null

De zintuigen vanHelena Hoogenkamp

Schrijver Helena Hoogenkamp: Ik wil mijn eigen borsten of géén borsten

Beeld Patrick Post

Schrijver Helena Hoogenkamp (34) is erfelijk belast met een genmutatie die borst- en eierstokkanker kan veroorzaken. Ze liet preventief haar borsten verwijderen, implantaten wilde ze niet. Het dwong haar om na te denken over haar gender. ‘Ik ben non-binair, zeg ik nu. Dat heb ik echt moeten leren zeggen.’

Rick Pullens

VOELEN

Ik voelde aan alles: implantaten wil ik niet

“Ik was net drie ­weken bezig met mijn debuut­roman Het aan­bidden van Louis Claus toen mijn moeder opnieuw kanker kreeg. ­Eierstokkanker. Ze bleek een BRCA1-genmutatie te hebben. Dat is een afwijking op een bepaald gen waardoor je een zeer grote kans hebt op borst- en eierstokkanker. En die mutatie is erfelijk overdraagbaar. Mijn zus en ik lieten ons dus ­testen. De uitkomst: zij heeft het niet, ik heb het wel.

Jaren eerder had mijn moeder al borstkanker gehad, ik zat toen in de tweede klas van de middelbare school. Het was mij destijds niet verteld dat ze ziek was, daar werden mijn zus en ik niet in meegenomen. Ik weet nog dat mijn vader op een dag zoiets zei als: ‘Je moeder heeft een borst laten amputeren, vanmiddag gaan we op bezoek in het ziekenhuis’. Verward stond ik aan haar bed.

Die tweede keer kanker overleefde mijn moeder niet. Ze is drie jaar geleden gestorven. Ik was in rouw. Tijdens een schrijfverblijf in Zeeuws-Vlaanderen – mijn boek moest af, ik kon me voor het eerst weer concentreren – stond ik pas weer stil bij mijn eigen situatie, bij die afwijking op dat gen. Ik realiseerde me dat ik zelf het ziekenhuis moest bellen als ik zorg wilde.

Wie is Helena Hoogenkamp?

Helena Hoogenkamp (1986) groeide op in Zaandam. Ze studeerde psychologie aan de Universiteit van Amsterdam en writing for performance aan de Hogeschool voor de ­Kunsten Utrecht.

Hoogenkamp debuteerde dit jaar met haar roman Het aanbidden van Louis Claus (uitgeverij De Bezige Bij), een roman over het menselijke verlangen je gezien te weten. Eerder schreef ze toneelstukken, poëzie en columns. Haar werk werd bekroond met de El Hizjra Literatuurprijs, genomineerd voor de ITs RO Theater Award en geselecteerd voor Women Playwrights International Stockholm en Interplay Europe Madrid. In 2015 verscheen haar novelle Kleine zeemeermin, per ongeluk dood (Wintertuin uitgeverij).

Ik kreeg het advies om mijn eierstokken en eventueel ook mijn borsten preventief te laten verwijderen. Een plastisch chirurg lichtte me voor. Ik ging dat gesprek in met het idee: ik hoef geen implantaten – het voelde niet als iets wat ik voor mezelf zou doen. Misschien kwam dat onbewust door mijn moeder. Eén van haar borsten was verwijderd, maar zij had nooit gekozen voor reconstructie. Ze droeg ook geen prothese. En toen ze kaal werd door de chemo droeg ze wel een hoofddoekje, maar geen pruik. Ik denk dat ze dacht: dat ziet er dan voor anderen normaal uit, terwijl je zelf met een jeukend hoofd rondloopt.

Ik had gehoopt dat die arts in het ziekenhuis zou zeggen: ‘Prima, hier heb je een folder’. Ik verwachtte niet dat mijn keuze een probleem zou zijn. Maar er was helemaal geen voorlichtingsmateriaal over de optie die ik wilde: wel mijn borsten laten verwijderen, geen reconstructie. De arts wilde me ook nauwelijks voorlichten. ‘Alle vrouwen willen borsten’, zei hij. Net als: ‘We gaan je weer mooi maken in bikini’. Wat ik wilde, zou ‘esthetisch ongewenst’ zijn. Basically zei hij: ‘Je wordt ­lelijk zonder borsten’.

Een nieuwe heup heeft een duidelijk medisch voordeel. Maar wat is het voordeel van een implantaat? Zo’n operatie duurt langer en is risicovoller. Implantaten kunnen gaan lekken en worden in verband gebracht met lymfeklierkanker. ‘Het gaat de rouw tegen, de rouw om het verlies van de eigen borsten’, was het antwoord van de arts. In feite zei hij: als je geen implantaten neemt, heb je een grotere kans op psychische klachten. Het is nogal wat als een arts, een autoriteitsfiguur, dat zegt.

Thuis moest ik echt weer voelen hoe ik er zelf in stond. Op advies van mijn redactrice ben ik op bed gaan liggen, om vervolgens met mijn handen langzaam van mijn kin tot mijn buik te gaan. Ik stelde mezelf de vraag wat ik idealiter wilde voelen. Het antwoord was helder. Mijn eigen borsten. En als dat niet kon: geen borsten.”

null Beeld Patrick Post
Beeld Patrick Post

INTUÏTIE

Je weet of iets (niet) goed is

“Wie een te kleine schoen aantrekt, voelt dat. Zo van: dit past gewoon niet. Als iets je overkomt waarvan je het gevoel krijgt dat het een te kleine schoen is, zegt je intuïtie: ‘Nee, dit is niet goed’. Ik denk dat het gesprek met die plastisch chirurg voor mij voelde als een te klein schoentje.”

ZIEN

Mensen vullen in wat ze niet kunnen zien

“Ik heb lang van dat wavy meerminnenhaar gehad. Als ik op straat voor me uit stond te staren, kwam altijd wel iemand mij de weg wijzen. Mensen behandelden me als sprookjesprinses. Ik vond het niet fijn dat ze niet door de verpakking heen konden kijken. Nu ik mijn haar heb afgeknipt word ik serieuzer genomen. Als mijn ­moeder nog had geleefd, zou ik dat trouwens nooit hebben gedaan. Zij was dol op mijn haar. Ze gaf me ook altijd bloemetjesjurken. Die heb ik direct na haar dood naar de kringloop gebracht. Ik miste haar enorm, maar het is ook bevrijdend als je een ouder niet meer kan teleurstellen.

Ik ben opgegroeid in een tijd met een ontzettend geseksualiseerd vrouwbeeld: de jaren nul, een periode met een eetstoornissen-hoogtepunt, waarin meisjes vooral veel lichaam lieten zien. Mijn vriendinnen en ik gingen met een string boven de broek naar school. Ik haalde hoge cijfers, maar was vooral bezig met sexy zijn – sexy stond gelijk aan goed. Ik was dol op wiskunde, ik hield van schaken, maar dat telde niet. Op school las ik stiekem The Lord of the Rings onder mijn tafel.

In de derde klas was ik het beu, dat gevoel dat mijn functie in het leven mooi-zijn was. Ik begon verkleedkleren naar school te dragen, ik had meer zin om in een clownspak te lopen dan met een blote buik. Vanaf toen werd het leuk, de pressure om sexy te zijn viel weg; ik deed examen in een bruidsjurk met cowboylaarzen en een piratenzwaard. Ik denk dat ik het voordeel van vrouw-zijn niet meer zag. Ik zag vooral nadelen: bijna al mijn vriendinnen en ik waren wel eens aangerand, en door mijn uiterlijk werd ik constant onderschat. Zo was het ook met die implantaten: het voordeel werd me niet goed uitgelegd. Ik zag vooral nadelen.

Toen ik besloten had om géén borstreconstructie te doen, werd ik door het ziekenhuis verplaatst naar een operatietraject met een genderchirurg. Zij gebruikte voorlichtingsmateriaal gericht op transmannen – er was dus blijkbaar het pad ‘vrouw’ óf het pad ‘transman’. Ik kreeg powerpointpresentaties te zien met foto’s van ­lachende transmannen met een mooie platte borst. Dat voelde gek aangezien ik vanuit een verdrietige overweging voor een operatie koos, niet vanuit een vreugdevol gevoel.

Vroeger speelde ik veel met jongens, ik was er niet zo mee bezig dat ik een meisje was, al moest ik voor het begrip van de groep wel altijd verkering met een van hen hebben. En ik wist: ik val op mannen en vrouwen, ik zoende met vrienden en vriendinnen van me. Door mijn ziekenhuisbezoekjes ging ik opnieuw nadenken over mijn gender. Wie ben ik? Ik begon het te benoemen. Vanaf dat moment kwam ik bij elke afspraak binnen met de woorden: ‘Hallo, ik ben non-binair’. Ik heb dat echt moeten leren zeggen, dat label gebruikte ik nooit. Maar als je iets zelf niet benoemt, doen anderen dat voor je en dan vullen ze zelf in wat ze niet kunnen zien.”

null Beeld Patrick Post
Beeld Patrick Post

HOREN

Stemmen zijn muziek

“Toen ik mijn boek schreef, keek ik bijna dagelijks naar filmpjes van Katya Zamolodchikova, een dragqueen die een duo vormt met Trixie Mattel. Ik vind het fascinerend als mensen ervoor kiezen om zichzelf volledig vorm te geven. Dat je in de spiegel kijkt en denkt: ik zie een kleine man, maar ik ben eigenlijk een vrouwelijk supermodel van twee meter met Dolly Parton-haar. En dat je vervolgens korsetten, padding, pruiken en enorme hakken aandoet. Een beetje zoals ik met die clownspakken deed: je laat je binnenkant aan de buitenkant zien.

Katya en Trixie praten in die filmpjes heel direct tegen kijkers, alsof ze je vriend zijn. Ik houd ontzettend van het geluid van stemmen. Dat is een soort muziek. Ik luister ook alleen maar muziek met tekst, als het puur instrumentaal is weet ik niet waar ik naar moet luisteren. Op straat hoor ik vaak flarden van liedjes in mijn hoofd of zinnen die mensen hebben gezegd. Zo schrijf ik ook. Ik schrijf op wat ik als muziek in mijn hoofd hoor.”

RUIKEN

Mijn moeders geur mis ik

“Mijn zus en ik hadden als kind een aantal vaste oppassen. Francis was een van hen. Toen ik baby was zorgde ze al voor me, samen met haar punkzoon Rob. Ik lag als kind zo ongeveer in hun nek te slapen. Ik weet nog precies hoe die familie rook, ze hadden allemaal hun eigen parfum. Het is een van mijn vroegste herinneringen.

Ik houd erg van aan mensen ruiken. Vroeger wilde ik altijd aan m’n moeder snuffelen, maar dat wilde zij niet. Soms komt mijn vader nog aanzetten met een ­kledingstuk van haar. ‘Wil je dat nog?’, vraagt hij dan. Ik weet nooit goed of ik daar na haar dood dan opeens wel aan mag snuffelen. Hoe ze rook, weet ik niet meer. Daar zit voor mij het meeste missen. Ik weet nog hoe mijn moeder klonk, hoe ze eruitzag, hoe ze haar spieren ­spande als ik haar knuffelde. Maar haar geur is weg.”

null Beeld Patrick Post
Beeld Patrick Post

PROEVEN

Samen eten is helend

“Mijn ouders vonden mij een moeilijke eter. Vanaf mijn tweede zei ik blijkbaar dat alles zuur was. Dat hebben zij opgelost door me alles te laten eten wat ik wel wilde. Ik ben groot geworden op appeltaart, magnetron-hotdogs, bapao en vla met slagroom. Mijn ouders kookten nauwelijks. De vaste oppassen deden dat. Die maaltijden werden ingevroren en afgewisseld met friet en magnetronvoedsel. Op de middelbare school voegde ik daar kroketten en mergpijpen uit de kantine aan toe.

Mijn moeder noemde ons gezin een huishouden van Jan Steen. Een soort kunstenaarskolonie: mensen die allemaal een kamer hebben, eten uit de keuken pakken en elkaar tegenkomen. Aan tafel zat ik alleen bij anderen. Daar werd gekookt. En met bestek gegeten. Zoals op foto’s in kookboeken. Dat vond ik te gek. Wel had ik altijd het gevoel: ik hoor er niet helemaal bij. Ik bleef de gast.

Na mijn borstoperatie zou ik zes weken lang niets mogen tillen. In een e-mail aan wat mensen heb ik gevraagd wie er voor mij wilde komen koken. Met een excelsheet erbij. Binnen een dag was die vol. Twee weken lang kwam er elke dag iemand anders met boodschappen binnen en werd er voor me gekookt. Elke dag at ik aan tafel. Een droom. Precies hoe ik het me altijd had voorgesteld. In mijn eigen huis. Ik was niet meer de gast.

Het is helend om hulp te vragen en dat te krijgen. Het overschrijft al die ervaringen waarbij je eerder op hulp hoopte maar die niet kreeg. Nu ik weer wat meer kan, ­nodig ik nog altijd mensen uit. Ik begin de joy te ervaren van koken en tafelen. Mijn smaak is in ontwikkeling.”

Lees ook:

Debutant Sofie Lakmaker: Het is soms ingewikkeld om je mannelijk te voelen terwijl je jezelf ook als feminist beschouwt

Sofie Lakmaker (26) is schrijver en columnist. Vandaag verschijnt haar debuutroman De geschiedenis van mijn seksualiteit, waarin ze haar liefdesleven en de eenzame worsteling met haar gender beschrijft. ‘Het zou mooi zijn als het palet aan smaken ­tussen man en vrouw zichtbaarder wordt in de maatschappij.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden