Vaders en zonen

Vader vindt dat je een vent moet zijn

Programmamaker Nicolaas Veul Beeld Maartje Geels

Dat vaders en zonen in een periode van hun leven botsen, verbaast niet. Dertigers en veertigers van nu hebben vaak vaders die zelf met harde hand werden opgevoed. Hoe ga je om met zo’n vader als je een gevoelige aard hebt? 

Journalist Nils Elzenga (39) schreef een boek over de ingewikkelde relatie met zijn vader na de vroege dood van zijn moeder. Nieuwsgierig geworden naar de verhalen van andere mannen interviewde hij programmamaker Nicolaas Veul, schrijver Murat Isik en cabaretier Roué Verveer over de relatie met hun vader.

‘Als kind stond ik in een overlevingsstand’

Programmamaker Nicolaas Veul (36) kon in zijn jeugd niet anders dan zijn gevoelens onderdrukken. Dat had vooral met de houding van zijn vader te maken. ‘Het voelde té onveilig om mezelf te zijn.’ 

“In 2012 dacht mijn vader dat de wereld zou vergaan. De Maya-kalender hield immers op. Vlak voor het zover was, heeft hij mijn zus en mij nog meegenomen naar de Azoren. Leuk voor ons, maar hij ging er echt van uit dat het onze laatste vakantie zou zijn. Ook al kwam de Apocalyps niet, hij blijft ervan overtuigd dat het einde der tijden zich spoedig zal aandienen. Natuurrampen, immigratieproblematiek en nu het virus: allemaal voorproefjes van de ellende die de mensheid te wachten staat. Dat de meeste mensen zijn ideeën vreemd vinden, boeit mijn vader weinig. Hij combineert de wildste theorieën met nuchtere Amsterdamse koppigheid. Vaak denk ik: wat gebeurt er precies in je hoofd?

Ik heb mijn werk vaak gebruikt om mijn vader beter te leren kennen. Ik interviewde hem over zijn doemdenken, schreef mijn scriptie over complottheorieën, en mijn vader is te zien in mijn documentaire ‘Pisnicht: the movie’. In die zin is hij mijn muze. Ik vind zijn wereldbeeld megafascinerend – juist omdat het 180 graden anders is dan het mijne. In zijn realiteit is wantrouwen het beste wapen om te overleven. Hij ziet overal samenzweringen van corrupte elites – 9/11 was een inside job – en hij vreest dat we overspoeld worden met migranten. ‘Jullie linkse rakkers hebben dat allemaal niet door’, zegt hij dan.

Ook qua karakter zijn we tegenpolen. Vooral vroeger was mijn vader een prototypische ‘kerel’, een bloedfanatieke sportman, eigenwijs, een zelfverklaarde ‘harde’. Hij zat op vechtsporten en ging een potje knokken niet uit de weg. Een leeuw, iemand die zich nooit laat kisten. En ook iemand die je niet boos wilde maken, want dan zwaaide er wat. Dat liet hij ook als vader merken.

Ik ben anders: sensitief, zachter en creatief. Maar voor die kwaliteiten voelde ik weinig ruimte bij hem. Ik moest stoer zijn, flink sporten en over mijn grenzen heen gaan. Zo zou ik ook een kerel worden, dacht mijn vader.

Een jeugdherinnering die me altijd bij is gebleven: ik sta op ski’s ­bovenaan een rode piste en doe het in mijn broek van angst: ‘Ik wil dit niet, ik kán dit niet’. Ik was een jaar of zeven. En mijn vader geeft me zó een zet die berg af. Ik ging steeds harder en heb me in een overlevingsreflex laten vallen; ik heb mezelf gewoon ‘uit’ gezet. En in die stand heb ik nog heel lang gestaan.

Nicolaas Veul met een foto van zijn vaderBeeld Maartje Geels

Mijn vader begreep niet waarom ik anders was, wist niet wat hij met me aan moest. Hij keek naar me en zag een ‘watje’, zei hij weleens. Het wrange is: zijn onbegrip werd langzaam ook het mijne. Het sloeg naar binnen. Wat is er mis met mij, dacht ik vaak. In mijn tienerjaren ontdekte ik mijn homoseksualiteit. En overal zag ik dat homo’s werden gezien als vreemd, minder of zelfs bespottelijk. Mannen die geen echte mannen waren. Combineer dat met het rechtlijnige beeld van mannelijkheid van mijn vader, en je snapt waarom ik mijn gevoelens besloot te onderdrukken. Het voelde té onveilig om mezelf te zijn. Ik wilde het trouwens ook niet, mezelf zijn. In stilte worstelde ik met diepe gevoelens van schaamte.

Ik denk dat mijn zachtheid iets in mijn vader spiegelde wat hij niet goed kon binnenlaten. Misschien ook niet zo gek als je kijkt naar zijn eigen jeugd. In zijn puberteit – ik meen dat hij 16 of 17 jaar was – overleed plotseling zijn vader, op wie hij dol was. Zijn moeder was daar zó kapot

van dat ze kort daarop zelfmoord pleegde. Het spreekt voor zich hoe onvoorstelbaar heftig dat voor hem moet zijn ­geweest. In een gesneuvelde scène van Pisnicht zegt hij daarover: ‘Misschien heb ik emotioneel de deur wel een beetje afgesloten vanwege wat ik als kind zelf heb meegemaakt.’

Op zijn manier probeert hij liefde te geven

Niettemin ben ik lang boos geweest. Op mijn 19de, vlak nadat ik uit de kast was gekomen en vlak voordat mijn ouders gingen scheiden, liet ik mijn vader per brief weten dat ik hem een tijdlang niet meer wilde zien. Die brief was essentieel, ik moest mijn grenzen stellen, maar het voelde als hoogverraad. Met buikpijn deed ik hem op de post. Maar ik wist: ik moet buiten de sferen van het gezin uitzoeken wie ik ben, hoe ik om moet gaan met mijn opvoeding en mijn geaardheid: wat mannelijkheid voor mij betekent. Ik heb mijn vader vier jaar niet gezien. Sindsdien gaat het veel beter tussen ons. Ik zie in dat hij ondanks alles altijd op zijn manier heeft geprobeerd om mij liefde te geven. Hij heeft bijvoorbeeld betaald voor mijn jarenlange therapie, die me onnoemelijk geholpen heeft. En als ik vraag of hij weer eens meedoet aan een nieuw project, zegt hij: ‘Ja natuurlijk jongen. Als jij daar gelukkig van wordt.’ Dat soort dingen doen me enorm goed.

Langzaamaan heb ik meer oog gekregen voor onze overeenkomsten. Zoals een hang naar avontuur. En we houden beiden van lekker eten, maar hebben niet de beste tafelmanieren. Maar het belangrijkst is dat we met elkaar kunnen lachen. Beiden hebben we het liefst grove humor, echt Amsterdams. Laatst moest hij van zijn huis naar de tramhalte, maar hij kan door zijn slechte knieën nauwelijks meer lopen. Dus hij ging op mijn fiets zitten en ik duwde hem naar de halte. Komen we daar wiebelend en schuddend aan, zegt hij: ‘Huppakee, duw jij je oude vader maar onder de tram. Snotjong.’

Of ik zelf vader zou willen worden? Grappig, daar ben ik de laatste tijd wel naartoe aan het groeien. Vroeger dacht ik altijd: ik plant me mooi niet voort. Het voelt te kwetsbaar. Maar steeds vaker denk ik: vader worden lijkt me mooi. En belangrijker, ik zou het misschien ook wel kunnen. Wat zeg ik, misschien juist ik wel, na wat ik heb meegemaakt.” 

NICOLAAS VEUL

Nicolaas Veul (Amsterdam, 1984) is programmamaker bij de VPRO. Met zijn vaste tv-maatje Tim den Besten maakte hij onder meer de documentaire ‘Gay-K’, de series ‘Super Stream Me’ en ‘Oudtopia’ en het kinderprogramma ‘Beestieboys’. Solo maakte hij de serie ‘De westerlingen’ en de documentaire ‘#followme’. Het bekendst is hij om zijn documentaire ‘Pisnicht: the movie’ waarin hij zijn homoseksualiteit en het begrip mannelijkheid onderzoekt. Veul woont samen.

‘Eén keer was hij trots op me’

Murat IsikBeeld Maartje Geels

Schrijver Murat Isik (42) was jarenlang verwikkeld in een complexe relatie met zijn vader, tot die  remigreerde. ‘Ik heb soms heimelijk het gevoel dat ik hem met mijn boek heb verdreven naar Turkije.’ 

“Mijn vader was een trotse man en had een hoge dunk van zichzelf. Hij vond zichzelf geen gastarbeider, maar politiek vluchteling. Hij was geen moslim, maar atheïst, en communist bovendien. Hij was belezen en vond dat hij meer wist dan wie dan ook. Helaas erkende niemand hier in Nederland zijn status aparte, en dat heeft hem zijn leven lang gefrustreerd. Dat hij zijn ambities nooit volledig heeft kunnen verwezenlijken, lag in zijn beleving altijd aan de omstandigheden, aan ‘het systeem’ of aan mijn moeder – nooit aan hemzelf.

Meestal lag mijn vader, die zijn uitkering zag als een ­verworvenheid, thuis te lezen op de bank. Marx en Lenin natuurlijk, en Russische reuzen als Dostojevski, Tolstoj en Tsjechov. Ik ben opgegroeid in een waar boekenpaleis. Aanvankelijk bracht mijn schrijverschap ons dichter bij elkaar. In 2007 won ik mijn eerste literaire prijs voor het verhaal ‘De purperen citroen’. Mijn vader kwam naar de prijsuitreiking en na afloop liepen we samen naar huis. Bij het afscheid keek hij naar me en zei: ‘Ik ben trots op jou’. Het was de eerste en de laatste keer dat hij zoiets zei. Uit zijn mond waren die woorden iets ongekend groots.

Voor mijn debuutroman ‘Verloren grond’, gesitueerd in het rurale Oost-Turkije van mijn ouders’ jeugd, interviewde ik hem uitgebreid. Dat vond hij prachtig, want hij is een geboren verteller. Net als zijn eigen vader, die in de streek beroemd was als verhalenverteller. Door die gesprekken ontdekte ik dat ik een-op-een beter met hem overweg kon dan wanneer mijn moeder erbij was. Als volwassene althans, want als kind was ik altijd op mijn hoede. Vooral tijdens onze jaren in de Bijlmer was hij een licht ontvlambare man die onverwacht in woede kon ontsteken. Zo was ik een jaar of 10 toen ik hem eens beleefd vroeg of hij misschien in de keuken verder wilde eten, zodat het in de woonkamer netjes zou blijven. Met grote ogen gaf hij me schreeuwend de wind van voren, een uitbarsting die ik totaal niet had zien aankomen.

Geen klassieke bullebak

Zulke explosies had hij in die tijd regelmatig. Meestal bleef het bij woorden, maar hij kon ook dreigen met klappen. Soms had ik ineens zo’n vlammende oorvijg te pakken. Daardoor liep ik altijd op eieren. Als ik hem iets wilde zeggen, woog ik eerst zorgvuldig af hoe en wanneer ik de boodschap zou brengen. Alles om te voorkomen dat hij zich op wat voor manier dan ook gekrenkt kon voelen.

Toch was mijn vader geen klassieke bullebak; hij gedroeg zich ook vaak maanden achtereen voorbeeldig. Dan was hij zacht en innemend, en vertelde hij geestdriftig en aanstekelijk lachend over zijn jeugd. Als hij op zijn praatstoel zat, hing ik aan zijn lippen. In zulke fases was hij vrolijk en zat hij vol energie. Hij nam ons mee picknicken of uit varen in de grachten. Volop reuring en vermaak, kortom. Never a dull moment. Ik wil maar zeggen: ik blik niet terug op een getraumatiseerde klotejeugd of zo.

Op mijn 14de kreeg ik mijn laatste oorvijg. Toen heb ik hem gewaarschuwd: nooit meer. En hij heeft inderdaad nooit meer een vinger naar me uitgestoken. Naarmate ik ouder werd, ging het veel beter tussen mijn vader en mij. Verbaal kon ik hem ook steeds beter aan, en zijn driftbuien namen sterk af.

Wel bleef ik na confrontaties altijd bang dat hij zijn woede op mijn moeder zou afreageren. Toen ik uit huis ging, viel mijn rol als beschermer van mijn moeder weg. Ik verliet als het ware het strijdtoneel en werd meer een  soort mediator die beide partijen te vriend moest houden, ook mijn vader. En zoals gezegd: hij waardeerde mijn schrijverschap. In Istanbul zag hij de Turkse vertaling van Verloren grond in boekwinkels liggen. Hij stuurde me appjes waaruit wel bleek hoe trots hij was.

Ik hoorde van mijn moeder dat hij boos op me was

Toen ik ‘Wees onzichtbaar’ ging schrijven, over een jongen die een overlevingsstrijd voert in de Bijlmer, duwde ik hem juist weer van me af. Hoewel ik benadrukte dat het een roman is, vreesde hij dat ik hem in dat boek zou gaan exposen. Hij stuurde me e-mails: of ik wel wist hoe zwaar het allemaal voor hém was geweest. Ik dacht: gaat het wéér over jou. Ik heb niet geantwoord, want ik vond het opportunistisch dat hij op deze manier zijn gezicht probeerde te redden. Van mijn moeder hoorde ik dat hij daarom boos op me was, maar dat durfde hij dus niet recht in mijn gezicht te zijn.

De verwijdering was trouwens ook letterlijk: terwijl ik schreef, remigreerde hij in 2015 naar Izmir, de stad van zijn jeugd. De directe aanleiding was dat hij en mijn moeder nu definitief uit elkaar gingen, maar indirect ontvluchtte hij wellicht ook het boek. Ja, ik heb soms heimelijk het gevoel dat ik hem verdreven heb naar Turkije. Heftig natuurlijk, maar misschien ook onvermijdelijk.

De laatste keer dat ik hem zag, tijdens de familiebijeenkomst waarop mijn ouders besloten te scheiden, hadden we onze ergste ruzie ooit. Nooit eerder was ik zó boos op hem. Ik sloeg met mijn vuist op tafel en verweet hem op hoge toon dat hij keer op keer terugviel in oude fouten en mijn moeder slecht bleef behandelen, hoe vaak hij ook verbetering had beloofd. Mijn uitbarsting was de apotheose van een jarenlange strijd. Ik was zijn streken op mijn 37ste gewoon spuugzat.

Verzoening

Het mooie was: daarna gingen we als gezin een laatste keer uit eten en kwam het al snel tot een verzoening. Een andere vader was misschien eindeloos lang boos gebleven, hij vergaf me binnen een uur. Hij schonk me zelfs zijn peperdure nieuwe fiets. ‘Wat wil je ervoor?’ vroeg ik. ‘Niets’, zei hij. ‘Van mijn zoon neem ik geen geld aan.’ Ter afscheid gaf hij me een hand en glimlachte hij. Dat is het laatste beeld dat ik van hem heb en daar ben ik hem dankbaar voor. Vijf maanden na zijn vertrek – ik had hem niet één keer meer gesproken – was ik in San Francisco. Op mijn verjaardag belde mijn moeder, ik verwachtte felicitaties. Maar ze zei: ‘Je vader is overleden’. Dat kwam als een donderslag bij heldere hemel. Hij was pas 64 jaar en mankeerde nooit wat. Tot die trombose.

Drie weken eerder had ik de oerversie van Wees onzichtbaar af gekregen. Ik was er steeds van uitgegaan: mijn vader wordt woedend als hij het boek leest. Dat vond ik eerlijk gezegd prima, dan waren de rollen eens omgedraaid. Maar dat heeft niet zo mogen zijn.

Na de rouw was er gek genoeg ook opluchting: de eeuwige strijd was voorbij, de dreiging weg. Ergens lijkt het voorbestemd dat mijn zoon Thorgan, die twee jaar na mijn vaders dood werd geboren, zijn grootvader nooit zal kennen. Terwijl mijn vader wel een leuke opa was. Die ijdele man, met dat immer perfect gestileerde kapsel, rolde gierend over de grond met mijn neefje. Mooi, maar ik dacht ook: met mij heb je dat nooit gedaan, terwijl je het dus wél kan! Best pijnlijk.

Na mijn vaders dood was ik bang dat ik mezelf onze laatste confrontatie zou verwijten. Maar na zijn uitvaart droomde ik over hem: ik zag dat mooie laatste beeld van hem, die warme glimlach van bij ons afscheid. Die verdreef al mijn schuldgevoelens.” 

MURAT ISIK

Murat Isik (Izmir, 1977) kwam op zijn 5de met zijn moeder en zus vanuit Turkije naar Nederland, in navolging van zijn vader, die wegens zijn communistische ­activiteiten moest vluchten. In 2012 debuteerde Isik met ‘Verloren grond’. Vijf jaar later volgde ‘Wees onzichtbaar’, bekroond met onder andere de Libris Literatuur Prijs en de Boekhandelsprijs. Zijn Boekenweekessay uit 2019, ‘Mijn moeders strijd’, verschijnt eind april in een uitgebreide editie. Isik woont samen en heeft een zoon en dochter.

Roué VerveerBeeld Maartje Geels

‘Ikzelf heb dat starre minder’

Cabaretier Roué Verveer (47) genoot een traditionele Surinaamse opvoeding. Zijn vader was een principiële man.‘Tegenwoordig kun je kinderen niet meer zo kort houden.’ 

“Mijn vader was de grappigste man die ik ooit heb gekend, ook al heeft hij nooit één grap verteld vanaf een podium. Hij kon iedereen aan het lachen maken. Nooit met bestaande moppen hè, hij improviseerde altijd ter plekke. Als kind keek ik naar hem en vroeg ik me af: ‘Hoe doet-ie dat toch?’ Nu zeggen mensen hetzelfde over mij, dat humor me zo moeiteloos af gaat.

Zelf heeft mijn vader nooit gedacht: ik moet méér doen met dit talent. In Suriname had je in die tijd gewoon geen professionele stand-upcomedy of cabaret. Je was hooguit grappig thuis, op het voetbalveld of in het café. Mijn verhouding met mijn vader is altijd goed geweest. Helder. Ik wist als zoon wat de regels waren thuis en daar hield ik me aan. Hij wist als vader wat zijn taken waren en die vervulde hij. Zo ging dat vroeger in Suriname, en zo hoort het ook, vind ik.

Mijn Surinaamse vrienden hebben allemaal die strenge opvoeding gehad, en ze kijken daar allemaal met tevredenheid op terug. Als vader doe ik het nu dus ook grotendeels hetzelfde. Mijn zoons zijn daardoor beleefde jongens. Mensen vinden het tegenwoordig een applaus waard als een kind ‘u’ zegt en ‘dankjewel’. Dan gaan ze echt helemaal los. Terwijl ik dan denk: dat is toch de normaalste zaak van de wereld? In Nederland willen ouders koste wat kost vrienden zijn met hun kinderen. Dat vind ik vreemd.

Kinderen weten meer dan wij vroeger

Sommige dingen pak ik wel anders aan dan mijn vader. Ik bespreek bijvoorbeeld meer met mijn zoons. Als mijn vader vroeger ‘nee’ zei en ik vroeg ‘waarom’, dan vond hij dat brutaal. Dat accepteerde ik, maar als een van mijn zoons wil weten waarom ik hem iets verbied, leg ik hem dat gewoon uit. Dan hebben we daar een gesprek over. Ik heb niets gemist, want ik wist niet anders, maar mijn aanpak levert wel een hechtere band op. Ik prijs de traditionele Surinaamse opvoeding niet klakkeloos de hemel in, begrijp me goed.

Je kunt kinderen trouwens ook helemaal niet meer zo kort houden, want ze weten door al die technologie gewoon meer dan wij vroeger. Dat je doof kunt worden van aftrekken, vroeger een veelgebruikt devies in christelijke gezinnen, geloven kids van nu écht niet meer. Vroeger konden ouders hun kinderen veel wijsmaken.

In Paramaribo wilden mijn ouders me altijd binnen hebben voor het donker. Dus vertelden ze me spookverhalen over een begraafplaats vlak bij ons huis, dat er daar na het invallen van de duisternis van alles en nog wat engs rondliep en zo. Ik zal je vertellen: nog steeds, als ik daar ben, rijd ik niet graag langs die begraafplaats.

Als je weggaat, moet je nooit meer terugkomen

Mijn vader was een principiële man, misschien soms een beetje té. Hij heeft mensen recht in hun gezicht gezegd dat hij ze nooit meer wilde spreken, en dan wisselde hij ook echt de rest van zijn leven geen woord meer met ze. In dat soort dingen was hij heel rechtlijnig. Weg is weg, vond hij. Dat betekent: als je weggaat bij een vrouw moet je het zeker weten en ook nóóit meer terugkomen. Dus als je het niet zeker weet, moet je blijven en de ruzie uitvechten. Twee weken later met hangende pootjes terugkeren is geen optie. Dat is een gevleugelde uitspraak geworden in mijn vriendenkring. Ikzelf heb dat starre minder.

Op mijn 18de vertrok ik naar Nederland. Gek genoeg vond ik het verlaten van mijn ouderlijk huis helemaal niet moeilijk. Het ging zo slecht in Suriname dat iedereen die het zich kon permitteren zijn kinderen wegstuurde, vaak naar Nederland omdat daar familie zat, of naar Miami, voor mensen die veel geld hadden. Het was heel spannend, zo’n nieuw land. Ik was veel te druk met ontdekken om mijn ­ouders echt te missen.

Dat vertrek heeft er wel voor gezorgd dat ik een stuk ­ondernemender ben dan mijn vader – of misschien zat dat er altijd al wel in bij me, ik weet het niet. Hoe dan ook was mijn vader een klassieke ambtenaar. Zijn filosofie was simpel: je werkt hard en dan krijg je aan het einde van de maand salaris. Dat houd je veertig jaar vol en eindig je met een degelijk pensioen, en dan heb je een goed leven geleid. Zo is het precies gegaan. Samen met mijn moeder heeft mijn vader in Paramaribo heerlijk van zijn oude dag genoten.

Roué Verveer met een foto van zijn vaderBeeld Maartje Geels

In zijn geordende leventje was muziek zijn uitlaatklep. Hij was achtergrondzanger en speelde bongo in een tamelijk bekende band, Orchestra Popular, die altijd optrad in drie-delig pak. Zuid-Amerikaanse muziek, zijn grote liefde, maar ook Surinaamse nummers. Van tijd tot tijd werd hij gevraagd voor een andere band, die speelde in het Palace Hotel, destijds het bekendste hotel van het land. En thuis draaide hij vinyl. Veel Cubaanse muziek die ik vroeger niks vond maar die ik nu, precies zoals hij voorspelde, veel luister. Het herinnert me aan mijn jeugd.

Mijn oudste zoon Randy was 7 jaar toen mijn vader in 2006 overleed, mijn jongste werd dat jaar geboren. Jammer dat Julian zijn opa niet meer heeft meegemaakt, want als mijn vader Randy zag, bestond er niemand anders meer in de wereld. Hij stond Randy dingen toe die ik vroeger ­absoluut niet mocht. Cola bijvoorbeeld, dat spul kocht hij speciaal voor hem. Ik vind dat wel mooi. Ouders moeten ­immers opvoeden, terwijl grootouders moeten verwennen. Ja toch?

Op een dag verliezen we allemaal onze ouders

Of ik mijn vader erg mis? Ja natuurlijk wel, maar ik ben ook nuchter over zijn dood. Ik bedoel: op een dag verliezen we allemaal onze ouders. Dat nuchtere heb ik trouwens ook van hem. Op zijn sterfbed zei hij: ‘Ik heb een mooi, rijk leven gehad, jullie zitten er goed bij, het is goed zo’. Mijn leven in Nederland begon toen net goed op gang te komen, de zalen raakten gevuld, dus ik miste hem voor zijn dood ook al niet dagelijks, zeg maar.

Sowieso ben ik niet iemand die bij de pakken gaat neerzitten als het leven niet helemaal loopt zoals ik wil. Ik probeer te genieten van wat er wél goed gaat. Zo wilde ik eens binnen een bepaalde tijd 10 kilo afvallen. Aan het einde van die periode was ik 9 kilo kwijt. Dan kun je twee dingen doen: jezelf die ene kilo verwijten, of die 9 kilo vieren. Mag jij raden wat ik gedaan heb.

Precies zo vier ik ook de 73 jaren die mijn vader heeft gekregen op deze aarde. Ik denk nog vaak aan hem. Dan zie ik ons zitten babbelen op zijn veranda en hoor ik hem grappen en anekdotes vertellen. Dat zijn warme herinneringen.” 

ROUÉ VERVEER

Roué Verveer (Paramaribo, 1972) kwam op zijn achttiende vanuit Suriname naar Nederland. In 1999 werd hij lid van het Amsterdamse stand-upcomedygezelschap Comedytrain, sinds 2002 geeft hij eigen cabaretshows. Ook treedt hij geregeld op met collega’s, zoals de afgelopen jaren de uitverkochte shows ‘Gabbers’ 1, 2 en 3 in de Ziggo Dome. Verveer doet geregeld mee aan tv-programma’s en spreekt films in. Hij is getrouwd en vader van twee zoons.

Lees ook:

Mijn vader was een overtuigd nazi, toch?

Ook de Duitsers werden in mei 1945 bevrijd. Maar schaamte staat viering in de weg, schrijft Jaap Robben.

Opvoedruzies door corona: Wat als vader zich ineens veel meer met de opvoeding bemoeit?

Nu vader thuiswerkt, bemoeit hij zich tot ergernis van moeder opeens met de opvoeding van de kinderen. Hoe kunnen zij daar het best mee omgaan?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden