LevenslessenReza Kartosen-Wong

Reza Kartosen-Wong: Ik wil dat mijn kinderen er echt bij horen

Beeld Merlijn Doomernik

Soms voelt hij zich Nederlands, soms Indonesisch, soms Aziatisch. Reza Kartosen-Wong (46) schrijft in zijn columns en in zijn onlangs verschenen prentenboek ‘Waar is mijn noedelsoep?!?’ over het Nederland van nu.

1. Kijk kritisch televisie

“Op de basisschool in Amstelveen was ik een van de weinige niet-witte leerlingen. Dat heb ik geweten. Met sinterklaas werd ik uitgemaakt voor Zwarte Piet. Later, toen er nieuwe klasgenoten uit Suriname kwamen, was ik niet langer het donkerste kind en verlegde de focus zich. Ik deed vrolijk mee met uitlachen, zo werkt dat mechanisme.

Toch bleef ik zo nu en dan het gevoel houden er niet bij te horen. In de boekjes die ik las en in de televisieprogramma’s die ik keek, waren de helden allemaal wit. Ik wilde soms van mijn kleur af. Nu ik erop terugkijk, doet het nog meer pijn dan het toen deed. Omdat er sindsdien te weinig is veranderd en mijn zoons van 5 en 1 met hetzelfde te maken kunnen krijgen.

Ik probeer mijn studenten kritisch tv te leren kijken. Mensen van niet-westerse komaf zijn nog altijd ondervertegenwoordigd op de Nederlandse tv. Als ze wel in films of series te zien zijn, is dat doorgaans in stereotiepe rollen. Of ze worden uitgenodigd aan talkshowtafels om te praten over onderwerpen als migratie, zelden over het begrotingstekort. Dat is zorgwekkend: onbewust neemt de kijker vooroordelen over.”

2. Liefde gaat over grenzen

“De toon van mijn columns en opinieartikelen is niet soft. De komst van mijn kinderen heeft mij een extra reden gegeven om mijn werk te doen zoals ik dat doe. Ik wil niet dat zij telkens gezien worden als ‘de ander’. Maar ik heb ook wel stukken geschreven die milder zijn. Over mijn vader en moeder bijvoorbeeld. Zij doet met hem mee aan de ramadan en hij viert met haar Kerstmis en Pasen.

Mijn vader is Indonesisch, geboren in het uiterste puntje van Papua. Arbeidersklasse, islamitisch. Studeren ging niet, dat was alleen weggelegd voor Nederlanders en Indo-Europeanen. Hij is een gelukszoeker en kwam daarom naar Nederland.

Mijn moeder groeide op in een gezin uit de hogere middenklasse: mijn opa is geboren in India, destijds een kolonie van de Britten. Hij was officier bij de RAF en zo belandde hij in 1945 in Surabaya, waar hij mijn Indo-Europese oma leerde kennen. Zij was katholiek, hij moslim. Toen de spanningen in Indonesië opliepen en het in 1965 gevaarlijk voor hen werd, vluchtten ze halsoverkop naar Nederland.

In alles zijn mijn ouders elkaars tegenpolen: klasse, religie, etniciteit. Mijn vrouw Chee-Han en ik zijn ook verschillend, zij heeft Chinese wortels en is in tegenstelling tot ikzelf atheïst. Vaak wordt gedacht dat contrasten voor conflicten zorgen, maar door mijn ouders weet ik niet anders dan dat tegenstellingen geen belemmering hoeven te zijn om een diepe, liefdevolle relatie aan te gaan. Het is de belangrijkste les die ik van hen heb afgekeken en wil doorgeven.”

Beeld Merlijn Doomernik

3. Creëer een Londen aan de Amstel

“Ik zeg het nu wat dramatisch, maar in 2012 zijn Chee-Han en ik naar Londen gevlucht. We hadden de indruk dat we niet meer als echte Nederlanders werden beschouwd. Mijn vrouw werkt als editor in de reclame, maar kwam in die tijd niet aan de bak bij de grote Nederlandse bureaus. In onze ogen had dat onder meer te maken met vooroordelen: vrouwen zouden niet creatief zijn en Chinezen al helemaal niet – die kunnen rekenen als de beste, maar zijn niet artistiek. In Londen had ze wel direct volop opdrachten – voor A-merken. Grappig genoeg ook voor de Nederlandse markt.

Herkomst en etniciteit deden er in Londen niet toe. Als we een baby zouden krijgen, wilden we hem of haar in die stad grootbrengen. We zagen de scholen daar, de kinderen uit de buurt, de programma’s op de BBC. Een Nederlandse vriend zei toen: ‘Je moet dat ook willen voor Nederland.’

Het zette ons aan het denken. Wij zijn in Nederland geboren, het land heeft ons veel gegeven, maar wij en onze ouders en grootouders hebben het land ook veel gegeven. Mijn opa heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog gestreden voor de vrijheid van Nederlanders en zorgde ervoor dat ze niet werden gedood. Dan moeten we niet wegrennen, maar teruggaan en meewerken aan een mooier, inclusiever Nederland, een Londen aan de Amstel creëren.”

4. Ruil pannekoeken voor noedelsoep

“Daarom schreven we ‘Waar is mijn noedelsoep?!?’ Het kinderboek gaat over de vijfjarige Sam-Ming, die op school zijn lunch kwijt is. Hij gaat zijn klasgenootjes af en vraagt wie zijn soep heeft gevonden. Zo ziet hij wat de anderen eten: Surinaams, Turks, Grieks. Het draait erop uit dat Louise de soep heeft gepakt, zij wilde wel eens wat anders dan pannekoeken. Sam-Ming krijgt de pannekoeken en ze worden vriendjes.

Een hoofdpersonage van Aziatische origine die niet in stereotypen wordt neergezet, zie je niet veel in Nederlandse kinderboeken. Maar het was ons om meer te doen. Een van de kinderen uit het boek zit in een rolstoel, een ander heeft twee vaders. Dat is wat je ziet op het schoolplein, maar niet wat je doorgaans leest.

Het is een geweldig cliché, maar eten verbindt. Voedsel is een cultuurdrager, door met elkaar te eten leren we over andere culturen. Daarom is de middagmaaltijd het onderwerp van het boek. Het aardige is dat meerdere mensen ons lieten weten dat hun kinderen door ons boek ook eens wat anders willen eten.”

5. Migrantenvakanties bieden houvast

“In mijn jeugd gingen we elke zomer naar Indonesië, maar mijn witte Nederlandse vrienden hebben meer van dat land gezien dan ik. In feite waren het lange familiebezoeken, migrantenvakanties noem ik ze.

Veel kinderen met niet-westerse roots hebben het gevoel dat ze erbuiten staan. Ze hebben weinig positieve rolmodellen. Ik ging naar Indonesië en zag daar familieleden en vrienden van mijn ouders die architect, arts of hoogleraar waren. Dat heeft er mede voor gezorgd dat ik, ondanks dat ik mezelf wel eens buitengesloten voelde, een heel fijne jeugd heb gehad. Mijn Indonesische afkomst bood houvast. Door mijn migrantenvakanties kreeg ik zelfvertrouwen.” 

Beeld Merlijn Doomernik

6. Schakel lekker tussen culturele identiteiten

“Uit mijn promotie-onderzoek bleek dat Nederlandse jongeren met een Aziatische achtergrond sinds eind jaren tachtig een nieuwe, pan-Aziatische culturele identiteit hebben gemaakt. Indonesisch-Nederlandse tieners kijken bijvoorbeeld Japanse anime en voelen zich daardoor Aziatisch. In de jaren negentig organiseerde ik Asianparties: clubavonden voor jongeren van onder meer Indonesische, Chinese en Vietnamese komaf. Ik zag voor mijn ogen gebeuren dat ze hun verschillen op zo’n feest wegzetten en de overeenkomsten benadrukten. Hun ouders en grootouders hebben dat niet.

Mijn vader en moeder beschouwen zich niet als Aziatisch. Thuis kreeg ik veel mee van de Indonesische en Indische cultuur, maar het was geen ‘Aziatische’ opvoeding. Mijn oma heeft lang geen sushi willen eten vanwege de oorlog en de Japanse bezetter.

Aziatisch-Nederlandse jongeren weten zich niet helemaal gekend in de cultuur op hun school of werk. Ze zijn evenmin volledig op hun plek bij de te beperkende en traditionele Chinese of Indonesische cultuur bij hen thuis. Hun zelfgecreëerde Aziatische identiteit geeft hen de ruimte om zich niet langer uitgesloten te voelen in Nederland. Dat klinkt misschien tegenstrijdig, maar die Aziatische identiteit is in feite op Nederlandse leest geschoeid: de Aziatisch-Amerikaanse identiteit is bijvoorbeeld veel politieker van aard dan de meer op de populaire cultuur en het dagelijks leven gerichte Aziatisch-Nederlandse tegenhanger.

Wie een migratiegeschiedenis heeft, schakelt de hele dag. Zelf ben ik vooral Aziatisch bij mijn vrouw. Ik voel me Indonesisch als ik in een restaurant zit en iemand zie die een familielid zou kunnen zijn. Dan ga ik opzettelijk woordjes Indonesisch met mijn zoontje praten. Zo ontstaat soms met iemand een warm gesprek in het Bahasa.

Maar in de eerste plaats ben ik Nederlander. Het meest ervaar ik dat als ik in Jakarta met mijn neven en nichten politieke discussies voer.”

7. Op Schiphol landen is thuiskomen

“Als kind was ik vrij rechts en pro-Amerikaans. Mijn zus plaagde me laatst nog toen ze een aan mij gerichte brief van de Amerikaanse ambassade tegenkwam: een bedankje voor de beterschapskaart die ik Ronald Reagan ooit had gestuurd. Veel geld verdienen was mijn doel. Ik handelde in merkkleding en voor mijn zestiende verjaardag vroeg ik mijn ouders niet om geld voor een brommer, maar om me in te schrijven op de aandelenemissie van DSM. Moest mijn moeder bij de bank een effectendepot voor mij openen, omdat ik minderjarig was. Ik kon haar precies uitleggen wat ze moest doen. Er veranderde iets toen ik naar hiphop ging luisteren. De teksten boden mij een venster op een andere wereld. Vanaf dat moment werd ik linkser. Ik raakte doordrongen van ongelijkheden en misstanden.

Het ergste vind ik etnisch profileren. Het is me te vaak overkomen. Op een vlucht van Hongkong naar Nederland werden mijn zus en ik op Schiphol apart genomen. We stonden op een lijst. Ik kon er een blik op werpen: uitsluitend niet-Nederlandse achternamen. Het was te doen om mensen die veel naar Azië reisden en daar mogelijk elektronica inkochten en hier illegaal invoerden. Op het vliegveld in Hongkong had ik witte Nederlanders gadgets zien inslaan. Zij konden zo doorlopen. Van andere witte Nederlanders ving ik een gesprek op. Ze hadden in Azië veel meer vluchten gemaakt dan ik. Zij werden er nooit uitgepikt.

Op Schiphol aankomen is thuiskomen, dat maakte het voor mij extra navrant. Ik ben Nederlands, zie Nederland als mijn thuisland. Maar vanwege mijn afkomst word ik soms als tweederangsburger behandeld. Dat is kwalijk en pijnlijk, maar ook de brandstof die mij motiveert om als schrijver en columnist bij te dragen aan het tegengaan van dit soort praktijken.” 

Reza Kartosen-Wong (Amsterdam, 1973), opgegroeid in Amstelveen, was journalist voor de Wereldomroep en is mediawetenschapper, schrijver en columnist. In 2016 promoveerde hij op een studie naar Aziatische Nederlanders, hun omgang met populaire media en de invloed daarvan op hun identiteitsvorming. Hij is docent mediastudies aan de Universiteit van Amsterdam, heeft een column in Het Parool. Recent verscheen zijn kinderboek ‘Waar is mijn noedelsoep?!?’ dat hij met zijn vrouw Chee-Han schreef. Samen hebben ze twee zoontjes.

Trouw vraagt wekelijks een bekende of minder bekende Nederlander: welke levenslessen heeft u geleerd?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden