Judith Maassen.

Tien GebodenJudith Maassen

Schrijver Judith Maassen: Het lijkt een tendens om mensen die we eerst hebben verafgood van hun sokkel af te trekken

Judith Maassen.Beeld Mark Kohn

Schrijver Judith Maassen (59) bewandelt een hobbelig pad. Ze verloor veel geliefden, raakte bij een brand haar inboedel kwijt en heeft een oogziekte die alleen maar erger wordt. En toch. Ze is gelukkig in de liefde, heeft een ‘superlieve’ broer en schrijven maakt haar blij. ‘Eigenlijk heb ik in mijn leven ontzettend veel geluk gehad.’

Arjan Visser

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Er is geen Grote Tegenstander met kwade bedoelingen, maar er is ook geen God die het beste met mij voor heeft. Ik geloof in de totale onverschilligheid van de wereld. En dan heb ik het niet over emoties – mensen zijn wel degelijk met elkaar begaan – maar over het feit het leven gewoon doorgaat, wat er ook gebeurt. Rudy, mijn broertje, stierf op zijn zestiende aan leukemie. Ik zie nog voor me hoe wij achter de lijkwagen aan door de winkelstraat van het dorp reden. Hoe konden al die mensen gewoon hun boodschappen doen terwijl Rudy daar dood in die kist lag? ‘God neemt de liefste mensen het eerst’ zeiden ze. En: ‘Je weet niet wat hem allemaal bespaard is gebleven.’ Goed bedoeld, ongetwijfeld, maar die antwoorden hadden op mij een averechtse uitwerking. In eerste instantie werd ik vooral héél kwaad op iedereen die zich klootzakkerig gedroeg, dan dacht ik: waarom kunnen we mensen niet inruilen? Laat die lui doodgaan en breng Rudy weer tot leven! Die agressie is gezakt, maar je moet me hier niet al te veel vragen over stellen. Soms denk ik: wás er maar een God om mijn woede op te richten. Nu moet ik genoegen nemen met het toeval. Alles is één grote toevalligheid.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Het lijkt een tendens om mensen die we eerst hebben verafgood van hun sokkel af te trekken. Ik merk dat ik het heel vervelend vind om te zien hoe de Volkskrant zo’n verhaal over Matthijs van Nieuwkerk op de voorpagina zet en hoe iedereen er vervolgens op geilt dat hij, juist hij, zich op de werkvloer heeft misdragen. De voorbeelden die worden genoemd zijn hartstikke fout hoor – daar heb ik het niet over – maar Matthijs wordt nu, met al zijn talent, wel erg gemakkelijk als de kwaaierik weggezet. Het doet me een beetje denken aan het verhaal van meneer Ellemeet, uit Minoes. Hij is de man met het geld, de grote weldoener, tot het hele dorp zich van hem afkeert. Dat vind ik een naar trekje in mensen: het vermogen om, van het ene op het andere moment, helemaal om te klappen.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Kurt Vonnegut heeft geschreven: ‘There’s only one rule that I know of, babies – God damn it, you’ve got to be kind.’ Door het op die manier te zeggen, met zo’n vloek erbij, wordt het minder zoetsappig. Niet ‘laten we alsjeblieft lief zijn voor elkaar’, nee, gewoon: be kind. Wie je ook bent en waar je ook in gelooft.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Vanwege mijn ogen – ik heb maculadegeneratie en kan niet goed scherpstellen – probeer ik steeds omstandigheden te creëren waarin ik niet de hele tijd hoef te zoeken. Tegen mensen die ik vaker tegenkom, zeg ik van te voren: ‘Ik zal je op straat niet herkennen’. Dat is geen onwil of arrogantie, ik kan gewoon geen oogcontact maken. Het is verschrikkelijk vermoeiend, dus in die zin zou je kunnen zeggen dat ik meer dan ooit de sabbatsrust in ere wil houden.

De ziekte is progressief, uiteindelijk zal ik alleen nog licht en donker kunnen onderscheiden, maar goed, er is niets aan te doen dus waar moet ik me dan druk om maken? Op mijn beste momenten denk ik: tot mijn zesenveertigste – toen begon het zo’n beetje – heb ik goed kunnen zien, nu krijg ik nog een groot deel van mijn leven waarin ik op mijn andere zintuigen ben aangewezen. Wat gaat er gebeuren? Zal ik meer gaan ruiken? Beter gaan horen? Interessant.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Hier moest ik vannacht ineens aan denken: nadat mijn vader het graf van mijn moeder in orde had gemaakt, kondigde hij aan geen vader meer te willen zijn en dat hij naar Thailand zou vertrekken. ‘Ik heb die rol nu lang genoeg gespeeld,’ zei hij.

Ik kon het niet geloven. Ik was al negenendertig, maar toch: mijn vader, die me vroeger altijd kwam toedekken, die kwam vragen wat er aan de hand was als ik moest huilen, de vader die eigenlijk een soort moeder voor me was geweest, stópte ermee? We probeerden hem nog tegen te houden. Moesten we, eerst na de dood van Rudy en nu die van mijn moeder, als gezin niet bij elkaar blijven? Nee. Hij ging.

Op een dag, zo’n twee jaar later, belde hij me vanuit Thailand: ‘Ik moet je iets vertellen. Ik heb slokdarmkanker en ik word volgende week geopereerd.’ ‘Dan kom ik naar je toe,’ zei ik en heb als de wiedeweerga een ticket geboekt. Mijn broer Theo kwam een paar dagen later. Mijn vader had inmiddels een vriendin – een oudere vrouw – die met allerlei familieleden op hun hurken in die ziekenhuiskamer zat. Zij maakte allerlei soepjes voor hem klaar, ze waren duidelijk erg op elkaar gesteld.

Na de operatie nam de dokter ons mee naar de gang en vertelde dat er niets meer aan te doen was. Terug in de kamer zei mijn vader, nog half onder zeil maar toch alert: wat heeft hij gezegd? We vertelden hem de waarheid. Ik zag heel even de schrik in zijn ogen, maar hij hernam zich vrij snel en zei: ‘Oké.’ Hij wilde daar blijven, maar wij wisten hem ervan te overtuigen dat hij beter mee naar huis kon komen. Theo ging vooruit om het huis in orde te maken. Ik vertrok samen met mijn vader nadat we al zijn spullen aan de Thaise vriendin hadden gegeven.

‘Als ik niet meer zelf naar de douche kan,’ zei hij, ‘is het klaar.’ Binnen een paar weken was het al zo ver. Op een maandagochtend zei hij tegen me: ‘Woensdag komt de dokter’. Het was een aardige man, hij had alle tijd voor ons. Mijn vader zei dat hij graag lekker wilde gaan liggen en Theo en ik kropen bij hem in bed. Theo voor, ik achter en mijn vader in het midden. Als drie lepeltjes lagen we daar. Heel rustig en tevreden. En zo ging hij dood. Het was moeilijk om op te staan – vanaf dat moment werd het lichaam ineens een lijk – maar het is wel een mooi einde geweest.

Toch speelt die ene opmerking nog steeds door mijn hoofd. Ik wil geen vader meer zijn. Wat heeft hij daar nou precies mee bedoeld?

Na Rudy’s dood is mijn moeder zo’n beetje uit gegaan. Voor die tijd was ze een leuke, gekke vrouw geweest met een stralende lach. Ze wilde graag actrice worden. Aktrieze, zei ze zelf altijd. Maar na Rudy’s dood zat ze vaak uren voor zich uit te staren. Ik denk dat er veel op mijn vader schouders terecht is gekomen, vooral ook in de laatste jaren van mijn moeders leven toen hij haar, met z’n bijna blinde hoofd – hij had dezelfde ziekte als ik – iedere dag een injectie tegen trombose moest geven. Toen ze uiteindelijk, op haar 66ste, aan kanker overleed, heeft hij waarschijnlijk gedacht: nu wil ik nog iets leuks, voor mezelf. Hij zou haar tweeëneenhalf jaar overleven.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Immanuel Kant heeft ooit het categorisch imperatief bedacht: men moet altijd handelen volgens een regel waarvan men zou willen dat het een algemene wet is. Dus nee, niet doden. En dan maar hopen dat je nooit in de verleiding zult komen om het wél te doen.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Menno zat bij mij op de Schrijversvakschool. Ik vond het meteen zó’n vervelende jongen, maar op een of andere manier veranderde dat gevoel in de overtuiging dat ik nog nooit zo verliefd op iemand was geweest. Na een uit de hand gelopen vergadering van de redactie van een literair tijdschrift dat hij had opgericht, strandde ik ’s nachts op het station van Utrecht. Ik boekte daar een hotelkamer en besloot Menno te bellen. Het móest, ik kon niet anders. En toen bleek hij dus hetzelfde voor mij te voelen: hij was alleen maar met dat tijdschrift begonnen om mij te kunnen ontmoeten. De volgende ochtend reisde ik door naar Nijmegen om mijn man – ja, ik was al jaren getrouwd – te vertellen dat ik verliefd was op een ander. ’O, dat komt goed uit,’ zei mijn ex, ‘ik namelijk ook!’ Eerst was ik helemaal verbijsterd – wat krijgen we nou? – maar het maakte de scheiding uiteindelijk toch makkelijker.

Menno en ik zijn twaalfeneenhalf jaar samen geweest. Door de dood van Rudy was ik al intenser gaan leven; ik zou niet zomaar iets stuk maken omdat er al zoveel vanzelf kapot kon gaan. En ik weet nog dat ik ’s ochtends vroeg, als ik hem in de keuken het ontbijt hoorde klaarmaken, dacht: luister hier goed naar want er komt een moment waarop die geluiden niet meer zullen klinken. Alsof ik iets voorvoelde. Menno had een gen-deficiëntie dus de kans op kanker was bij hem groter, maar de uitslag na een ziekenhuisbezoek kwam toch als een enorme schok: hij had alvleesklierkanker, met nog een paar maanden te leven.

Ik ben zo kwaad geweest! Héél even op Menno, op de ziekte zelf, maar ook op de vrolijke mensen die ik vanuit de keuken kon horen lachen. Een soort gelach uit de hel, zo klonk het. Ik weet nog dat ik op een gegeven moment aardappels en uien ben gaan gooien om ze stil te krijgen.

Na een paar jaar kwam ik Bart tegen. We waren van meet af aan heel open naar elkaar toe. Stapje voor stapje zijn we dichter bij elkaar gekomen. Eén van de dingen die je in een liefdesrelatie probeert te doen is de ander een heel bijzondere positie geven. Dat gaat niet vanzelf, zeker niet als er een dode ex-geliefde in het spel is. Menno en ik hebben, door zijn ziekte, alle hoeken van de relatie verkend. Plekken waar Bart en ik, in de twaalf jaar die we nu samen zijn, nog niet zijn geweest. Soms vraag ik me af hoe het verder zou zijn gegaan als Menno was blijven leven. De kans bestaat dat we het toch niet gered zouden hebben samen. Of zeg ik dat om mezelf te troosten? Hoe dan ook: een nieuwe liefde had ik niet voor mogelijk gehouden, maar met Bart bleek dat te kunnen.”

VIII Gij zult niet stelen

“Na mijn scheiding verhuisde ik van Nijmegen naar Amsterdam. In de Spuistraat werden kamers te huur aangeboden. Het bleek een bordeel te zijn. Gelukkig was de etage erboven nog vrij.

In de zomer van 2000 werd ik, heel vroeg in de ochtend, wakker van een enorme knal. Een van de meisjes had ruzie met haar pooier en hij had een brandbom bij haar naar binnen gegooid. Mijn kat, die normaal gesproken op het voeteneind lag, was nergens te vinden. Aan weerszijden van mijn bed begon inmiddels zwarte rook omhoog te komen. Ik schreeuwde om de buren wakker te maken, belde 112, nam de poezenmand onder mijn arm en holde naar buiten. Daar stond ik, in mijn pyjama, te kijken hoe het hele pand af fikte. Het was zo surreëel. Later hebben wij, bewoners en omwonenden, ons verzameld op het politiebureau aan de Nieuwezijds waar ik, heel lief, apart werd genomen omdat ze moesten vertellen dat mijn kat helaas in de brand was omgekomen.

Dagboeken, kleren van Rudy die ik nog weleens droeg, mijn complete bibliotheek: ik was alles kwijt. Gestolen, zou je kunnen zeggen, door de pooier die later ook is veroordeeld maar natuurlijk geen cent te makken had. Ik kon me redelijk snel bij die situatie neerleggen; het had ook wel iets fris om met een schone lei te beginnen. Het gekke is alleen dat ik nog altijd die oude boekenkast in mijn hoofd heb. Soms zoek ik een boek om er pas na een kwartier achter te komen dat het al meer dan twintig jaar geleden in vlammen is opgegaan.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“‘Niet van hier’, gaat over het meisje van een ‘importgezin’ dat haar plek probeert te vinden in een kleine dorpsgemeenschap. Het is niet autobiografisch – dat moet je er altijd bij zeggen – maar het heeft wel met mijn eigen verhaal te maken. Voor mijn elfde waren we al zes keer verhuisd. Toen we in Zijtaart gingen wonen, wilde ik bij de dansmariekes. Dat mocht niet van mijn vader. Vond hij ordinair. Mijn vader wist dingen, ik achtte hem heel hoog, dus als hij zei dat het ordinair was, dan móest dat wel zo zijn. Als de fanfare door de straat kwam, met de dansmariekes voorop, dacht ik: dit is dus niets voor mij, maar tegelijkertijd dreunde de muziek door mijn hele lijf en voelde ik, ergens diep van binnen, een jubel die ik nauwelijks kon onderdrukken. Die dubbelheid is gebleven; ik weet nog steeds niet precies waar ik thuis ben. Heleen, een van de personages in mijn boek, zegt dat thuis geen toestand is, maar een verlangen. Dat klopt wel, denk ik. Al vraag ik me, nu we er zo over hebben, ineens af of dat waar ik zo naar verlang ooit wel heeft bestaan.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Eigenlijk heb ik in mijn leven ontzettend veel geluk gehad. Oké, wel veel doden misschien, maar ik ben erg blij dat ik ben gaan schrijven, bijvoorbeeld. Dat ik een geliefde heb. En een superlieve broer. Echt, ik ben heel ge… zeg, je gelooft me toch wel? Ik kan je ogen niet zien, dus misschien zit je me nu wel heel meewarig aan te kijken. O, liefdevol? Dat is fijn om te horen.”

Judith Maassen

Judith Maassen (Oegstgeest, 1963) studeerde rechten en literatuurwetenschap in Nijmegen en Londen en is sinds 2004 de impresario van haar broer Theo. In 2019 debuteerde zij met Het nabestaan van Anna Portier. Deze week verscheen bij uitgeverij Querido haar tweede roman Niet van hier.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden