Texel krijgt zijn eiland terug

Beeld Getty Images

Gewoonlijk spuwt de veerboot van Texel deze voorjaarsweekenden hordes toeristen uit. Nu is het er stil, doodstil. Alsof het eiland even is teruggereisd in de tijd. Sommige eilanders genieten er stiekem van merkt Lodewijk Dros, geboren en getogen op het eiland.

Groot is ze, per uur en soms per half uur varen op de veerpont tussen Den Helder en Texel tot wel driehonderd auto’s mee. Nu vaart de boot minder vaak en zijn het er nog maar een stuk of dertig. Femke Kegel ziet het al weken van nabij, ze woont pal naast de veerhaven, in het gehucht ’t Horntje. “Dat dóet wat, dat er zo weinig mensen komen”, zegt Kegel. Haar coachpraktijk staat even in coronapauzestand. “Ik woon hier nu twintig jaar en je krijgt het gevoel dat je je eiland even terugkrijgt. Dat hoor ik vaker om me heen.” Mooi, al die toeristen, geld in het laatje, maar ze verslijten niet alleen huurfietsen, ‘na het seizoen zit er ook op je geest wat sleet’.

Die vermoeidheid herken ik wel. In mijn Texelse jeugd had je in de zomer een hoogseizoen, wat drukte verder op in het jaar, en dan ademde het eiland weer uit. Nu golft het nog altijd, maar echt laag water wordt het niet meer. Op de site van de Texelse Courant reageert een inwoonster op mogelijke versoepeling van de lockdown: “Dan kunnen we hier op Texel weer ons hart ophalen met toeristen” – twee verdriet-emoticons – “vindt het eerlijk gezegd wel effe prima zo.”

Zimmer mit Frühstück

Ik rijd stapvoets langs de boerderij waar ik geboren ben. Geboerd wordt er niet meer. Achter de ruilverkavelingsboerderij staat een geheel gemoderniseerd zomerhuisje dat rond 1970 begon als omgebouwd varkenshok. Het was een welkome bijverdienste. In een paar caravans huisden twee Amsterdamse gezinnen en ’s zomers trokken Duitsers in de grote slaapkamer voor Zimmer mit Frühstück. Ze raakten bevriend met mijn ouders, ik noemde ze oom en tante. Logiesverstrekking heette ‘gaste houwe’, alsof het over kippen ging.

Volgens Elsevier was het hele Waddengebied toen al ten onder gegaan in ‘een zondvloed van toerisme’; alleen ‘Vlieland en Schiermonnikoog houden zich met de moed der wanhoop staande’. Dat was het oordeel van een behoudzuchtige buitenstaander. De Waddenvereniging peilde hoe de bewoners er zelf over dachten. Die waren overwegend positief, vanwege de inkomsten en de voorzieningen waar ze van meegenoten. ‘Op alle eilanden, met uitzondering van Texel, is recreatie nu de belangrijkste bron van inkomsten.’

De Waddenvereniging zelf was somberder gestemd – hun publicatie droeg de onheilspellende titel ‘Eilanden onder de voet’. Het duurde niet lang of ook op Texel had de badgast de boel economisch overgenomen van de boer en de visser. Het toerisme groeide onstuimig door. Begin deze eeuw signaleerde een Wageningse sociologieprofessor dat het ‘allesdoordringend’ was geworden. De eilanders hielden geen gasten meer, ze wérden gehouden. De nieuwe levensbron werd een bron van ergernis, hoeveel geld er ook uit op-spoot.

Blijvertje

Toch is het toerisme een blijvertje op de Wadden. Of het, zoals onderzoekers over Terschelling meldden, tot de ‘lokale identiteit’ behoort, betwijfel ik, maar de vijf bewoonde Waddeneilanden drijven erop. Eens was het een zegen, de komst van vakantiegangers na de oorlog, want de grond was voor akkerbouw niet zo geschikt. Al bood de (wal)visserij enig soelaas, het was de recreatie die de eilanders uit eeuwenlange schraalte bevrijdde. Inmiddels is de afhankelijkheid compleet, van elke tien eilanders leven er acht tot negen van het toerisme. Op YouTube verschijnen aandoenlijke filmpjes van neringdoenden die de klandizie uitnodigen om, als het weer kan, vooral terug te komen.

Ik rijd rustig naar Paal 17 aan de westkust. Op de parkeerplaats staan twee auto’s, zelfs bij slecht weer heb ik daar nog nooit zo weinig gezien. De oproep ‘blijf thuis’ heeft gehoor gevonden. De frisgeverfde paviljoens liggen erbij als een opgedofte bruid die net te horen heeft gekregen dat de hele trouwerij is afgeblazen.

Zomerparadijs

Het strand biedt zich aan als in mijn jeugd. ‘Ongerepte duinen, zalige, verlaten witte stranden’ – het citaat komt van Lonely Planet, zo lokte de reisgids in 2014 de hele wereld naar Texel. Voor 2020 had de gids iets dergelijks in petto, nu voor de andere vier eilanden. Kom naar dit ‘zomerparadijs’ als je overvol Amsterdam wilt ontvluchten!

Ik onderdruk de gedachte dat Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog bespaard is gebleven wat Texel door Lonely Planet was overkomen – nog meer toeristen erbij. De ironie is dat juist nu alles stilligt de reisgids gelijk heeft: zonder filerijdende e-bikes zijn de duinen ongerept en de weidse, schone stranden verlaten. Wat een verrukking. De oorzaak is een medische en economische zweepslag, maar ik vind het stiekem heerlijk.

Op dit strand kom ik Frits van Exter weleens tegen, de oud-hoofdredacteur van Trouw. Hij woont net als ik in Amsterdam, met een pied-à-terre op Texel. Ik bel hem op en herinner hem aan zijn woorden uit een boek waar we beiden aan meewerkten. Hij schreef dat hij liefst ziet ‘dat het eiland terugreist in de tijd. Texel roept bij mij ernstige behoudzucht op. Ik wil het ook niet met meer mensen delen, liever met minder.’

Beeld Getty Images

Lege bankrekening

“Heb je nu je zin?” vraag ik hem. “Ja, maar dit was niet de bedoeling. Ik voel me zelfs wat schuldig dat ik er nu zit, ik hoef er niet te zijn, ben er ook als een dief in de nacht heen gereden. Het eiland is leger, ik ben op mijn wenken bediend ja, maar het is moeilijk om ervan te genieten, wetend dat de eilanders hun bankrekening leeg zien lopen.” Daags erna stuurt hij een fotootje van een desolate strandopgang. Bijschrift: guilty pleasure.

In het bos zit een gezin naast de auto op een weitje. Als naoorlogse bermtoeristen hebben ze de thermoskan en boterhammen meegenomen. Verder rijd ik, dwars over het eiland. Het VVV doet alsof het nog altijd een boeren- en vissersoord is. Met de natuurpracht en de onvermijdelijke jutters is dat het aas om welvarend bezoek binnen te hengelen. Ik had al gezien dat er meer musea met jutgoed zijn dan jutters. Nu ik nauwelijks hoef te letten op dolende toeristen en jakkerende locals, komt de rest van de waarheid aan het licht. Geen vakantierumoer overstemt meer de stilte die na mijn jeugd was gevallen, door schaalvergroting en het verdwijnen van meer dan de helft van alle boeren, van de venters en kruideniers die de boerderijen afgingen, boekje op zak, van de koeientekenaars, de melkrijders en de loonwerkers, van het los volk ’s zomers op het land.

Onder de dijk doorrijdend zie ik een stakenwoud van kunststof masten boven de dijk uitsteken, van de scherpe jachtjes in de passantenhaven. Die ligt er net zo stil bij als de oude haven met de kotters. Ik bel mijn verre neef Cor Trap, walschipper van de TX 14 ‘Grietje’; onze gezamenlijke overgrootvader was een van de grondleggers van de Noordzee-visserij.

De crisis raakt het vissen, zegt Trap in het Tessels, niet vanwege die anderhalve meter afstand, dat is onbegonnen werk aan boord, maar doordat de horeca platligt. “We benne overstapt van tong op skol. Want tong is een restaurantvis.”

Met de vloot gaat het niet best, maar dat was voor de crisis al zo. Onze overgrootvader voer op een van de 188 schepen met het visserijnummer TX. Vandaag, zegt Trap, zijn er nog acht grote kotters over.

Voorbij Oudeschild ligt de Hoge Berg: 15 meter is in vlakland hoog. De weggetjes tussen de tuinwallen zijn uitgestorven. Na de 1,2 miljoen gasten van vorig jaar komt deze dagen het oude, lege Texel, beschreven in een vreemdelingengidsje uit 1928 tevoorschijn: ‘Geen claxon verscheurt de stilte. Het gerinkel van de telefoon is U hier een vage herinnering.’

Op de 17de-eeuwse stolp De Waddel is het lammertijd. De ‘lammerij’, zegt Marjon Bakker, telg van een schapenfokkersgeslacht, ‘is een fijne bubbel’. Met een leven dat zich afspeelt op het erf, tussen het wolvee. Het is nu drukker dan anders, want stagiairs zijn er niet. “Ik ben om zes uur begonnen”, zegt Bakker. Met haar broer houdt ze om en om het lammeren van de ooien in de gaten. Soms helpen ze. “Mijn nichtje Fleur van acht leert nu verlossen, ook de andere kinderen werken volop mee: hokken instrooien, flesjes geven. Net als vroeger, dat zou anders niet gebeuren.”

Bewaarkaas

Nu is de melk nog voor de lammetjes, vanaf mei legt Marjon Bakker zich toe op het kaasmaken. Door het wegblijven van de toeristen en de sluiting van de horeca is de vraag naar schapenkaas en lamsvlees afgenomen. “Wat we straks gaan maken, zal wel vooral bewaarkaas zijn.”

Wat brengt de toekomst na de crisis? Visserman Cor Trap ziet hoe bij Texelse bedrijven en zzp’ers ‘het vet eraf vliegt’. “Dat begróót me, daar zullen we nog wel even aan denken. Maar we zijn kort van memorie, dus na een paar jaar gaat alles z’n gang weer.” Schapenboerin Marjon Bakker hoopt dat we oog blijven houden voor elkaar, liever dan dat we ons weer op materie storten.

Coach Femke Kegel heeft zich voorgenomen om de nieuwe routine van één keer per week boodschappen doen, vol te houden. “Dan word je ook maar één keer verleid tot impulsaankopen.” Oud-hoofdredacteur Frits van Exter gelooft niet dat we anders gaan leven. “En als er al iets verandert in de anderhalvemetertijd, dan is het dat je die goedkope charter naar Mykonos wel kunt vergeten. En die gasten willen toch naar een eiland.” Met een zucht: “Wordt het hier juist drukker.” 

Lees ook:

Het oerrecept van Texel: Eÿerlandtsche Struyf

Een jonge kunstenaar beschreef in de 18de eeuw een wandeling op Texel. Lodewijk Dros kreeg de tekst in handen en vroeg zich af wat deze Pieter Kikkert toen als ‘verversching’ zou hebben gegeten? Een zoektocht naar het oerrecept van Texel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden