebloem. Rob fleurde op.

Vanwege Annie’s hartproblemen kwam ze dit voorjaar in ziekenhuis Bernhoven terecht – midden in het gebied dat later een corona­haard bleek. Rob bezocht haar trouw iedere dag tot hij getroffen werd door het coronavirus en in korte tijd ernstig ziek werd. Ook zijn twee zoons werden door het virus getroffen, net als zijn jongste broer Harry. De familie leek van alle kanten aangevallen door het virus. Vanwege besmettingsgevaar konden zijn zussen geen afscheid van hem nemen en zijn jongste broer lag zelf nog op de intensive care. Zoon Marcel was nog te ziek om bij het sterfbed van zijn ­vader te zijn; alleen de net van corona herstelde zoon Pascal zat aan zijn zijde toen Rob stierf.

Rob (Drajat) Sangidi werd geboren op 23 november 1938 op Borneo (Indonesië) en is op 18 maart 2020 in Uden overleden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden