Tien gebodenSalo Muller

Salo Muller: ‘Niemand hoeft zijn hoed voor mij af te nemen omdat ik als enige de NS heb aangepakt’

Salo MullerBeeld Mark Kohn

Salo Muller (Amsterdam, 1936), fysiotherapeut van Ajax van 1960 tot 1972, schreef diverse boeken en streed met succes voor schadevergoedingen van de NS voor slachtoffers van de shoah. Hij werd onlangs bevorderd tot officier in de orde van Oranje-Nassau.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“De dominee van het Friese dorp waar ik als zesjarig jochie zat ondergedoken zei: ‘Japje – dat dat was mijn schuilnaam, Japje Mulder – als je maar hard genoeg bidt, zal God er wel voor zorgen dat je ouders terugkomen’. Dat heb ik gedaan, op mijn knietjes, iedere avond voor het slapen gaan, tot de dag – twee jaar na de oorlog – waarop ik een brief kreeg van het Rode Kruis: ‘We moeten u helaas mededelen dat uw ouders zijn overleden’. Overleden. Het stond er echt. Ze zijn niet zomaar overleden, ze zijn vergast. In Auschwitz. Mijn moeder op 12 februari 1943, mijn vader een paar maanden later, op 30 april. Ik vind het moedig hoor, als je durft te zeggen dat God er een bedoeling mee heeft gehad om jouw geliefden tot zich te nemen; als je geloof zó sterk is dat je zoiets gruwelijks kunt accepteren, maar ik kan het niet. Ik kan niet geloven in een God die het goed vindt dat miljoenen mensen op beestachtige wijze worden afgeslacht. En als mijn ouders de oorlog wél hadden overleefd? Dat is een goeie vraag... Dan zou het onmogelijke zijn gebeurd en móest God dus wel bestaan. En dan had er nu een gelovig man tegenover je gezeten.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Tijdens mijn jaren als fysiotherapeut bij het eerste elftal van Ajax heb ik van dichtbij meegemaakt hoe die jongens, de ‘Godenzonen’, op een voetstuk werden geplaatst. En waarom? Voetballen is ook maar gewoon een vak. Sommige spelers werden daar een beetje hautain van, maar de meesten konden er nog aardig mee overweg. Zo’n jongen als Cruijff bijvoorbeeld: al stonden er hónderd fans bij de spelersbus te wachten, ze kregen allemaal, stuk voor stuk, een handtekening van hem. En van mij – ik werd steeds bekender en hoorde op een gegeven moment helemaal bij die groep – kregen ze er óók een. Ik ben helemaal niks meer of minder dan een ander. Alsjeblieft zeg! Een tijdje terug kreeg ik een lintje van de koning. Ik was al ridder, nu mag ik mezelf ­officier in de orde van Oranje-Nassau noemen. Kun je ’t je voorstellen? Officier? Omdat ik het, als enige, heb aangedurfd om de Nederlands Spoorwegen aan te pakken die het vervoer van Joden, Roma en Sinti naar Westerbork hadden mogelijk gemaakt. Ik ben blij met die onderscheiding, hoor, maar ik wil niet dat mensen nu ineens tegen me gaan opkijken of zo. Niemand hoeft z’n hoed af te nemen als Salo Muller binnenkomt.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Als ik per ongeluk een keer vloek, zeg ik meteen sorry. Moet je niet doen. Hoort niet. Het heeft te maken met respect, met zorgvuldig omgaan met elkaar. Het snijdt me door mijn hart om die spreekkoren in voetbalstadions te horen en je wil niet weten hoe vaak ik voor kankerjood ben uitgemaakt. Het antisemitisme begint wéér toe te nemen. Zoiets mag je niet zeggen natuurlijk, maar ik denk echt dat het komt doordat de mensen die van buiten komen, de asielzoekers, tijdens hun jeugd hebben geleerd dat Joden slechte mensen zijn die de wereld willen veroveren. Als je dat maar vaak genoeg tegen kinderen zegt, gaan ze het vanzelf geloven. Het begint dus bij de opvoeding, bij de ouders, maar ik vind ook dat de overheid strenger moet optreden. Voor het roepen van dingen zoals ‘Vuile rotjood, je moet dood!’ zou je een flinke geldboete moeten krijgen, of een paar weken gevangenisstraf. Geert Wilders werd ook aangepakt na zijn uitspraken over ‘minder Marokkanen’, maar ja, als meneer Akwasi op de Dam roept dat hij Zwarte Piet in zijn gezicht zal trappen, wordt de aanklacht na een ‘Sorry, had ik zo niet bedoeld’ alweer ingetrokken. Dat kan natuurlijk niet. Er moet één lijn zijn: wie aanzet tot haat, geweld of discriminatie verdient straf.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Mijn ouders waren liberaal joods, maar op Jom Kippoer, Grote Verzoendag, gingen ze altijd naar de synagoge. Daarom vieren wij die heilige feestdag ook, ieder jaar weer. Mijn kinderen en mijn kleinkinderen gaan naar sjoel, mijn vrouw maakt heerlijke dingen klaar – viskoekjes, koffie met kaneel – en dan komen we bij elkaar, denken we extra aan onze grootouders, ouders, ooms, tantes, neven en nichtjes die zijn vermoord. Het is gek, ik heb hier al zo vaak over gesproken maar nu zit ik, een man van 84, toch weer met de tranen in z’n ogen te vertellen dat hij zijn vader en moeder nog altijd mist.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn moeder bracht me naar school en zei: ‘Tot vanavond en lief zijn, hoor!’ Die dag werd ze tijdens een razzia opgepakt en naar de Hollandse Schouwburg afgevoerd. Mijn vader ging er ook heen, om bij zijn vrouw te zijn. Ik werd op school opgehaald en naar mijn oom en tante gebracht. Diezelfde middag stonden daar ineens drie mannen in zwarte kleren voor de deur. Mijn tante had gezegd dat ik me moest verstoppen. Tegen de mannen zei ze dat haar dochter, mijn nichtje, roodvonk had. Net toen ze rechtsomkeert maakten, kwam ik – uit nieuwsgierigheid, denk ik – tevoorschijn. ‘Wie is dat?’ ‘Het zoontje van mijn zus.’ ‘Meekomen!’ Ze gooiden me achterin een vrachtwagen en brachten me naar de Schouwburg. Daar zag ik mijn ouders op het podium staan. Ik holde naar mijn moeder, probeerde haar hand te pakken, maar een verpleegster en een soldaat trokken me bij haar vandaan en brachten me naar de crèche aan de overkant van de straat. Daar heb ik vier dagen en nachten geschreeuwd om mijn moeder.

“Op een ochtend werd ik door mijn oom van de crèche gehaald, ik kon daar niet blijven, en naar een onderduikadres gebracht. Er zouden er nóg zeven volgen – op één plek werd ik letterlijk onder de vloer gestopt waar in het aardedonker de muizen over me heen liepen en ratten aan mijn armen en benen knaagden. De laatste twee in Friesland waar ik uiteindelijk door mijn tante, de vrouw die ik tot aan haar dood toe ‘moeder’ zou blijven noemen, werd opgehaald.

“Dat is het verhaal. En dit is wat ik iedere dag wel een keer voor me zie: mijn moeder, op het toneel, die haar arm naar me uitstrekt. Dit is wat ik nog heel vaak hoor: het fluitje van mijn vader, als hij thuiskwam van zijn werk. Soms, dat mag je best weten, kijk ik naar een foto van ons drieën, genomen op een zonnige dag aan het begin van de oorlog, en dan praat ik met ze. Ze zijn er nog, in mijn hoofd. Daar zullen ze altijd blijven. Ik wil ooit nog eens de reis maken die mijn ouders hebben gemaakt. Naar Westerbork. Van Westerbork naar Auschwitz. In mijn gedachten ben ik er al zo vaak geweest, tot op het laatste perron, maar ik durf niet écht te gaan, ik durf niet uit te stappen omdat ik dan denk aan hoe ze daar in die rijen hebben gestaan, aan de vernederingen die ze moesten ondergaan, hoe ze getatoeëerd werden, naar de gaskamers gejaagd en... nee, ik kan het niet. Mijn dochter heeft gezegd: als je gaat, dan ga ik met je mee. Misschien dat ik het dan wel durf, maar nu nog niet. Nu nog niet.”

VI Gij zult niet doodslaan

“We reden met paard en wagen naar een winkeltje in het het dorp. De boer had allerlei spullen besteld, toen de jongen achter de kassa naar mij wees en zei dat hij wist dat ik een jodenjongen was, en dat hij het aan zijn vrienden bij de NSB zou gaan vertellen. De boer en de winkelier werden zó boos dat ze hem zo, voor mijn ogen, met een hooivork hebben doodgestoken. Ik zie het nog steeds voor me. Ik zie de hooivork in zijn borst en in zijn rug, ik zie de plas bloed die almaar groter wordt. En dan vraag jij aan mij: was die moord geoorloofd? Is het ooit geoorloofd om een ander mens te doden? Ik zou, denk ik, nog geprobeerd hebben om die jongen op andere gedachten te brengen, maar wat nou als je met één moord de dood van duizenden mensen kunt voorkomen? Wat nou als de geallieerden eerder hadden ingegrepen en de spoorlijnen naar de vernietigingskampen hadden gebombardeerd? Dan waren er ook onschuldige slachtoffers gevallen, maar toch, ja: die opdracht had wat mij betreft wel gegeven mogen worden.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Conny en ik zijn al zevenenvijftig jaar getrouwd. Zij verloor, net als ik, haar ouders in de oorlog. Door diezelfde achtergrond kunnen we over veel dingen praten en zijn we misschien wel nóg sterker met elkaar verbonden. Eerst was ik alleen, toen vond ik haar en samen hebben we twee kinderen, een zoon en een dochter, gekregen. Daarna zijn er nog vijf kleinkinderen en twee bonuskleinkinderen bijgekomen. Het blijft voor mij een soort wonder, hoe ik na de oorlog met nul moest beginnen en nu zoveel mensen om me heen heb verzameld. We hebben elkaar eeuwige trouw beloofd – for better and for worse – en die belofte kom ik na. Natuurlijk ben ik op feestjes en partijtjes wel eens een leuke vrouw tegengekomen, maar ik heb nooit dat ene ‘borreltje te veel’ gedronken en overspel gepleegd. Ik zou het niet eens kunnen, denk ik. Ik heb vrienden, allemaal brave jongens, die iedere keer weer beginnen over de mooie vrouwen die ze hebben gezien. Hoe kun je zo leven? Andermans gras is nu eenmaal altijd groener, vervelend als je daar niet tegen kunt, maar ik vind het prima te verdragen.”

VIII Gij zult niet stelen

“Ze hebben mij geleerd dat je nooit iets van een ander mag afpakken, maar toen mijn tante na de oorlog bij onze oude buren aanbelde, zag ze de jassen van mijn ouders aan de kapstok hangen. De buurman zei dat mijn moeder, toen ze werd weggehaald, hem de sleutel had gegeven met de mededeling: ‘Als we niet meer terugkomen is alles voor jullie’. Ze lieten mijn tante het huis zien. Alles was weg. De mooie schilderijtjes aan de muur, het drumstelletje dat ik op mijn vijfde verjaardag had gekregen, meubels, boeken, kleren, al het zilverwerk: weg. Te zeggen dat we zijn bestolen is een understatement. Wat geroofd is, komt nooit meer terug, maar ik zal altijd blijven strijden voor genoegdoening. De mensen die hebben meegewerkt aan de deportaties van Joden; die ze in veewagens hebben afgeleverd aan de poort van de vernietigingskampen, moeten de pijn voelen, excuses maken, een bedrag betalen – al is het maar een beetje – omdat op die manier toch nog een kleine pleister op een grote wond kan worden geplakt. Na de Nederlandse Spoorwegen ga ik nu achter de Deutsche Bahn aan. Ik zal niet stoppen voordat ook daar wordt ingezien dat dit het minste is wat ze kunnen doen: slachtoffers en hun nabestaanden financieel een beetje tegemoetkomen.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“De boer riep me bij zich en zei: ‘Je bent al zeven jaar, dus je begrijpt vast wel dat het gevaarlijk is om nog Salo te heten. Voortaan noemen we je Jaap, Jaap Mulder.’ En omdat ik zo’n klein jongetje was, werd het al snel ‘Japje’. Hij liet het me keer op keer herhalen. Japje Mulder, Japje Mulder, ik ben Japje Mulder. Een neefje uit Limburg. Vandaar mijn zwarte haren. Ik heb zo goed geleerd te jokken, dat het me moeite kostte om na de oorlog de waarheid weer te spreken. Ik had mezelf altijd weggecijferd. Bang om iemand in gevaar te brengen, bang om mensen teleur te stellen, altijd lief zijn, braaf zijn.

“Mijn oom en tante werden mijn nieuwe vader en moeder; ze hadden alles voor me over en dan zou ik zeggen dat ik ook wel eens iets anders, iets voor mezelf zou willen? Dat kon niet. Ik zat altijd binnen te studeren, geen tijd voor vriendjes of vriendinnetjes, geen tijd om op straat te spelen. Toen ik in de derde klas van het Lyceum zat, was het ineens afgelopen: ik had er geen zin meer in. Ik wilde vrij zijn, naar buiten! Nadat ik uiteindelijk voor de opleiding voor fysiotherapie heb gekozen, kwam de echte omslag. Het was geen gewone school, het ging er veel minder streng aan toe en op een dag nam mijn leraar me mee naar Ajax waar ik de fysiotherapeut mocht gaan assisteren, afijn: een feest, alsof het echte leven daar begon. En ik heb sindsdien ook nooit meer hoeven jokken.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

 “Vroeger ben ik wel eens jaloers geweest op vriendjes die hun eigen vader en moeder, of een broertje of een zusje hadden. Mijn nichtje werd mijn zusje, daar was ik dolblij mee natuurlijk, maar ik heb heel lang het gevoel gehad dat ik tóch alleen op de wereld was. Vanaf het moment dat ik Conny heb leren kennen, er kinderen en kleinkinderen zijn gekomen, ben ik alleen maar gelukkiger geworden. Ik heb wat geld gespaard, ik krijg iedere maand m’n AOW en wat ik nog doe – de lezingen, de lessen op scholen – doe ik met liefde, voor een boekenbonnetje of een flessie wijn. Ik begeer echt niks meer. Ik ben dankbaar en tevreden. Zo zie je maar hoe je met de juiste opvang toch nog goed terecht kunt komen. Dat ziekelijke, bange jongetje is best een aardige man geworden, toch?”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden