Schrijver Rob van Essen.

Tien Geboden Rob van Essen

Rob van Essen: ‘Ik was een braaf, gelovig, beetje kwezelachtig jongetje’

Schrijver Rob van Essen. Beeld Martijn Gijsbertsen

Rob van Essen (Amstelveen, 1963) is schrijver. Hij debuteerde in 1996 met de roman ‘Reddend zwemmen’. Zijn verhalenbundel ‘Hier wonen ook mensen’ werd in 2015 bekroond met de J.M.A. Biesheuvelprijs. In mei 2019 won hij de Libris Literatuurprijs met de roman ‘De goede zoon’.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Het begint ermee dat mijn ouders eerst strenggelovig waren, een periode van God losraakten en daarna – ik was vier, mijn broer zes en mijn zussen acht en tien – weer terugkeerden naar de Gereformeerde Gemeente. Er was dus een zondig verleden, waar ik erg ongerust over was, wat ik wilde verzwijgen voor mijn schoolvriendjes – we waren sowieso verdacht in Twente, waar we eind jaren zestig als randstedelingen waren komen wonen. Ik had het gevoel in een verdachtenbankje te zitten; ik moest mezelf bewijzen. Misschien was ik daarom wel zo vroom. Ik was een braaf, gelovig, beetje kwezelachtig jongetje. Ik wilde later dominee worden, of zendeling. Dat leek me de enige mogelijke beroepskeuze als er zóveel mensen gered moesten worden. Bij ons in de kerk had je een paar bekeerlingen, die kwamen wel in de hemel, maar hoe moest het met het overige deel van de gemeente, de belendende kerken, de rest van de wereld? Ik zou voor God gaan werken. Ik hoefde Hem niet te vrezen; ik was Zijn kameraad.

Toch zorgde hetzelfde zondige verleden van mijn ouders ervoor dat ik van mijn geloof zou vallen. Mijn vader had een rijk gevulde boekenkast – niet alles was na de goddeloze periode gesneuveld – en hij vond het ook goed dat ik lid werd van de openbare bibliotheek. Daar vond ik boeken over de evolutietheorie die ik wel heel interessant vond. Ik kan me herinneren hoe ik in de vierde klas van de lagere school met een klasgenoot discussieerde over de ouderdom van de aarde. In de boeken over geologie en biologie las ik dat de aarde wel miljoenen jaren oud moest zijn, maar die jongen werd boos en zei ‘Zesduizend!’, precies zoals we het hadden geleerd. De onderwijzer greep in en raadde mij boeken van christelijke auteurs aan die de evolutietheorie konden weerleggen. Nooit gedaan. Ik vermoed dat ik al te veel was gaan twijfelen. De aarde in zes dagen geschapen? Dat kan toch helemaal niet? En de predestinatieleer, God die van tevoren heeft bepaald wie er in de hemel komt: wat is de zin van zo’n systeem?

Misschien is het wel makkelijker om van je geloof te vallen als je in zo’n strenge gemeenschap bent opgevoed, want van zo’n lichtere kerk, met een vloeibare God die zich aan elke wetenschappelijke ontwikkeling weet aan te passen, daar kom je helemaal nooit meer af.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Een bepaald gesneden beeld speelt in ‘De goede zoon’ een belangrijke rol: ‘For the Love of God’, de met diamanten afgezette schedel van Damian Hirst. Ik zag de schedel in 2008 in het Rijksmuseum, werd er net zo door geraakt als mijn verteller – hoe kunst ook een afspraak is – maar het effect was bij mij niet blijvend. Ik vond het vooral een mooi fenomeen om te gebruiken in de roman. De schedel heeft nu, na het boek, nóg een rol gekregen, door een weddenschap die ik met mijn uitgever, Sander Blom, ben aangegaan. Sander was zó enthousiast over ‘De goede zoon’ dat hij zei: ‘Als dit boek de longlist van de Libris haalt, laat ik ergens een tatoeage van die schedel zetten’. Later, toen mijn boek op de shortlist belandde, beloofde ik hetzelfde te doen als ik de Literatuurprijs zou winnen. Nu zitten we er dus allebei aan vast. Binnenkort gaan we naar de tattooshop. Ja, echt. Wedden van wel? Wat zetten we erop? Een aardbei? Oké, dan beloof ik hierbij plechtig dat, als ik voor 1 januari 2020 nog geen schedel heb laten tatoeëren, er later speciaal voor jou een aardbeitje naast zal komen te staan.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Als nieuwe Tweede Kamerleden de eed aflegden, zei mijn vader altijd: ‘D’r wordt weer heel wat afgevloekt vandaag.’ Dominees met grote auto’s konden ook op zijn ergernis rekenen. Hij gebruikte zelf tot mijn grote schrik ook weleens een krachtterm – hoe gaat dat aflopen, dacht ik dan – en had na een tijdje ook geen zin meer om op zondag twee keer naar de kerk te gaan. Ik bad iedere avond voor hem, en voor iedereen die zich weleens een krachtterm als ‘getverderrie’ of ‘hoepel op’ had laten ontvallen, of anderszins een van de tien geboden overtrad.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Vooral die preek duurde eindeloos. Na het ‘Amen’ veerden alle volwassenen op, dan klonk weer het geritsel van de rolletjes pepermunt en mochten we eindelijk weer gaan zingen. Langzaam, met zo’n aanzwellend vreugdeloos orgel, maar toch: het was heerlijk om zélf iets te mogen doen. Sommige psalmen vond ik erg aangrijpend, zoals psalm 22 bijvoorbeeld, waar de regel ‘Mijn beend’ren kan ik tellen, één voor één’ in voor kwam. Ik had natuurlijk ook met Jezus te doen, maar ik vond vooral die ene zin zo mooi.’

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn ouders waren ooit heel erg verliefd geweest, maar eigenlijk pasten ze niet goed bij elkaar. Mijn vader was intellectueler, had een scherpe tong. Een vriendin van mijn moeder had al eens tegen haar gezegd: ‘Ik zou nooit met zo’n sarcastische jongen willen trouwen!’ Mijn vader kon een beslissing op een of andere manier nog wel motiveren, maar zij had maar één argument om iets te verbieden: ‘Omdat het zo in de bijbel staat.’ En dan vroegen wij: ‘Waar dan?’ Dat wist ze natuurlijk niet, dus zei ze zoiets als: ‘Ja, dat zal ik jullie aan je neus hangen!’ Mijn moeder was een angstige vrouw, weinig empathisch, erg bezorgd om zichzelf, niet in staat om liefde te geven – hoewel ze dat misschien wel had willen doen. Ik herinner me dat toen mijn vader begon af te takelen – heel pijnlijk: de cryptogrammen werden steeds slordiger ingevuld en hele stukken bleven leeg – mijn moeder daar helemaal geen raad mee wist. Op advies van de fysiotherapeut was hij in mijn moeders stoel gaan zitten, maar daar zat hij volledig misplaatst, onthand, en als hij dan iets onsamenhangends begon te vertellen, keek mijn moeder met zo’n kille blik naar hem, alsof ze een groot, vreemd dier in de kamer had en zei: ‘Wat bedoelt ‘ie nou?’ Aan de andere kant: ik heb ook gehoord dat ze elkaar, tot het eind toe, voor het slapen gaan even een kneepje in de hand hebben gegeven. In 2002, het laatste jaar van mijn vaders leven, ben ik een paar keer naast hem in zijn ziekbed gekropen. Dat kon ik nog voor hem doen. Heel simpel: naast hem liggen. Ik was ook nieuwsgierig of ik het aankon om zo dichtbij te komen, fysiek ook. Kon ik hem op de pot zetten en zijn billen afvegen? Tijdens zijn laatste maanden nam ik zelfs afscheid met een zoen. Dat was heel onwennig want hoewel ik hem wel mocht, was er altijd een bepaalde afstand tussen ons geweest. Op het laatst, toen hij al versimpelde, lag hij soms al heel aandoenlijk met getuite lippen te wachten op mijn kus. Ik heb niet willen nadenken over mijn motieven. Het was een mix van emoties , ik voelde me soms haast hovaardig: ik was de enige van de kinderen die dit voor zijn vader overhad. Terwijl het net zo goed voor mezelf was, natuurlijk. Misschien wilde ik hem alsnog beter leren kennen, of mezelf aan hem kenbaar maken, want ik had altijd een versie van mezelf getoond waar híj mee kon leven, maar dat is niet gelukt. Ik nam afscheid van een man die ik veertig jaar had meegemaakt. Niet van iemand die ik had gekend. Ik zou nooit naast mijn moeder zijn gaan liggen, maar ik heb haar wel tien jaar lang, iedere woensdag, bezocht. Ook daarvan kun je je afvragen voor wie ik dat heb gedaan. Deed ik het voor mezelf of voor mijn moeder? Ik had haar een ander leven gegund. Buiten de kerk. Ze zou óók last van depressies hebben gehad, maar haar voortdurende angst voor het oordeel van anderen, voor het alziend oog van God en voor de mogelijkheid om in de hel te eindigen, hebben haar leven onnodig veel zwaarder gemaakt.”

Beeld Mark Kohn

VI Gij zult niet doodslaan

“Mijn moeder had een moeilijke overgang. Ze lag hele dagen in bed. Huilde veel. Ik ging als dertienjarige met mijn huiswerk bij haar zitten, om haar te troosten en een beetje rustig te houden. Het was een moeilijke periode voor het hele gezin, we leefden langs elkaar heen, ik voelde me door niemand gezien en ik weet nog goed dat ik vaak ging slapen met de gedachte dat ik het helemaal niet erg zou vinden als ik de volgende dag niet meer wakker zou worden. Ik had niet per se een doodsverlangen, maar ik wist ook niet hoe ik verder moest leven. Ik was mijn geloof kwijt, het gezin was geen echte eenheid meer... Ik voelde me ongeborgen. De angsten die ik deels van mijn moeder had geërfd, werden in de loop der jaren versterkt: ik kreeg last van pleinvrees, claustrofobie en emetofobie: angst om in besloten plaatsen over mijn nek te gaan. Rond mijn veertigste waren mijn fobieën min of meer verdwenen, maar ik ben die levensangst nooit helemaal kwijtgeraakt. Als ik in een overvolle trein zit, weet ik meteen: o ja, zó voelde dat, die neiging om te gaan... slaan? Heb jij dat? Dat lijkt me een stuk gezonder. Ik sla niet. Ik heb nooit geslagen. Jezus sloeg ook niet. Altijd de andere wang toekeren. Bidden om vergeving. Ik nam het allemaal zo verschrikkelijk serieus. Het zit in mijn natuur, maar die godsdienst heeft er ook voor gezorgd dat ik zo kwezelachtig ben geworden. Niet ‘De Vlegeljaren van Pietje Bell’, maar ‘De Kwezeljaren van Rob van Essen’. Het christendom heeft me gecastreerd, beroofd van een soort natuurlijke toestand die ik nooit heb gekend.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Vorig jaar leerde ik Lize (Lize Spit, Belgische schrijfster, AV) kennen en al mijn angsten – voor zover nog aanwezig – werden overstemd door de liefde en alle emoties die daarbij komen kijken. Ik ben in het diepe gesprongen. Opmerkelijke actie voor zo’n voorzichtig iemand als ik, inderdaad, maar het begint er toch op te lijken dat ik op sommige gebieden veel zelfverzekerder ben geworden. Of ik kan mijn twijfels beter beheren. Dat kan natuurlijk ook.”

VIII Gij zult niet stelen

“Het werd niet in mijn gezicht gezegd, maar ik weet dat er mensen waren die mij in de jaren tachtig en negentig maar een profiteur vonden, een dief in feite, want door niet zelf te gaan werken stal ik geld van de gemeenschap. Destijds beweerde ik dat iedereen recht zou moeten hebben op een uitkering, maar ik denk dat het vooral een vertaling van mijn eigen levensangst was. Er werden geen eisen aan mij gesteld. Ik moest één keer per maand een papiertje inleveren en verder lieten ze me met rust. De keuringsarts, meneer Nassy, had me vrijgesteld van de sollicitatieplicht: ‘Ga jij maar schrijven’.

Schrijven was zo’n beetje het enige waar ik nog plezier aan beleefde. Ik was depressief, bleef hangen in die lethargie, bouwde in zekere zin een schuld op... nou ja, het is natuurlijk niet écht een schuld, maar toen ik de Libris Literatuurprijs kreeg en er meteen, door meerdere mensen, op werd gewezen dat er ‘nog wel belasting over moest worden betaald!’ dacht ik wel: dat is echt the least of my worries. Door iets terug te geven, kan er juist weer een mooi evenwicht ontstaan.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Op papier durf ik meer dan in het echte leven. Laatst moest ik ergens optreden en na afloop wees Lize me erop dat ik tijdens het voorlezen uit ‘De goede zoon’ de vloeken had afgezwakt. In het boek zijn al die gvd’s functioneel, ze passen in een bepaald ritme, ze móeten erin, maar... misschien gebruik ik als schrijver gewoon minder filters. Ik houd sowieso minder rekening met anderen als ik schrijf. Het mag geen onbegrijpelijk proza worden, maar ik probeer de lezer zo ver mogelijk mee te voeren, in de hoop dat ‘ie er onderweg niet de brui aan geeft en op het eind iets anders heeft meegemaakt dan wanneer hij zo’n diep realistische roman had gelezen.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Een schrijver maakt iets waar niemand op zit te wachten en hij is pas tevreden als iedereen zijn boek leest, als er lovende recensies verschijnen, als hij genomineerd wordt en prijzen krijgt. Zo organiseert hij zijn eigen teleurstelling. Jaloezie is nooit ver weg. Toen dat tot me doordrong, heb ik mezelf ernstig toegesproken: je vraagt hier zelf om, dus je moet niet gaan zeuren als er niet aan jouw kinderlijke verlangens wordt voldaan.

Ik had tot nu toe een comfortabele positie: ik was een writers writer, mij kon in feite niets gebeuren. Nu er meer dan 40.000 exemplaren van ‘De goede zoon’ zijn verkocht, zie je de gun-factor onmiddellijk dalen. Bij het volgende boek gaat mijn hoofd op het hakblok. Het wachten is nu op de eerste recensent die zal zeggen dat het allemaal toch niet zoveel voorstelt wat ik schrijf. Maar wat had ik dan moeten doen? Na de toespraak van de juryvoorzitter blijven zitten en zeggen: ‘Geef die prijs maar aan Ilja Pfeijffer, hij kan er vast veel beter mee omgaan dan ik’? Had ik tegen Lize moeten zeggen dat ik toch maar liever aan de kant blijf staan? Dat komt niet in me op.

Succes in mijn werk, succes in de liefde. Ik moet er nog wel een beetje aan wennen, maar tegelijkertijd denk ik: nú wordt het spannend. En ik ben er klaar voor.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden