EssayThuiswerken

Schrijver-filosoof Pieter Hoexum veranderde van gedachte: werk en privé scheiden heeft wél zin

Het kantoor van ABN Amro aan de Amsterdamse ­Zuidas. Normaal werken hier 5000 tot 6000 mensen, nu zo’n 200.Beeld Werry Crone

Ooit leek het schrijver-filosoof Pieter Hoexum niet zo nodig om werk en privé te scheiden. Nu, in coronatijd, komt hij daarvan terug: om echt aan het werk te kunnen, moet je even de privésfeer verlaten.

Sinds een aantal jaren noem ik mijzelf soms ‘writer in residence’, en ik zeg er meteen bij: maar dan wel in mijn eigen residentie. Als ‘schrijver aan huis’ doe ik dat natuurlijk thuis. Dat thuiswerken is heerlijk, omdat je het kan doen op het moment dat het jou uitkomt… Totdat blijkt dat je altijd aan het werk bent. Of, erger nog, dat je altijd op zoek bent naar een gelegenheid nog even te werken.

Het is heerlijk om zo informeel, tussen de bedrijven door, je werk te kunnen doen, zonder je druk te maken over status of wat dan ook. Totdat blijkt dat je werk zo een soort liefhebberij zou kunnen lijken. Alsof de werkplek de status van wat je doet bepaalt. Thuiswerkend word je bijna vanzelf een amateur, niet in de zin van liefhebber – want dat is eigenlijk wel mooi – maar vooral in de zin van dilettant. Of zelfs: prutser. Het is fantastisch als je van je hobby je werk kan maken, of er althans wat geld mee verdient. Het is minder prettig als je werk vervolgens verkruimelt tot een hobby. Het is moeilijk professional te blijven als je thuiswerkt.

Schrijfhut

Toen mijn vrouw meer wilde tuinieren en op zoek ging naar een volkstuintje zag ik dat als een mogelijke oplossing voor mijn probleem. Als we nu een tuin mét een huisje namen, sloegen we meteen twee vliegen in een klap: een tuin voor haar en eigen werkplek, buitens­huis, voor mij. Een schrijfhut eigenlijk.

Vrij gemakkelijk vonden we een tuin-met-huisje. Maar tot mijn verbazing beviel de tuin steeds beter, en het huisje minder. Ik deed steeds fanatieker mee met mijn vrouw met tuinieren, maar werken op de tuin deed ik in de loop der jaren minder en minder. Ik ging gewoon weer op zolder werken, en dat beviel als vanouds. Wat ik wel miste was het heen en weer fietsen naar dat tuinhuisje. Onderweg kon ik mijn gedachten de vrije loop laten; thuis of bij het huisje aangekomen hoefde ik alleen maar te gaan zitten en te noteren. Misschien gaat het bij een werkplek niet zozeer om de locatie, als wel om de manier waarop je die bereikt. Om echt aan het werk te kunnen, om het werk ook zelf ernstig genoeg te kunnen nemen, moet je eerst even de privésfeer verlaten. In dit geval is de weg dan misschien wel niet belangrijker dan de bestemming, maar toch wel even belangrijk.

Ondertussen bleef ik toch dagdromen over een ander, béter huisje op onze tuin. Het hoefde niet veel meer te zijn dan een soort kleine kapschuur. Een plek waar ik overdekt kon zitten, droog en uit de wind. Af en toe keek ik verlekkerd op websites van leveranciers die dergelijke ‘home offices’ leveren, of beter nog: op websites van architecten die zich erin hebben gespecialiseerd.

Het Stadskantoor van de gemeente Utrecht. Op piekmomenten werken hier zo'n 3500 mensen, inclusief huurders. Nu komt ongeveer 10% tot 15% daarvan naar het U-vormige kantoor.Beeld Werry Crone


Dat ik bleef dromen over een andere, eigen schrijfhut, kwam onder meer door een bijzonder aanstekelijk boek van Michael Pollan. Pollan is bekend geworden met zijn boeken over eten, maar schreef ook een prachtig (helaas niet vertaald) boek over zijn schrijfhut: A Place of My Own. Meer dan naar een eigen vertrek, ‘een kamer voor jezelf’ (Virginia Woolf), verlangde hij naar een eigen plek: ‘Een plek van afzondering, een paar stappen naast de platgetreden paden van het alledaagse leven’.

Dat klinkt op eerste gezicht verleidelijk, maar die ­eenzaamheid en dat verlaten van de gebaande wegen zaten me niet lekker. In de paar stappen die Pollan wilde doen om op zijn werkplek te komen, kon ik mij wél herkennen. Dat was immers precies wat mij het meeste beviel aan mijn tuinhuisje: dat ik er naartoe moest, dat ik op pad moest om er te komen. Dat ik eropuit moest. Het onderweg zijn, als een soort onderbreking tussen wonen en werken, dát hoort ook bij de werkplek. Maar onderweg wil ik juist niet al te eenzaam zijn en eigenlijk maar al te graag de platgetreden paden van de alledaagsheid volgen.

Een prettige mix

Ondertussen moest ik terugkomen op een essay van mijzelf dat ik jaren eerder had geschreven voor Filosofie Magazine, over thuiswerken. Met name over het feit dat daarbij privé en werk door elkaar lopen en dat veel mensen het daar zo moeilijk mee hebben. Een veelgehoorde oplossing is het bewaren van een balans tussen werk en privé. Ik vond dat toen een verwarrende, misschien wel misleidende metafoor. Het kwam mij nogal kunstmatig over om eerst een strikt onderscheid te maken tussen publiek en privé en vervolgens weer die twee met elkaar in balans te willen brengen. Als je ze nou door elkaar laat lopen, dan hoef je niet zo krampachtig te zoeken naar een balans, maar kun je door een scheutje van het een of van het ander toe te voegen, zoeken naar een prettige mix, een smakelijke melange.

In de jaren na het schrijven van dat stuk begon ik steeds meer te twijfelen. Misschien was de scheiding van privé en openbaar toch wel goed. Ze kunnen sowieso niet zonder elkaar: zodra je een privé-, of binnenwereld afscheidt, creëer je zodoende tevens een buitenwereld. Zo ging het ook. De historicus Philippe Ariès heeft uitgebreid geschreven over het ontstaan van zoiets als een privéleven. Het begon in de Renaissance en raakte in de achttiende eeuw in een stroomversnelling. En Jürgen Habermas heeft uitgebreid beschreven hoe in de achttiende eeuw een zogenoemde ‘publieke sfeer’ ontstond. In de negentiende eeuw materialiseerde zich dat steeds sterker. ‘Werken’ en ‘wonen’ werden twee heel verschillende zaken, je deed het op heel verschillende plekken.

Spaces Amstel: flexibele werk- en vergaderruimtes en kantoren in ­Amsterdam. Op een drukke dag werken hier zeker zeventig mensen, nu zijn dat er gemiddeld ­vijftien per dag.Beeld Werry Crone

Dat levert natuurlijk spanning op, maar het biedt ook mogelijkheden. Door constant heen en weer te bewegen tussen privéwereld en de openbaarheid kunnen we twee typische menselijke rollen perfect afwisselen, namelijk onze rol als individu en als lid van een gemeenschap. Dit past ook precies bij onze menselijke, toch wat gespleten aard: we willen erbij horen én ons afzonderen.

De coronacrisis van dit voorjaar was de laatste druppel: ik kwam tot de overtuiging dat het wel degelijk een goed idee is publiek en privé, buiten en binnen, uit en thuis, strikt te scheiden.

Als er iemand mentaal voorbereid moest zijn op een thuisquarantaine, was ik het toch wel. Dacht ik. Want een half jaar eerder had ik een boek gepubliceerd over het thema thuis: Thuis. Filosofische verkenningen van het alledaagse (2019). En mijn voorgaande boek, Kleine filosofie van het rijtjeshuis (2014), had ik geschreven naar aanleiding van een aanbeveling van Montaigne: ‘Je hebt thuis genoeg te doen, loop niet weg’. Maar al na twee ­weken binnenblijven was de lol van het thuisblijven af.

Hoe minder mogelijkheden tot ‘uitgaan’ er waren, hoe minder waardevol het ‘thuisblijven’. Binnen en ­buiten bleken twee kanten van dezelfde medaille te ­vormen, die alleen samen zin en waarde hebben. Ge­borgenheid is onmisbaar, maar als je niet naar buiten kan of mag, ben je eigenlijk opgeborgen, om niet te zeggen: opgesloten. En uitgaan en buiten zijn is alleen echt aangenaam en zinvol als je op ieder moment dat je dat wilt, naar binnen kan. Anders ben je thuisloos, dakloos.

In het gedeelde kantoor van o.a. de ministeries­­ van infrastructuur­­ en waterstaat en van buitenlandse zaken in Den Haag is er normaal gesproken een run op de flexplekken. Nu is er keus te over. Er zijn 4400 werkplekken voor ruim 6000 medewerkers.Beeld Werry Crone

De scheiding tussen binnen en buiten dient dus wel strikt, maar niet absoluut te zijn. Tussen binnen en buiten moet een grens getrokken worden – maar er moeten ook grensovergangen zijn. Je moet van binnen naar buiten en weer terug kunnen. En je moet dat ook vaak, liefst dagelijks doen. Het gaat niet om een balans maar om een route, en vooral ook: een routine.

Eerst even naar het station

Mijn vrouw gaf het goede voorbeeld. Afgelopen maart kwam ook zij door de coronacrisis thuis min of meer vast te zitten. Terwijl ze gewend was wel anderhalf uur per (werk)dag met de trein te forensen. Al snel begon ze te wennen aan het thuiswerken. Maar eind april begon ze toch iets te missen: het dagelijkse loopje van ons huis naar het station. Sindsdien loopt ze, ook al moet ze thuiswerken, ’s ochtends eerst even naar het station en vervolgens weer naar huis, zodat ze toch echt naar haar werk is gegaan en zodoende ook gevoelsmatig echt aan het werk kan. De eerste keer keek ik even verbaasd op – maar ik begreep het meteen. De volgende dag al deed ik haar na, niet naar het station maar gewoon een paar blokjes om. Heerlijk om even de deur uit te lopen, op weg te gaan naar je werk.

Het gaat er daarbij ook om wáár je bent, wáár je loopt. Dat zou geen privéterrein moeten zijn, maar door de straten en over de stoepen, door de openbare ruimte. De publieke ruimte.

De Deense filosoof Søren Kierkegaard leefde als een soort kluizenaar in Kopenhagen, maar maakte toch dagelijks een uitgebreide wandeling door de stad. Kierkegaard verliet dus als het ware dagelijks zijn verheven schrijfhut om af te dalen naar de wereld van alledag. Hij noemde zijn dagelijkse wandeling een ‘mensenbad’.

Als ik het goed begrepen heb, had Kierkegaard het ‘bad’ graag warm: hij knoopte praatjes aan met jan en alleman en stelde zich op de hoogte van de laatste roddels. Dat is mij iets té warm, wat mij betreft moet het bad lauwwarm zijn.

Het moet natuurlijk geen koude douche zijn: het is buitengewoon onprettig als op straat de ieder-voor-zich-mentaliteit overheerst en iedereen elkaar volledig negeert. Of als je bij een bushalte staat te wachten samen met allemaal mensen die naar hun mobieltje staan te staren. Maar het moet er ook weer niet te ‘warm’, te knus worden. Als buiten als het ware een binnen wordt, dat wil zeggen, als het in de publieke ruimte te knus en gezellig wordt… Als het kortom ons-kent-ons wordt. Dan wordt het te warm. Het gaat erom dat je er allemaal bezoeker en voorbij­ganger bent. Dat je paradoxaal genoeg even als voorbijgangers onder elkaar bent.

Eigen ommetje

Minstens zo belangrijk als een thuiskantoor is denk ik dus de route (en routine) ernaartoe. De meest voor de hand liggende plek voor een tuinkantoor is, neem ik aan, de achtertuin. En dan lijkt een tuinpad misschien voldoende om even het gevoel van onderweg zijn op te wekken. Maar ook dan lijkt het mij raadzaam door de voordeur naar buiten te gaan, even de straat of stoep op te gaan, om vervolgens achterom weer de tuin binnen te gaan naar je tuinkantoor.

Komend voorjaar gaan we verhuizen naar een plek dichter bij werk van mijn vrouw, zodat ze niet meer met de trein hoeft, maar dagelijkse met de fiets kan. Ze heeft ons ook al ingeschreven voor een volkstuintje in onze nieuwe woonplaats. Dat hoeft nu dus geen tuin met een huisje te zijn. Het nieuwe huis heeft weer een grote zolder waar ik mijn werkplek kan inrichten. Ik hoef alleen maar nieuwe ommetjes door de buurt te vinden om toch naar mijn werk te kunnen gaan. 

Pieter Hoexum (1968) is filosoof en schrijver. Voor Trouw schrijft hij regelmatig over wonen, vorig jaar verscheen zijn boek Thuis. Filosofische verkenningen van het alledaagse (AtlasContact, 2019).

Lees ook:

Tuinkantoor, schrijfhut, nest of mancave, in deze tuinhuisjes is het prettig werken

Het begon met een paar maanden thuiswerken aan een hoekje van de eettafel, in de slaapkamer of op zolder. Maar nu het thuiskantoor door corona een blijvertje lijkt te worden, groeit ook de behoefte aan een permanente, professionelere en afgezonderde werkplek in huis. Wat te doen als de ruimte ontbreekt? 

Deze tips uit de topsportwereld helpen je om het thuiswerken vol te houden

Genoeg slapen, voldoende bewegen, goed eten en ontspannen. Het is allemaal nodig om het thuiswerken te kunnen volhouden, zegt leiderschapscoach Godelieve Meeuwissen. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden