Slapende vrouw aan de rand van het terrein van Veldwijk, 1991.

TerugblikVeldwijk

Terug naar Veldwijk, het landgoed van mijn jeugd, dat van psychiatrische inrichting in een woonwijk verandert

Slapende vrouw aan de rand van het terrein van Veldwijk, 1991.Beeld Hollandse Hoogte / Guido van Dooremaalen

Wie Ermelo zei, zei Veldwijk. Dorp en inrichting waren verweven. Het halve dorp werkte er, winkeliers leverden er hun spullen. Trouw-redacteur Ally Smid groeide er op en ziet nu hoe het landgoed waar decennialang psychiatrisch patiënten in paviljoens woonden van gedaante verandert.

Onze vaders waren militair of ze werkten ‘op Veldwijk’: het psychiatrisch ziekenhuis dat in Ermelo – langs de spoorlijn tussen Harderwijk en Putten – een 120 hectare groot landgoed met zorgpaviljoens bestreek. In de jaren zeventig begon mijn vader er als kapper van patiënten, later was hij er hoofd van de interne dienst en beheerder van het personeelscentrum.

Wij waren als gezin vergroeid met Veldwijk. Ik ging er als kind naar de bibliotheek, waar ze verantwoorde christelijke boeken hadden, en kreeg er heilgymnastiek voor mijn rug. Mijn ouders tennisten er op de tennisbaan, terwijl mijn zusje en ik in het bos eromheen dennenappels zochten. Mijn nichtje trouwde er in de Lukaskerk en mijn vader had aan de rand van Veldwijk zijn moestuin. Ook toen hij met de vut ging, picknickten we nog op de geblokte kleedjes die op de tafels in zijn personeelsrestaurant lagen.

En ik werkte er als scholier in de zomervakanties. Ik maakte schoon op de gesloten afdeling van paviljoen Hoogerhout, waar Flip werd verpleegd die elke keer als hij mij zag vroeg wanneer hij zich voor de trein zou gooien. Een aardige, zenuwachtige, slungelachtige jonge man. De eerste keer schrok ik me te pletter, maar hij herhaalde zijn vraag elke keer weer als een mantra, waardoor het bijna een liedje werd. “Ik zou het niet doen”, zei ik dan steeds, “er zijn mensen die dat heel erg zouden vinden. Ik ook.” Ik weet niet of het hielp, maar de ernst van het grotemensenleven kreeg ik al poetsend mee, al voelde het niet drukkend.

Ik telde, ook voor Flip, de rustgevende oxazepammetjes, diazepammetjes en lorazepammetjes in apotheek De Maat op het terrein, deed ze in doosjes die bij de verschillende paviljoens werden rondgebracht. En ik hielp demente ouderen met eten in het geriatrische paviljoen De Hooge Riet.

Als kinderen speelden we tussen schoffelende patiënten in blauwe overalls

Toen wij als gezin in 1969 vanuit ons Groningse dorp in Ermelo kwamen wonen, huurden we tot ons nieuwbouwhuis klaar was een oud huis aan de rand van Veldwijk. Zo speelden wij als kinderen tussen de schoffelende patiënten in hun blauwe overalls. Psychisch zieke mensen noemde iedereen toen nog patiënten. Zo herinner ik me Speek nog goed: een lieve oude man zonder gebit, die niet rechtop kon lopen en toch elke zaterdag ons grind kwam aanharken en altijd even een praatje maakte. Hij hoorde bij ons leven in het weekend.

Van de Utrechtse hoogleraar geschiedenis van de psychiatrie Joost Vijselaar (63) begrijp ik dat vooral de protestants-christelijke terreinen er zo mooi bij lagen. Vandaar. “Die waren echt goed onderhouden. In de paviljoens van de christelijke psychiatrische inrichtingen heerste in het begin echt rust, reinheid en regelmaat, met vaste gebruiken als gebed, bijbellezing en kerkgang.” Het paviljoenstelsel op Veldwijk, vertelt hij, had bij de oprichting in de 19de eeuw ook een heldere indeling: aan het begin van het terrein had je de paviljoens voor de ‘rustige’ patiënten, daarna voor de ‘half onrustige’ en aan de achterkant de ‘onrustige’.

Patiënt Speek met de jongste dochter van het gezin Smid, eind jaren zestig.Beeld familiearchief

Het christelijke Ermelo was met recht een zorgdorp. Want er was ook nog Groot Emaus, het orthopedagogisch behandelcentrum. En natuurlijk Sonneheerdt, waar de blinden woonden.

 ‘Ooit een normaal mens ontmoet? … En, beviel het?’ 

Het is prima als je al vroeg weet dat het in de hersenpan bij sommigen anders zit en het leven niet voor iedereen vanzelf gaat. Zo groeide ik ook op met mijn zwakzinnige oom Geert. We haalden hem bijna elk weekend op in zijn paviljoen op ’s Heerenloo, een paar kilometer verderop. Hij zat dan heel tevreden bij ons thuis met zijn stapel ansichtkaarten, die hij in een kwartier allemaal had bekeken, zodat hij van bovenaf opnieuw kon beginnen. Vaak hadden we dikke pret met hem.

Ik dacht dat op elke puberkamer in de jaren tachtig ‘Ooit een normaal mens ontmoet… En beviel het?’ hing – de spiegelposter van stichting Pandora die streed tegen vooroordelen over (ex-)psychiatrisch patiënten. Want wat normaal was, was maar de vraag. Veel ‘niet-normalen’, niet-aangepasten, vond ik eigenlijk leuker dan ‘normalen’.

Pandora werd in 1964 opgericht door de Nederlands-Amerikaanse zakenman Arnold Louis van Ameringen. Het was de tijd van de anti-psychiatrie, de beweging waarvan Jan Foudraine in Nederland de anti-psychiater bij uitstek was. Foudraine was de man die in 1971 ‘Wie is van hout…’ schreef, het boek dat afrekent met de scheiding tussen psychisch zieken en gezonden. In Nederland en Vlaanderen verkocht hij meer dan tweehonderdduizend exemplaren.

Alsof psychisch zieken onmondig zijn, schreef hij, en zo als wilsonbekwaam ding (‘als van hout’) kunnen worden behandeld, met medicijnen en elektroshocks. Een psychiatrische inrichting zou juist een ‘school’ moeten zijn ‘om te leren leven’, waarbij het personeel zonder uniform ‘van mens tot mens’ met de opgenomenen omgaat, die medeverantwoordelijk worden voor hun eigen herstel.

De Gekkenkrant en het patiëntenparlement

Het was de tijd van socioloog Herman Milikowski met zijn proefschrift ‘Lof der onaangepastheid’, en van de Gekkenkrant, met Geert Mak als redactiemedewerker. Psychiatrisch zusterziekenhuis Wolfheze, elders in Gelderland, behoorde in de jaren vijftig al tot de voorhoede van de beweging die alles anders wilde, weet hoogleraar Vijselaar. “Daar hadden ze zelfs een patiëntenparlement. In Wolfheze werd ook in 1961 de eerste beschermde woonvorm op het terrein zelf gebouwd, het wonen onder toezicht.” Eind jaren zestig drong de democratiseringsbeweging verder door in Santpoort, Deventer en Heiloo.

Onder leiding van Veldwijk-voorlichter en oud-Haagse Post-journalist Eelke de Jong fuseerde in Ermelo in de jaren zeventig het personeelsblad met het patiëntenblad. Zo kon schrijver Gerard Reve op het omslag van dat blad De Brug ineens zeggen: “Er is niets tegen waanzin, zolang Gods zegen erop rust en er bovendien een systeem in zit”. Niet alle werknemers konden dat waarderen. De meesten wilden gewoon weten wanneer het volgende personeelsuitje was en of er verder nog dienstmededelingen waren.

Soms wist je dat een vader of moeder van iemand uit de buurt ook op Veldwijk was beland. In de war. Doorgedraaid. Die ‘zat’ dan op Veldwijk. Ik hoorde dat moeders met migraine er weleens mee dreigden: “Hou op! Straks kom ik nog op Veldwijk.”

Een klasgenoot die ineens niet meer naar school kwam en allerlei dingen van de grond op ging rapen, kwam er echt terecht. Eén keer zag ik hem dat ook doen. Hij was daar een tijd ‘intern’, wat betekende dat hij er sliep en elke dag therapie kreeg. We gingen een keer met een clubje van school naar hem toe, maar het bleef bij één keer. We stuurden geloof ik nog een kaart, maar ik hield geen contact. Raar eigenlijk.

Paviljoen Heuveloord op het terrein van Veldwijk.

Anno 2020 was de rode loper voor hen uitgerold

Voor zo’n clubje klasgenoten hadden zorgverleners anno 2020 de rode loper uitgerold. Want niet alleen therapeuten, ouders en familie, maar juist vrienden en klasgenoten kunnen iemand helpen erbovenop te komen. Margreet Timmer (46), die al 26 jaar verpleegkundige is op Veldwijk, weet er alles van: “We hebben nu veel meer aandacht voor het netwerk rond iemand. We werken met een team van sociotherapeuten, maatschappelijk werkers, psychologen en psychiaters, samen met familie en vrienden, veel meer dan vroeger richting herstel.”

Timmer is blij dat de separeerruimtes zijn verdwenen, die hokken zonder ramen met alleen een kaal bed en een wc-pot aan de muur. “Er zijn nu comfort rooms, prikkelarme kamers, waar iemand onder begeleiding even tot rust kan komen. We zijn vooral bezig met vroegsignaleren, in plaats van separeren.”

Ze kent de problemen in de ggz, met de wachtlijsten en het tekort aan hulpverleners, maar vindt de zorg veel beter geregeld dan voorheen: “Vroeger was het: straffen en belonen, en nu: samenwerken, waarbij vrijwel alles bespreekbaar is. Er is nu veel meer aandacht voor een gezondere leefstijl: sporten, minder medicijnen, buitenlucht en gezonder eten. Vroeger dronken patiënten de hele dag door koffie, en de meesten rookten, vaak zware shag. Binnen. Kun je het je voorstellen? Nu is er meer thee, limonade zonder suiker en decafé-koffie, zodat cliënten ook beter slapen. Vroeger sliepen ze vaak slecht, dat was achteraf niet zo raar.”

Als kind had ze nooit gedacht dat ze ooit op Veldwijk zou gaan werken. Met haar ouders kwam ze er wel in de kerk, waar ze het tussen de patiënten altijd ‘een beetje raar’ vond en ‘eng’. Het stemt haar een tikje melancholiek dat het ziekenhuisterrein nu echt verandert, en dat die verwevenheid tussen dorp en Veldwijk wegvalt. “Ik weet van winkeliers in het dorp die elkaar op de hoogte houden van het wel en wee op Veldwijk, ze kennen de cliënten die er boodschappen komen doen.”

Nieuwbouw en ‘niet-patiënten’ in Veldwijk

Vijftien jaar terug verrezen er aan de oostkant van het terrein ineens een paar appartementenblokken voor niet-patiënten. Dat was het begin, er volgden ook huizen met tuinen, en vorig jaar werd bekend dat bijna het hele terrein tot woonwijk wordt omgetoverd. Met kantoren en horeca. Vanaf 2023, zo lees ik in de Stentor, komen er geleidelijk aan 440 huizen op het terrein te staan. De woningnood is hoog in Ermelo, dus wethouder wonen Laurens Klappe is blij, vooral met de ‘mooie mix tussen behoud van het landschap en woningbouw’. De nieuwbouw moet passen in de landelijke Veldwijk-stijl, lees ik nog.

Weg Veldwijk. Het is natuurlijk het gevolg van de al lang veranderde psychiatrische zorg, waarbij mensen met psychische nood niet meer met een ‘familiaal ideaal’ in paviljoens opknappen of volgens sommigen ‘worden weggestopt in de bossen’. De meesten krijgen zorg thuis of elders buiten het terrein. Opnames van mensen op het terrein nemen drastisch af – in de jaren zeventig waren dat er zo’n duizend, nu nog driehonderd per jaar.

Verpleegkundige Timmer ziet uiteindelijk vooral voordelen van de gedaanteverandering van Veldwijk. Ze merkt aan de cliënten, zoals ze nu heten, die elders in Ermelo of in Putten wonen, zelfstandig of met anderen, dat ze daarbij gedijen. “Een jongen van ons die nu zelfstandig in Putten woont, doet het heel goed. Thuis wonen en niet meer opgenomen zijn, is wat je steeds meer ziet. Maar ja, inderdaad, er lopen ook meer verwarde mensen op straat. En verslaving is meer dan voorheen een probleem.”

Hof van Chevalier, het nieuwe appartementencomplex op het Veldwijkterrein.

Historicus Vijselaar zegt het sentiment van het verdwijnende landgoed te herkennen. Hij begon in 1977 met zijn eerste baan in het Provinciaal Ziekenhuis Santpoort, als medewerker van het psychiatrisch museum. “Een deel van de patiënten in Santpoort voelde zich toen onbetwist veilig in zo’n hechte gemeenschap. Die geborgenheid van toen is verdwenen, die vervlochtenheid ook met een dorp.”

Maar los van die verdwenen geborgenheid maakt Vijselaar zich zorgen om het stigma van mensen die anders zijn, ‘waar het tegenwoordig niet al te best mee is gesteld’. “De lof der onaangepastheid zal nu niet snel meer worden bezongen. Een herleving van bekommernis is zeer welkom”, zegt Vijselaar en hij wijst op de actie die het Dolhuys in Haarlem is begonnen om stigma’s te bestrijden. Samen sterk zonder stigma, is het motto. Stichting Pandora, dat zichzelf ooit ophief, kan zo in ere worden hersteld.

Steeds minder bewoners

Wie de onttakeling van Veldwijk met lede ogen aanziet, is maatschappelijk werker en journalist Gert Hofsink (61), die sinds 1976 op Veldwijk werkt. “Veldwijk zit in m’n genen”, zegt hij. Hij begon als kok in de centrale keuken, werd daarna activiteitenbegeleider en is nu alweer jaren maatschappelijk werker – half in de langdurige zorg op het terrein, half in de ambulante zorg. Hij verslond ‘Wie is van hout’ en zag de vernieuwing binnen de psychiatrie zich voltrekken: “Er kwamen open dagen voor familie, zomerfeesten met cliënten en familie. Er  waren voorstellingen, ook voor geïnteresseerde Ermeloërs.

Hofsink zag hoe het aantal bewoners drastisch terugliep. “Het zorgsysteem veranderde, zorginstellingen moesten meer hun eigen broek ophouden. Het beheer van de gebouwen drukte meer op het hele budget van

Veldwijk.” Hij maakte ook mee hoe paviljoen de Klinkert (bouwjaar 1900), met een open en gesloten opnameafdeling, in 2006 al werd getransformeerd tot kinderdagverblijf.

Haijo Smid, kapper op Veldwijk. Jaren zeventig.Beeld Familiearchief

Om de begraafplaatsen op Veldwijk van huizenbouw te redden, lukte het Hofsink ze tot gemeentelijk monument te verklaren, waardoor de graven niet geruimd werden. Samen met zijn vrouw Natalie Overkamp beschreef hij in het boek ‘Grafstenen krijgen een gezicht’ de biografie van bekende en minder bekende overleden Veldwijk-bewoners. Onder hen ook Willemina van Gogh (1862-1941), de zus van kunstschilder Vincent van Gogh, die in 1902 op Veldwijk werd opgenomen ‘onder invloed van hallucinaties’.

Schalt een man over het terrein: ‘Groeten van de detox!’ Ik riep: ‘De groeten terug!’ 

Veel panden op Veldwijk staan inmiddels leeg. Andere gaan nog tegen de vlakte. De verkoop van het vastgoed levert GGZ Centraal, zoals Veldwijk nu na ettelijke fusies heet, ongetwijfeld miljoenen euro’s op, weet Hofsink. “Mocht je nog geld overhebben, dan kun je nu je slag slaan”, zegt hij. Zelfs het hoofdgebouw, midden op het terrein, staat te koop.

Ik ga weer eens kijken, op een zaterdag in juni. Het hoofdgebouw ziet er verlaten uit. De meeste ondersteunende diensten die erin zaten, zijn al verkast naar Amersfoort. De midgetgolfbaan ernaast, die wij vroeger spectaculair vonden, heeft zo veel verroeste onderdelen dat niemand er zelfs maar aan denkt om er een balletje te slaan.

Aan de oostkant van het terrein komt een stel net het bos uit lopen, richting hun nieuwe huis dat in paviljoenachtige stijl is opgetrokken. Vertaler Marije Elderenbosch en systeembeheerder Wietse Muizelaar, beiden begin veertig, zeggen hier sinds half december ‘zeer naar tevredenheid’ te zijn neergestreken, na eerder in Hilversum te hebben gewoond.

Elderenbosch: “Je komt hier de kleurrijkste mensen tegen, vanochtend nog iemand die onze hond Tammo ‘kikkertje’ noemde, heel grappig. Het is fijn dat er minder standaard mensen wonen. Je hebt de leukste gesprekken.” Muizelaar: “Laatst scharrelden we hier wat rond met onze hond en onze kat. Schalt een man over het terrein: ‘Groeten van de detox!’ Ik riep: ‘De groeten terug!’ Hij blij. En wij ook. Dat zijn geweldige momenten.”

Lees ook:

In het gesticht kon je in de jaren dertig ook je lastige familieleden kwijt

Het is vandaag openbaarheidsdag in de nationale archieven. Trouw dook in de dossiers van de inspectie van de krankzinnigenzorg en stuitte op vreemde zaken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden