null

Plattelandsidylle

Terug naar het dorp, waar de goede buur nog bestaat en er tijd is voor een praatje

Beeld Renate Beense

Nu hij de drukke, anonieme stad achter zich liet, geniet dertiger Gerrit-Jan KleinJan van de rurale idylle waar hij een jaar geleden naartoe verhuisde. Stilte, aardige buren, open haard. Maar haalt het dorp echt het beste in hem naar boven?

Gerrit-Jan KleinJan

Een heerlijke nazomerdag. Onder de bomen achter ons huis legt buurman Cees, die een paar huizen verderop woont, de laatste hand aan een geïmproviseerd buffet. Hij rangschikt bier en wijn, borrelnoten en chips. Zodra hij mijn vriend en mij in het vizier krijgt, gebaart Cees – een krasse fysiotherapeut in ruste – naar de versnaperingen. “Tast toe, tast toe”, roept hij. Meteen daarna: “Ik had het al gezegd, maar doe het gewoon opnieuw: welkom in ons dorp”.

Terwijl we de tuintafel met drank en spijs nog bestuderen, komt buurvrouw Else al aangesneld. Ze wappert met een velletje papier. Speciaal voor de nieuwelingen fabriceerde zij een plattegrond van de straat. Bij elk huis heeft ze de namen van de bewoners gezet. “Dan weten jullie ook hoe iedereen heet”, zegt zij. Ruim dertig mensen staan er op de lijst. Dat is onze nieuwe buurt.

Die buren staan nu onder de bomen achter de huizen druk met elkaar te praten. Er klinkt gelach. Ergens plopt de eerste fles rode wijn open. “Eindelijk zien we ­elkaar weer”, roept iemand. Vanwege corona was de laatste buurtborrel alweer een tijdje geleden. Vrijwel iedereen is op komen dagen. Mijn vriend en ik kijken elkaar aan. Ja, dit is onze nieuwe woonplek: een dorp waar het sociale cement tenminste nog op z’n plek zit. De bewoners doen hun best om er samen wat van te maken.

null Beeld Renate Beense
Beeld Renate Beense

Wat is er aan de hand? Een klein jaar geleden verhuisden wij van een stad naar een dorp. Zo’n vijftien jaar woonde ik in Utrecht. Na mijn studie was ik er blijven hangen en toen ik mijn vriend leerde kennen werd hij ook al snel inwoner van de Domstad. Aanvankelijk was het een fijne stad om te wonen, maar de laatste jaren sloeg bij ons steeds vaker de twijfel toe: zijn wij wel mensen voor de grote stad? Of horen wij toch thuis waar we vandaan komen, het dorp?

Mijn vriend is net als ik opgegroeid in een kleinschalige omgeving. Hij in een Gronings dorp, ik in Twente. Na veel wikken en wegen besluiten wij uiteindelijk om de stad te verlaten. Nee, niet helemaal terug naar het noorden of het oosten. Maar wel ver genoeg van de stad om ’s ochtends gewekt te worden door het gezang van vogels. Onze nieuwe woonplaats ligt midden in de bossen van de Utrechtse Heuvelrug.

Je hoort alleen de bosuil

Een klein jaar terug in de tijd. Als we net in het dorp wonen is het al diep in de herfst. De immense berk in onze voortuin heeft zijn laatste bladeren laten vallen. De typische zachte, zoete geur van rotting en vocht hangt nog tussen de bomen die rondom de huizen staan. Rook van houtkachels kringelt uit de schoorstenen. Ook ik werp nog een houtblok op het haardvuur.

De meeste vrienden en familie die in de maanden na de verhuizing langskomen, complimenteren ons. Wat een verschil met jullie oude Utrechtse volkswijk. Zo groen. Zo stil, zeggen ze. Inderdaad, ’s avonds na een uur of acht heerst er, afgezien van het ge-oehoe van een ­bosuil, doodse stilte op dit deel van de Heuvelrug. Een behoorlijk verschil met het geraas van de A2, de snelweg die in ons vorige huis dag en nacht te horen was.

Geen vuilnis, geen scooters

En er valt bezoekers nog wat op: het is hier zó netjes. De mensen zeggen elkaar gedag, er zwerft geen vuilnis over de straat, de tuinen en hagen zijn keurig verzorgd, nergens scooters in de tuin. Het leidt af en toe ook tot een misprijzende opmerking. “Als ik hier ooit zou willen wonen, dan pas over dertig jaar”, merkt een van mijn vrienden kritisch op na een wandelingetje door de buurt. De nadruk ligt op ‘zou’.

Als hij weer vertrokken is in de richting van Amsterdam, valt de bedaardheid in het dorp ons opeens ook op. Is het hier niet te burgerlijk? Zijn we niet te vroeg vertrokken uit de stad? Als ik ’s avonds in Amsterdam ben geweest, dan duurt het met de trein wel anderhalf uur voordat ik met de rammelende sleutelbos bij de voordeur sta. Toch wel een behoorlijke tocht.

Had iemand mij ooit voorspeld dat ik in een dorp van een paar duizend zielen zou belanden, dan had ik diegene niet serieus genomen. Mijn nieuwe woonplaats is nota bene nog veel kleiner dan het Twentse stadje Rijssen waarin ik opgroeide. Juist uit Rijssen wilde ik, toen de middelbare school eenmaal voltooid was, koste wat kost vertrekken.

De reden? ‘Staphorst heeft de naam, maar in Rijssen gebeurt het’, zo vatte iemand die ik interviewde voor ­deze krant er de sfeer bondig samen. De Bijbelgordel, de strook met behoudende protestanten schuin over Nederland waar ook mijn geboortestreek nog altijd onverminderd deel van uitmaakt, was niet bepaald de aan­gewezen plek voor iemand zoals ik met ontluikende ­homoseksuele gevoelens en de behoefte om zich te ontwikkelen.

Achter de horizon

Wat is dan wel de ideale plek om een leven op te bouwen naar eigen smaak en inzicht? Een echte stad ­natuurlijk. In De ontdekking van de hemel, het magnum opus van Harry Mulisch dat een verpletterende indruk op mij als zeventienjarige maakte, ontdekte ik hoe het er achter de horizon aan toe ging. De twee hoofdpersonen, Max Delius en Onno Quist, gaven daar in een grootsteedse sfeer hun leven vorm met boeken, interessante gesprekken, liefdesaffaires en mooie muziek. En dat ­allemaal in cafés en kroegen. Het ene was nog aanlok­kelijker dan het andere.

Met dit verlokkelijke vooruitzicht belandde ik kort daarop in Utrecht. Die stad bleek inderdaad oneindig veel opwindender dan het door de mores van de gereformeerde bond gedicteerde Rijssen. Eindelijk onder gelijkgezinden. Al week de realiteit toch nog behoorlijk af van de voorstelling dat ik mij had gemaakt via Mulisch’ testosteronproza. In de stad bleek gewoon gestudeerd en gewerkt te moeten worden, zo ontdekte ik al snel. Wel kon ik in er gaan en staan waar ik wilde, niet gehinderd door strenge sociale controle.

null Beeld Renate Beense
Beeld Renate Beense

Alle goede buren blijken verhuisd

Een sprong in de tijd van een jaar of tien. Met de jaren bevalt me de anonimiteit steeds minder. Het contact met de nabije omgeving, de buurt, beperkt zich vooral tot de buren direct naast ons. En als we al eens bij iemand verderop in de straat aanbellen, dan is dat om een pakketje op te halen of om een van de studentenhuizen ver na middernacht te manen tot stilte.

Een goede buur is beter dan een verre vriend, zei mijn moeder altijd. Zo’n goede buur, die lijkt uit de wijk waarin wij wonen te zijn verhuisd naar elders. Vrienden wonen soms wel een half uur fietsen verderop.

De straatgenoot die het vertikt om te groeten, de huizen met de gordijnen permanent gesloten, die verkrotte ­woning op de hoek mudvol Bulgaarse arbeidsmigranten (of zijn het Roemenen?), steeds vaker bekruipt me het gevoel dat alles in de grote stad nog maar ternauwernood bij elkaar hoort. Vrijheid, ja, maar wat is de prijs? In de Utrechtse wijk Zuilen toont de stad zich meer en meer van haar keerzijde. De stad die mij had bevrijd, blijkt ook een archipel van talloze anonieme personen en evenzovele levensstijlen die onderling weinig tot geen raakvlak met elkaar hebben.

null Beeld Renate Beense
Beeld Renate Beense

Niet één keer oogcontact

Ik ben niet de enige die sociale samenhang mist. Dit deel van de stad scoort ongunstig op het gebied van veiligheid. Bewoners voelen zich regelmatig onveilig in de eigen buurt. Geweldsincidenten komen in de wijk vaker voor dan op stadsniveau. Bewoners zijn minder positief over hun buurt en de aanwezige sociale cohesie dan de gemiddelde Utrechter, zo blijkt uit een uitgebreid wijkonderzoek dat een paar jaar geleden werd gehouden.

Regelmatig denk ik terug aan Rijssen. Is een groet of een vriendelijk woord nu echt te veel gevraagd? Het stadje mag dan benepen zijn, de mensen kijken er wél naar elkaar om. Het is een gespreksonderwerp dat steeds vaker aan onze keukentafel terugkeert.

Vlak voordat we besluiten om op huizenjacht te gaan, lopen we een rondje door de buurt. We komen ­zoals altijd verschillende mensen tegen. Niet één keer oogcontact met een voorbijganger, laat staan een ‘hallo’. Het nihilisme van de grote stad, ik ben er wel klaar mee, zeg ik tegen mijn vriend. Ik wil gewoon iemand kunnen groeten. Ik wil mijn buren kennen. Sommige normen waarmee ik ben opgegroeid, wortelen dieper dan gedacht.

Gerrit-Jan KleinJan (1983) is freelance journalist en docent journalistiek aan de School voor Journalistiek in Utrecht. Hij was tot 2019 redacteur van Trouw, ­onder meer voor de ­redactie religie & ­filosofie. Gerrit-Jan is historicus.

Dat verstedelijking en anonimisering hand in hand gaan, weten sociologen al sinds jaar en dag. In Utrecht is die ontwikkeling nog lang niet afgelopen. De komende jaren groeit de stad met vele tienduizenden inwoners. Utrecht, zo verkondigt burgemeester Sharon Dijksma die kort na onze verhuizing aantrad, moet mee in de vaart der volkeren. Wij blijken op tijd te zijn uitgestapt.

Bij de sleuteloverdracht feliciteert de notaris ons met de aanstaande verhuizing naar het dorp. “Een volgende stap in jullie wooncarrière”, zegt hij. ‘Een volgende stap?’, denk ik. Het lijkt eerder een terugkeer: een ­terugkeer naar mezelf.

null Beeld Renate Beense
Beeld Renate Beense

Hoeveel verleden steekt er in het heden? Dat is niet ­alleen een vraag voor historici die de samenleving bestuderen. De kwestie dringt zich ook op als ik naar mijn ­eigen biografie kijk. Oké, ik heb me ontworsteld aan het juk der vaderen. Maar de oude vormen en gedachten, zijn die echt allemaal even vakkundig weggehakt?

De straat waarin ik nu woon bestaat uit een witte, homogene middenklasse. Hier weinig strubbelingen met uiteenlopende levensstijlen. Dat ik het als zo’n wel­dadigheid ervaar dat mensen elkaar groeten, in grote ­lijnen hetzelfde denken over samenleven. Het lijkt erop dat hier en daar een teruggesnoeide loot weer uitloopt.

Waar woont u liever, in dorp of stad?
Reacties (max. 150 woorden) zijn welkom via tijdgeestreacties@trouw.nl. Graag naam en woonplaats vermelden.

De behoefte aan kleinschaligheid, de menselijke maat, ruimte en groen – ik wist niet dat een verlangen naar iets van vroeger zo diep kon zitten. Wat zit er nog meer verscholen in de krochten van het innerlijk?

Een leven in de stad eist een hoge mate van tolerantie. Doet een terugkeer naar het dorp ook de intolerantie ten opzichte van afwijkend gedrag opnieuw opvlammen? Tilt de terugkeer naar het dorp bij mij ook het streng gereformeerde burgermannetje naar boven?

Een wijnpakket en bloemen

De verhuizing naar het dorp markeert een verdere verburgerlijking van ons leven. Een ontwikkeling die in de biografie van veel dertigers te zien is. Daarmee is het zelfbeeld waarmee ik als student juichend naar de stad trok duchtig gehavend. Het mondaine stadsleven bleek er uiteindelijk toch niet helemaal in te zitten.

Maar wie weet slaat de pendel over een jaar of wat dorpsleven weer terug; sluimert er ergens onder de oppervlakte toch innerlijk verzet en blijk ik zo’n man die over een jaar of vijftien, als ik de vijftig ben gepasseerd, een motor aanschaft.

Nu laven we ons aan het dorp. Anonimiteit is hier ver weg. Als we ons nieuwe huis betreden, hebben verschillende buren al welkomstkaartjes in de brievenbus gestopt. Anderen brengen een wijnpakket en een bos bloemen langs. En als ik buurman Cees voor het eerst tref, zegt hij meteen: “Welkom in ons dorp”. We praten meteen een half uur.

null Beeld Renate Beense
Beeld Renate Beense

Het eerste meubelstuk waarmee mijn vriend en ik ons ­nieuwe huis inrichten, is een grote, op maat gemaakte boekenkast. Bij het sorteren van de boeken stuit ik op de robijnrode boekband van De ontdekking van de hemel. Ik kan het niet laten even een klein stukje te lezen in het boek dat ik ooit een meesterwerk vond.

Opeens valt het mij op dat Harry Mulisch niet alleen al behoorlijk gedateerd aandoet, maar dat hij de twee hoofdpersonen vanwege hun onafscheidelijke vriendschap ook als ‘homo-intellectuelen’ beschrijft. Die typering was me vroeger niet eens opgevallen.

Homo-intellectuelen? Ik kijk naar mijn vriend die naast mij zorgvuldig een halve meter Russische klassiekers rangschikt. Zou er dan toch nog een scheutje Max Delius en Onno Quist in ons leven terecht zijn gekomen? Wie weet. Maar – voor nu – wel in een dorp waar men elkaar groet.

Lees ook:

De stad blijft een magneet, maar de rust van buiten lonkt

De grote stad lijkt ongekend populair, afgaande op de torenhoge huizenprijzen. Maar de nieuwe bewoners komen vooral uit het buitenland. Binnen Nederland zijn er momenteel meer mensen die uit de stad vertrekken dan dat ze ernaartoe trekken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden