Topsportkinderen

Topsport vraagt offers. Maar is het normaal om die al van kinderen te vragen?

Beeld Joren Joshua

De schokkende verhalen deze zomer over misstanden in de Nederlandse turnwereld roepen veel vragen op. Hoeveel druk ligt er op kinderen die een topsportcarrière ambiëren? Is de prijs niet te hoog? Trouw duikt in hun dagelijkse werkelijkheid.

Ja, natuurlijk twijfelt hij weleens of dit het allemaal waard is. Lucas is vijftien jaar en zeer talentvol als turner. Hij leeft volgens een strak topsportregime. Opstaan, trainen, school, trainen, naar bed. En dat iedere dag weer. Wie hem vraagt hoeveel uur per week hij traint, krijgt zonder een seconde bedenktijd het antwoord: 27 uur.

De 4 vwo-leerling glimlacht verlegen. “Vooral nu met coronatijd twijfel ik soms. Ik heb meer met vrienden kunnen afspreken en af en toe dacht ik: ik zou nu kunnen stoppen en net als andere kinderen naar feestjes kunnen en samen dingen doen. Maar tegelijk bedenk ik me dan waarom ik dit doe en dan wil ik toch doorgaan. Ik vind het te leuk om te turnen.”

Lucas (15) tijdens de training op de rekstok.Beeld Sjaak Verboom

Als Lucas over de kick vertelt die hij voelt als hij na een jaar oefenen eindelijk een bepaalde draai op de brug kan, stralen zijn ogen. “Een nieuw element doen, is heel spannend. Ook door die spanning ben je heel blij als het lukt.”

Verlegen, maar ogen vol passie

Topsportkinderen in Nederland. Dat zijn verlegen glimlachjes, maar ook ogen vol passie. De wetten van internationaal succes eisen dat er al op jonge leeftijd hard getraind wordt. Dat roept veel vragen op, onderstrepen de recente getuigenissen van oud-turnsters. Zij leden naar eigen zeggen onder praktijken van trainers die het belang van het kind volledig uit het oog verloren. Prestaties stonden voorop, van een gezond pedagogisch klimaat was geen sprake – met tal van uitwassen tot gevolg: van mentale intimidatie tot fysieke uitputting.

Topturner Ronan (17): ‘Turnen is een sport die heel veel eist, fysiek en mentaal’.Beeld Sjaak Verboom

Hoewel dit verhalen zijn uit het verleden waarschuwt lector sportpedagogiek Nicolette Schipper van Veldhoven dat ook anno 2020 de prestatiegerichtheid nog te vaak een te zware stempel drukt op de omgang met topsportkinderen. Waar blijft het belang van het kind als het al op jonge leeftijd in een topsportprogramma terechtkomt? Wat zijn de gevaren, ook voor de rest van zijn leven? En hoe kun je die voorkomen?

Regie nemen in het eigen leerproces

In de gangen van de Heerenveense school OSG Sevenwolden heerst de hectiek die past bij een middelbare school. Decibellen vullen de gangen. Maar in een kleine vleugel op de tweede verdieping wordt zacht gepraat. Het is een oase van rust. Eén leerling krijgt uitleg van een leerkracht, een ander neemt de voortgang met een studiecoach door. De rest van de scholieren maakt huiswerk. Dit is het Talentencollege Noord (Tan) waar de 26 grootste sporttalenten van de school hun onderwijs volgen. Lucas is een van hen.

Deze leerlingen krijgen geen klassikaal onderwijs. Ze bepalen zelf wanneer ze komen; sport is leidend voor hun dagindeling. Alex de Lange coördineert hun onderwijsprogramma. Regie nemen in het eigen leerproces staat centraal, verklaart hij. “Het is natuurlijk makkelijk als een docent zegt: dan moet je die toets maken. Wij draaien het om: wanneer denk je zelf dat je klaar bent voor die toets? Dan leer je je eigen verantwoordelijkheid te pakken. Dat is voor deze kinderen misschien nog wel belangrijker. Ze komen veel dingen tegen, ook zichzelf. We willen ze leren zelf afwegingen te maken. Je hoopt dat ze dan minder kwetsbaar zijn.”

Toen Lucas nog in een gewone klas zat, wist hij nooit wanneer hij zijn huiswerk kon maken. Tijdens de lessen moest hij opletten en na school wachtte altijd de turnzaal. “Nu kom ik naar school en maak daar mijn huiswerk. Ik hoef daar nu minder over na te denken.” Ronan (17) schuift aan. Ook hij is topturner. Tot zijn verdriet heeft hij nog nooit in een gewone klas gezeten. “Ik ben benieuwd naar de verhalen van mensen die niet aan topsport doen. Hoe zij het hebben. Ik heb nog nooit in een volle klas gezeten. Dat gevoel ken ik niet en dat vind ik nog steeds heel jammer.”

De talenten krijgen individueel onderwijs onder toezicht, zonder vaste ­schooltijden. Ronan zit vooraan op de foto.Beeld Sjaak Verboom

Topsport vraagt offers, maar is het normaal om die al van kinderen te vragen? Uitputting ligt op de loer, net als een onveilig klimaat. Vooral de sport van Lucas en Ronan ligt wat dat betreft de laatste tijd onder een vergrootglas en daar balen ze van. Ronan: “De buitenwacht ziet misschien alleen ons eentonige levensritme, maar elke dag is juist anders. Turnen eist heel veel, fysiek en mentaal. Daarom is elke dag eigenlijk een uitdaging. Elke dag is een avontuur.”

Zelfstandigheid stimuleren

Toen de school de opdracht kreeg passend onderwijs te regelen dat de sportcarrière van deze leerlingen niet in de weg staat, werd er bewust gekozen voor een manier van lesgeven die de zelfstandigheid stimuleert. Altijd handig voor kinderen die zich soms middenin loyaliteitsconflicten bevinden en vaker dan leeftijdsgenoten met intimidatie te maken krijgen. Toch is er besloten om geen eerste- en tweedeklassers meer toe te laten tot het TAN – zoals Ronan destijds. De Lange: “Het is beter gebleken om die jonge scholieren niet ook in het onderwijs al in afzondering te zetten.”

Sportpsycholoog Rico Schuijers denkt dat kinderen die topsport bedrijven vaardigheden opdoen waar ze de rest van hun leven wat aan hebben, in vergelijking met leeftijdsgenoten leren ze bijvoorbeeld eerder plannen en omgaan met teleurstellingen. “Maar een te uniforme identiteitsontwikkeling is een gevaar. Dus dat je jezelf alleen maar kent als topsporter. Dat je waarde als mens afhangt van je prestaties. Bij het voorkomen daarvan kunnen school en andere sociale contacten belangrijk zijn. Ik noem dat streetwise worden. Je moet gewoon een keer ruzie hebben gehad na schooltijd. Alleen als jij altijd meteen na school naar de training gaat en daarna meteen naar bed, wordt dat lastig. Dan mis je een deel van de ontwikkeling die als gezond geldt voor een kind.”

In een serviceflat, tussen bejaarden

Maartje (18) verliet een jaar geleden haar ouderlijk huis in Kampen om in Heerenveen op topniveau te kunnen judoën. Ze is ook een leerling van het Tan en woont nu in een serviceflat samen met andere topsporters tussen de bejaarden. “Het was wel even wennen om op mezelf te wonen, maar ik ben nooit eenzaam geweest. Mijn vrienden uit het judo heb ik hier 24/7 om me heen en de ouderen vragen vaak hoe het gaat.”

Maartje (18) is judoka. Ze verliet een jaar geleden het ouderlijk huis. Ze woont met andere topsporters in een serviceflat. ‘Het was even wennen, maar ik ben nooit eenzaam geweest.’Beeld Sjaak Verboom

Op de gang van haar flat, met versleten bloemetjestapijt, staat een rollator naast een deur. Niets verraadt dat hier ook topsporters wonen, of het moeten de oranje deuren van de appartementen zijn. “Maar dat is toeval”, lacht Maartje. Ze is even thuis. Vaak heeft ze één uurtje op de dag voor zichzelf, maar dan moet ze meestal rusten. Soms doet ze een middagdutje. “Ik begin om kwart voor acht ’s ochtends met krachttraining en kom om half elf ’s avonds thuis na de laatste training. Dat is wel echt slopend.”

Ze deelt een tweepersoonsappartement met een andere judoka. Haar kamer ziet eruit als een studentenkamer. Gezellig rommelig, met een groot bed en dito tv. Wat wel opvalt is de weegschaal in het midden van de kamer. Het illustreert de focus op gewicht die haar sport kenmerkt. “Daar zijn veel mensen in het judo over aan het stressen.”

Zelf moest ze als tienermeisje ook heel vaak veel afvallen. Ze kwam uit in de gewichtsklasse -57 kilogram, maar woog eigenlijk 62 kilo. Met een laag vetpercentage bleef alleen vocht verliezen over om kilo’s kwijt te raken. Een diëtiste gaf advies, maar Maartje had het gevoel dat die tips niet genoeg hielpen. “De meeste judoka’s vallen af door te crashen. Ik ook.” Dat betekent in de aanloop naar een wedstrijd niet drinken, veel zweten in een heet bad en kauwgom eten – ‘want dat geeft het gevoel dat je vocht in je mond hebt’. Ze is blij dat ze recent is overgestapt naar een hogere gewichtsklasse.

Haar oudere broer deed ook aan topjudo. Hij is inmiddels gestopt. Maartje twijfelt niet. Ze haalt goede resultaten en wie wil de uchi mata nou missen? “Als je tijdens een wedstrijd die worp kan maken, geeft dat zo’n fantastisch gevoel.” Zou ze aan de bel durven trekken als de druk haar te veel wordt, de verwachtingen haar benauwen of als ze toch fantaseert over een normaler leven? Zeker, zegt ze stellig. “Ik heb genoeg mensen om naartoe te gaan.” Ze noemt haar studiecoach op school en haar lifestylecoach bij Topsport Noord.

Loyaliteit ligt ingewikkeld

De instanties die betrokken zijn bij de begeleiding van de jonge topsporters in Heerenveen hebben de afgelopen jaren een aantal veranderingen doorgevoerd. Noem het voortschrijdend inzicht. “Het kind moet weer als kind gezien worden”, zegt Annelies Kolder van de regionale topsportorganisatie Topsport Noord. “Is dit nog steeds wat het kind wil? Daarvoor moet je als omgeving blijven waken.” Dat weet De Lange ook van zijn ervaringen op school. “Loyaliteit ligt voor deze kinderen vaak ingewikkeld. Iedere sporter weet wat zijn ouders hebben geïnvesteerd. Dat maakt dat kinderen die eigenlijk willen stoppen vaak iets te lang doorgaan, denk ik.”

Topsport Noord heeft nu trapsgewijs hulp georganiseerd, van een facilitair medewerker die de kapotte lamp in de serviceflat vervangt en heel laagdrempelig een praatje met de sporters maakt tot aan de door Maartje genoemde lifestylecoach en meerdere psychologen. Kolder: “Die turnverhalen van de laatste tijd blijven hoop ik echt verhalen van lang geleden. Wij hebben de laatste jaren het hele systeem omgebouwd en een open trainingsomgeving ingevoerd. Geen dichte sportzalen meer waar trainers konden schreeuwen of erger. Tegenwoordig loopt ook de fysio bij de trainingen rond, de masseur. Er kijken meer experts mee­.”

Ook is er bewust besloten om veel ­minder met gastgezinnen te werken. Laat kinderen zo lang mogelijk in hun eigen sociale omgeving. Voor kinderen van de basisschoolleeftijd heeft Topsport Noord nu de constructie van twee scholen: een in de buurt van het ouderlijk huis en een in Heerenveen voor die ene dag in de week dat er daar twee trainingen gepland staan.

De gastouders weten niets van shorttrack

Middelbare scholieren Suze (15) en Jenning (16), leerlingen van het Tan, wonen wel bij een gastgezin, sinds ze gescout werden voor het KNSB Talent Team Noord. De shorttrackers komen allebei uit Groningen en het voelt vertrouwd om nu bij hetzelfde gastgezin te zitten. Hun gastouders weten niets van shorttrack, wat ze als een grote plus zien. Suze: “Dan hoeft het niet altijd over sport te gaan.”

Suze (15) is shorttracker. Ze woont van dinsdag tot vrijdag bij een gastgezin. ‘Als je vanaf je jonge jaren gewend bent aan de prikkel van het winnen, wil je die niet meer missen.’Beeld Sjaak Verboom

Vooral Jenning twijfelde aanvankelijk of hij wel wilde verhuizen. “Ik vond mijn reguliere school in Groningen heel leuk. Maar ik denk dat als ik in het gewest was gebleven, ik nu niet meer geschaatst had. De lol zou er snel vanaf gaan als ik een achterstand op concurrenten zou oplopen. Dan wordt topsport meteen minder. Ik vind het leuk om te winnen. Daar train ik voor.” Suze begrijpt dat. “Als je vanaf je jonge jaren gewend bent aan de prikkel van het winnen, wil je die niet meer missen.”

Ze vullen elkaar aan, en steunen elkaar – wat best bijzonder is voor individuele sporters maar normaal is in het shorttrack. Wie bij een training in Thialf kijkt, ziet hoe wat vroeger Jong Oranje heette als team met elkaar omgaat. Voordat ze het ijs opgaan lachen en dollen de shorttrackers met elkaar. Iemand is haar handschoen kwijt. Paniek is er allerminst. De sfeer oogt ontspannen. Even later snellen ze met vijftig kilometer per uur over de baan. Diep zitten en schuin hangen, dat is de kick. Zonder gevaar is het niet. Een mede-scholier heeft neptanden en een tien centimeter groot litteken in zijn gezicht na een botsing en een andere jongen van het Tan is ­blijvend blind aan één oog.

In teams van vier lossen ze elkaar af en duwen ze elkaar. Als in de relay tijdens wedstrijden; op snelheid in groepjes. Het teamgevoel helpt om het leven als topsporter vol te houden, denken ze. Jenning: “Vrienden uit Groningen zeggen weleens dat ze een drukke dag hebben. Wij hebben dat eigenlijk 24/7. Al onze dagen zijn volle dagen. Aan het eind van iedere dag ben ik echt heel erg moe.” Suze: ­“Fysiek is het heel zwaar. ­Mentaal ook wel. Je moet echt een goede mindset hebben om een zware training goed te kunnen doen.” Jenning: “Huilende teamgenoten horen erbij. Dan troosten we elkaar, maar we hebben nooit medelijden.”

Suze: “Shorttrack is een hele technische sport. Als je even de slag niet te pakken hebt, kan het zo slecht gaan. Ik heb de neiging om dan te veel na te denken over hoe ik moet schaatsen. Dat moet minder. Ik ben nu heel erg zoekende. Als ik dan baal na een training, helpt het als Jenning zegt ‘acht wat boeit het, je bent de jongste van het team’.” Jenning: “Ik probeer ervoor te zorgen dat ze niet in de put raakt. Daar was ik vroeger zelf een ster in. Het klinkt misschien gek, maar ik heb dat juist dankzij de topsport afgeleerd. Shorttrack is vallen en opstaan.”

Suze: “Als topsporter train je zoveel dat je eraan went dat het niet altijd goed gaat. De ervaring leert je op een gegeven moment dat het altijd wel weer goed komt.”

De moeder van Suze, Helen Goudemond, heeft al in geen maanden een training gezien. “Hoe ouder ze worden, hoe meer de sport ook hun ding wordt. Dat is prima.” Ze is er inmiddels aan gewend dat Suze van dinsdag tot vrijdag in een gastgezin verblijft en is blij dat haar dochter in de weekenden soms vrienden van haar oude school kan opzoeken. “Bij hen is ze gewoon Suze. Het is goed dat ze niet alleen de schaatser is.”

Wat is een opoffering?

Maar is het nog oké als sport zo’n dominante rol speelt dat zelfs het gezinsleven deels wordt opgeofferd? Twijfels of ze dit leven moet willen voor haar dochter, heeft Goudemond nooit gekend. “Omdat we daar heel erg over in gesprek zijn met Suze. Dan praten we bijvoorbeeld over opofferingen. Wat is een opoffering? Wat de een als een opoffering ziet, ervaart de ander niet zo. Het gaat om hoe Suze het voelt.”

Suze en Jenning tijdens de shorttracktraining.Beeld Sjaak Verboom

Ook als ouders van topsporters maak je een ontwikkeling door, legt Helen uit. Gaandeweg verandert het waardepatroon. “Toen Suze klein was, hoorden we dat iemand met zijn kind naar een wedstrijd in België ging. En wij dachten: helemaal naar België? Later zijn we zelf heel Europa doorgereisd. Je groeit er als ouder in mee. Het eerste paar schaatsen koop je voor dertig euro op Marktplaats, het tweede kost driehonderd, het derde duizend.”

Wat onveranderd is gebleven, is de continue zorg die een topsportouder voelt. Dat merkt ze nu de winter weer nadert. “In de zomer is het zo lekker dat je niet bij ieder hoofdpijntje en elke verkoudheid in de stress hoeft te schieten. Het is zo’n kwetsbaar randje, van wel of niet goed schaatsen. En ik gun het haar zo dat ze haar dromen kan waarmaken.”

Invloed van ouders is enorm

Sportpsycholoog Schuijers geeft af en toe lezingen aan ouders van topsportkinderen. “Een cursus ‘hoe word ik een goede ­topsportouder’ bestaat niet, terwijl de invloed van ouders enorm is. Ik hou mijn ­gehoor altijd voor dat hun gedragingen onder te verdelen zijn in ‘the good, the bad and the ugly’. Onder de eerste noemer fungeert de ouder als taxibedrijf, stopt er veel geld in en steunt het kind vooral. In het tweede geval verwachten ouders dat het kind er veel voor doet. En ronduit ugly wordt het als jouw kind jouw droom moet verwezenlijken en dat daar ook sancties op staan.”

Bianca Dalrymple is ouder van de negentienjarige Georgie, leerling van het Tan en lid van de nationale selectie shorttrack onder leiding van bondscoach Jeroen Otter. Zij vindt het dubbel om een kind te hebben dat aan topsport doet. “Aan de ene kant is het leuk om te zien dat je kind zich volledig op iets focust, op iets positiefs. Maar aan de andere kant is het ook best wel intensief. Het brengt voor mij als moeder heel veel emoties met zich mee. Als ik zie dat ze er zo hard voor werkt en het niet zo gaat zoals zij wil – want ja, het gaat natuurlijk niet altijd over rozen - vind ik dat heel lastig. Ik voel me dan zo machteloos.”

Shorttrack is een dure sport. Schoenen kosten al snel tussen de 1000 en 2000 euro, en dan heb je nog niet eens ijzers. Verder zijn er snijvaste schaatspakken nodig, een bril met kogelvrij glas dat niet versplintert, skeelers en een racefiets van duizenden euro’s. Bianca en haar man hebben ‘elke steen moeten omdraaien’ om de sportcarrière van hun kinderen te kunnen bekostigen – het jongere broertje van Georgie doet ook aan shorttrack. “Ik ben fulltime gaan werken en mijn man heeft naast zijn werk nog bijbaantjes aangenomen, zoals ­afwassen in een strandtent.”

De ene topsporter is de andere niet

Niet iedere sport vraagt hetzelfde. En de ene topsporter is de andere niet. Hugo is een ­zogeheten reguliere Loot-leerling op OSG Sevenwolden. Hij is vijftien, zit in 4 vwo en woont in het weekend bij een gastgezin in Utrecht omdat hij daar eredivisie waterpolo speelt. Hij zou ook graag op het Tan ­zitten, maar omdat hij geen status heeft als internationaal of nationaal talent komt hij daar niet voor in aanmerking. “Daar zijn mijn ouders ook wel boos over geweest. Tuurlijk is het nu gezellig om in een klas te zitten, maar ik zit voor mezelf op school. Het Tan zou voor mij veel relaxter zijn. Nu moet ik alles zelf regelen. Als ik lessen mis, moet ik die zelf inplannen om bij te blijven.”

Lucas: ‘Ik vind het te leuk om te turnen’.Beeld Sjaak Verboom

Op OSG Sevenwolden zitten ruim 120 Loot-leerlingen. Als zij onder schooltijd willen trainen, moeten ze ontheffing aanvragen. Daar hebben ze wettelijk recht op, al moet het wel in overleg met de school. Loot-begeleider Marc Horsten probeert mee te denken met de scholieren, maar bewaakt ook hun schoolprestaties. “Sommige van deze leerlingen en hun ouders willen de sport eigenlijk al op één zetten, maar het zijn nog maar beloftes. Een groot deel verdwijnt binnen twee jaar uit de roulatie.”

Jorian (17) volgt ook het Loot-programma. Hij zit in 5 havo. Zijn sport is goed te combineren met klassikaal onderwijs. Als zwemmer traint hij ’s ochtend van half zes tot half acht en ’s middags ook na schooltijd. Al bij het diplomazwemmen viel hij als ­talent op en daarom stroomde hij door naar het wedstrijdzwemmen. “Mijn ouders ­zeggen altijd: ‘je bent wel heel goed in zwemmen, daar moet je mee doorgaan’. Maar dat bedoelen ze nooit dwingend, eerder meedenkend.” Twee jaar geleden zwom hij zijn eerste Nederlandse limiet. “Als je dan op de NK staat, denk je wel: hier heb ik al die tijd keihard voor lopen trainen.”

Plezier moet vooropstaan

Nicolette Schipper van Veldhoven, lector sportpedagogiek aan de hogeschool Windesheim, vindt dat kinderen best aan topsport kunnen doen, mits dat op een verantwoorde manier gebeurt. En daar schort het in ­Nederland volgens haar nogal eens aan. “Een kind mag nooit een instrument worden van trainers of ouders. Het plezier en de groei van het kind moeten vooropstaan. Het doel is te vaak de medaille, terwijl het doel zou moeten zijn het kind helpen zich te ontwikkelen.”

Beeld Sjaak Verboom

“Ouders en trainers laten zich nog te vaak leiden door oude aannames: zoals dat afsnauwen erbij hoort op het sportveld. En waarom zou een kind nooit naar een feestje mogen? Dat is ook belangrijk. Maak afspraken dat dat niet de week voor een belangrijke wedstrijd kan. Er is nieuwe kennis waar in de sport te weinig mee gebeurt. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat positief ­coachen ervoor zorgt dat het kind plezier in de sport houdt én dat er prestaties komen. Ondertussen laat je ook het kind heel.”

Topsport op scholen

In Nederland zijn ongeveer vierduizend middelbare schoolleerlingen officieel erkend als topsportkinderen. Zij volgen onderwijs op 29 zogeheten Topsport Talentscholen, voorheen bekend als Loot-scholen. Sporttalenten worden ingedeeld in categorieën. Hoe groter het talent, hoe meer het onderwijs wordt aangepast. Er bestaat een wettelijke regeling die minder lestijd voor deze leerlingen mogelijk maakt.

Een van die scholen is OSG Sevenwolden­­ in Heerenveen. De grootste talenten met een internationale of nationale status kunnen daar vanaf de derde klas op het Talentencollege Noord (Tan) terecht. Dat is volgens TAN-coördinator Alex de Lange ‘een soort schooltje binnen de school’. Het onderwijs wordt voor deze leerlingen helemaal aangepast aan hun sport.

De reguliere Loot-leerlingen en de kinderen in klas 1 en 2 van wie verwacht wordt dat ze later doorstromen naar het Tan volgen gewoon klassikaal onderwijs, alleen met vrijstellingen, roosteraanpassingen en minder lesuren.

Turner Lucas van vijftien is soms verdrietig na een training. “Als mijn moeder dat ziet, zegt ze altijd: ‘als je niet meer wil, als je het allemaal niet meer aankan, dan mag je ­gewoon stoppen’.” Lucas is al twee jaar achter elkaar Nederlands allround kampioen ­geworden, maar nog altijd zenuwachtig voor een wedstrijd. “Omdat ik mezelf zo’n grote druk opleg, omdat ik moet winnen.”

Turncollega Ronan (17) had daar ook ooit last van. “Vroeger was het bij mij zo slecht dat ik niet meer kon slapen, dat mijn armen zwaar waren van de spanning. Ik kon alleen maar denken: gaat het goed of niet? Toen ben ik naar een sportpsycholoog geweest. Ik was toen veertien, vijftien jaar. Dat heeft mij heel erg geholpen. Ik leerde ­ademhalingsoefeningen om rustig te blijven. Nu ga ik het beste om met de druk door vooraf verwachtingen te stellen. Hoe ging het de laatste trainingen? De dingen die goed gingen, geven vertrouwen. En door wat er mis ging, ben ik er op voorbereid dat het bij de test ook een keer mis kan gaan.”

Lucas had het nog niet zo lang geleden moeilijk. Hij zat toen naar eigen zeggen ‘te struggelen’ met de dubbele salto met draai. Die lukte niet op commando. “Ik had mezelf niet meer onder controle. Dat was stressen. Ook de gewone dubbele salto durfde ik op een gegeven moment niet meer. Inmiddels kan ik die wel weer, maar de dubbele met draai nog steeds niet. Het is wel belangrijk dat ik dat weer ga doen.” Hij zegt het monter, en lacht verlegen. 

Youri Beugelsdijk

Youri Beugelsdijk: Als tiener kreeg ik te maken met zoveel ­jaloezie

Oud-leerling Youri Beugelsdijk (23), vier jaar geleden gestopt met zwemmen“Voor mij werd de combinatie van sport en school op een ­gegeven moment te veel. De kans bestond dat ik mijn ­diploma niet zou halen. Dat ging in mijn kop zitten, waardoor het zwemmen ook minder liep. Ik heb er toen voor gekozen om te stoppen. Dat was heel moeilijk. Zwemmen was mijn passie. Ik had er zoveel voor gelaten, vooral sociaal. Maar met zwemmen kun je niet zoveel verdienen, dus ook na een eventuele topsportcarrière moet je gaan werken. Hoe zou dat moeten zonder schooldiploma? Toch heb ik geen spijt van mijn topsport­jaren. Het was geweldig ­Nederlands kampioen te worden en ik heb er veel van geleerd. Vooral schijt hebben aan de ­mening van anderen. Als tiener kreeg ik te maken met zoveel ­jaloezie. Trainingsmaatjes die me opeens geen gedag meer zeiden omdat ik sneller zwom. Dat heeft me gekwetst, maar je wordt er wel snel volwassen door.”

Vivianne MiedemaBeeld BSR Agency

Vivianne Miedema: Het is goed af en toe niet met voetbal bezig te zijn

Oud-leerling Vivianne Miedema (24), spits van het Nederlands voetbalelftal en Arsenal“De laatste twee jaar van mijn middelbare schooltijd zat ik op het Tan. Daar heb ik alle hulp gehad. Op een normale school was het veel moeilijker geweest een diploma te halen. Ik was zoveel weg met mijn club Heerenveen, er bleven maar tien lesdagen per maand over. Zestien was ik toen ik uit huis ging. In Heerenveen woonde ik met zeven andere sporttalenten in een flat. Dat was fijn. We zaten allemaal in hetzelfde ritme. Ik zit nog in een appgroep met oud-leerlingen. Niet iedereen is verder gegaan in de sport, maar Suzanne Schulting bijvoorbeeld wel. Dit jaar ga ik weer studeren: business and management aan de open universiteit in Engeland­­. Het is goed af en toe niet met voetbal bezig te zijn. Komt mijn havo-diploma alsnog van pas. Vanochtend moest ik mijn cv invullen: ‘havo, OSG Sevenwolden’. Dan denk je weer even terug­­ aan die tijd.”

Kai VerbijBeeld ANP

Kai Verbij: Toen ik inzag hoeveel iedereen zich moest aanpassen voor mij, kreeg ik het lastig

Oud-leerling Kai Verbij (25), tweevoudig wereld­kampioen schaatsen“Tijdens mijn tiener­jaren heb ik nooit veel last gehad van pres­tatiedruk. Het kwam me eigenlijk wel aanwaaien. De juniorentijd vond ik heel leuk. Ook de verhuizing van mijn ouderlijk huis in Zuid-Holland naar een serviceflat in Heerenveen was prima te doen. Ik heb daar van mijn zeventiende tot mijn negentiende gewoond, de periode waarin ik op OSG Sevenwolden zat. Het was gezellig met leeftijdsgenoten in een bejaardenflat. Ik ben het pas daarna mentaal pittiger gaan vinden. Toen ik ouder werd, realiseerde ik me hoeveel er ingeleverd moet worden voor een topsportcarrière. Niet alleen door mezelf, ook door anderen in mijn omgeving. Als je jong bent, heb je dat niet door. Toen ik inzag hoeveel iedereen zich moest aanpassen voor mij, kreeg ik het lastig. Daar voelde ik druk van. Want als je het leven omgooit voor de topsport, dan wil je wel resultaten zien, toch?”

Justen Zuidema

Justen Zuidema: Er zit slijtage in mijn schouders, rug en enkel

Oud-leerling Justen Zuidema (24), twee jaar geleden gestopt met turnen: “Mijn lichaam wilde op een gegeven moment niet meer. Er zit slijtage in mijn schouders, rug en enkel. Daarom besloot ik om me volledig op mijn hbo-opleiding te richten. Spijt van mijn topsportjeugd heb ik zeker niet. Terugkijkend zou ik het hooguit eerder aangeven wanneer ik ergens last van had, in plaats van door te gaan tot ik niet meer kon. Verder kijk ik vooral positief terug op die jaren, op de reizen die ik heb mogen maken en de mensen die ik heb ontmoet. Ik ken de verhalen over de turnwereld. Ja, je moest hard trainen maar ik heb zelf nooit slechte ervaringen gehad. Het was mooi om met een doel voor ogen te leven: de Olympische Spelen. Dat ik dat uiteindelijk niet heb gehaald, vind ik nog steeds lastig. Soms voelt het als falen, maar als ik dan weer denk aan hoe bijzonder het is wat ik heb mogen meemaken, weet ik dat dat niet zo is.”

Auteur Esther Scholten (1972) heeft inter­nationale betrek­kingen gestudeerd in Utrecht. Ze is sportverslaggever van Trouw. Sjaak Verboom (1957) is fotograaf. Hij is gespecia­liseerd in portret- en documentaire­fotografie. 

Verhalenserie

Trouw belicht in een serie het fenomeen topsportkinderen. Wat zijn de gevaren als iemand op jonge leeftijd alles op alles zet voor een carrière in de sport? Maar ook de mooie kanten van zo’n doelgericht leven komen aan bod. ­Rode draad is de vraag hoe het kind onder die omstandigheden kind kan blijven. Heeft u een reactie of wilt u ­eigen ervaringen ­delen? Mail naar sport@trouw.nl.

Lees ook:

Aan hun haren door de turnhal gesleept: hoe is die turncultuur ontstaan?

Tientallen turnsters komen naar buiten met verhalen over mishandeling en intimidatie. Hoe heeft het zover kunnen komen? Een reconstructie.

Ook de topsport heeft baat bij een focus op plezier

De georganiseerde sportwereld is enkel gericht op presteren. Juist andere waarden zouden leidend moeten zijn, stelt Gea Groenendijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden