Schrijver Remco Campert, Nederland, 25 mei 1964. Beeld ANP
Schrijver Remco Campert, Nederland, 25 mei 1964.Beeld ANP

In memoriamRemco Campert

Remco Campert (1929-2022) bracht lichtheid in de Nederlandse literatuur

Schrijver Remco Campert veegde alle literaire pretenties weg. Op luchtige toon richtte hij zich vanaf de jaren zestig op een nieuwe generatie lezers. Soms ving hij de tijdgeest in één zinnetje: ‘Het was seks op het eerste gezicht’. Maandag is hij overleden.

Rob Schouten

Toen de experimentele Vijftigers begin jaren vijftig van de vorige eeuw hun opwachting in de Nederlandse letteren maakten, was Remco Campert de jongste loot aan hun stam. De jongste en de gematigdste. Als hij al een experimenteel genoemd kan worden dan vooral eentje die experimenteerde met een luchtige, alledaagse toon. Later kreeg je schrijvers als Rutger Kopland en K. Schippers die het allergewoonste verder probeerden uit te diepen, maar het was Remco Campert die in de Nederlandse naoorlogse literatuur de eerste was die alle literaire pretenties wegveegde.

Piepjong was hij toen hij in 1951 debuteerde met de bundel Vogels vliegen toch. Over zijn afkomst schreef hij simpel: Geboren ben ik, nu nog / 28 juli 1929 in Den Haag / zoon van mijn moeder / zoon van mijn vader’.

Die vader was Jan Campert, omstreden verzetsheld en auteur van het befaamde gedicht Het lied der achttien dooden, zijn moeder de actrice Joeki Broedelet. Remco Campert groeide dus al op in een cultureel en literair milieu alvorens hij in 1950 samen met Rudy Kousbroek het tijdschrift Braak oprichtte, samen met Blurb van Simon Vinkenoog broeikas van de Vijftigers. De namen Braak en Blurb zeggen genoeg: van de gevestigde schrijversidealen moesten ze niet veel hebben.

De Vijftigers werden nooit een programmatische club, iedereen ging na verloop van tijd zijn eigen weg, Gerrit Kouwenaar werd een autonomistische taaldichter, Bert Schierbeek experimenteerde met de vorm, Vinkenoog onderging een spirituele transformatie, Lucebert hanteerde behalve de pen vooral ook de schilderskwast en Remco Campert ontpopte zich als een soort chroniqueur van zijn generatie.

‘Ik bevestig dat ik leef’

Vooral in de jaren zestig en zeventig schreef hij verhalen en gedichten die de geest des tijds treffend in kaart brachten, zozeer zelfs dat de oude garde ervan wakker lag. ‘Alles zoop en naaide, heel Europa was één groot matras’, schreef hij. Maar zulke regels mochten op de televisie, toen net door de Nederlandse bevolking in gebruik genomen, niet uitgesproken worden. Dat het in zekere zin wáár was en dat Campert en anderen zelf deel uitmaakten van een vrolijke kunstenaarscirkel, waarin volgens behoudend Nederland de zeden op losse schroeven stonden, maakte het er allicht niet beter op.

Anders lag het met Camperts andere citaat, dat juist wel gretig aftrek vond:Poëzie is een daad van bevestiging. Ik bevestig dat ik leef’, sindsdien op menig poëziefestival de slagzin voor goede, doorleefde, betrokken dichtkunst.

Ook met zijn proza, in boeken als Het leven is vurrukkulluk, Liefdes schijnbewegingen en Tjeempie! of Liesje in luiletterland richtte Campert zich niet op het literaire establishment, maar op een nieuwe generatie lezers van jongeren, hippies en provo’s. Het waren gistende tijden, schrijvers als Jan Wolkers en Gerard Reve beschreven een nieuwe, vrije seksuele moraal, W.F. Hermans en Harry Mulisch stimuleerden met hun werk het maatschappijkritisch bewustzijn.

Remco Campert in 2016 Beeld Jorgen Caris
Remco Campert in 2016Beeld Jorgen Caris

Seks op het eerste gezicht

Het was Campert die al die kleine en grote revoluties ‘gewoon’ maakte, verteerbaar voor de generatie van dat moment. ‘Het was seks op het eerste gezicht’, schrijft hij in een van zijn verhalen; zó, haast achteloos, verwerkt hij de seksuele revolutie waarin liefde seks werd.

Dat hij met dit en andere publieksregels literaire punten scoorde, kan eigenlijk niet gezegd worden. Veel letterkundigen vonden zijn werk aanvankelijk te weinig diepgravend, te praterig en te licht. In 1976 kreeg hij weliswaar voor zijn poëzie, zijn levenslange corebusiness, de P.C. Hooft-prijs, maar er klonken ook zure tegenstemmen: zo’n simpele, vormeloze chroniqueur verdiende die belangrijke prijs niet. In die jaren schreef de ernstige criticus Kees Fens bij het verschijnen van een van zijn boeken dat ‘zwijgen nog het beste commentaar’ was.

Je kunt je die onderschatting bij nader inzien nauwelijks meer voorstellen. In latere jaren werd Campert juist een icoon van de Nederlandse literatuur en leerde men het eigen karakter van zijn werk steeds meer naar waarde schatten. Overigens schopte hij het nooit tot iets als ‘De grote drie’, het zou zijn werk allicht ook te veel absoluutheid hebben verleend.

Want in alles wat Campert in de loop van zeventig jaar produceerde, valt zijn enorme relativeringsvermogen op. Hij is bij uitstek de schrijver en dichter van de relativerende toon, ook en vooral zelfrelativering, van het menselijk tekort. Hoe jong zijn gedichten en verhalen tot op hoge leeftijd ook bleven klinken, eigenlijk etaleerde hij er juist een soort berustende wijsheid in, een mild-ironische oogopslag, en dat was iets waar Nederland in die aanvankelijk roerige en later ontwortelde tijden van de jaren zestig en daarna behoefte aan had. Een schrijver die al die losgeraakte gewoontes en ontwikkelingen weer op hun plaats zette.

‘Uit begraven’

Vooral bij tegenslagen was hij op z’n best, lichtvoetig brengt hij ze in kaart. Een begrafenisgedicht voor een vriend heet Uit begraven alsof het een opgewekt uitje betreft en als hij in een gedicht over Jaloezie (‘Jaloezie / je kunt er eigenlijk niet buiten / merk ik’) zich de werkzaamheden van de medeminnaar voorstelt, schrijft hij:

Wat zich binnen af ging spelen

stond me helder voor ogen

hoe ze haar lippen

hoe ze haar lichaam

hoe ze dezelfde kreten

o bittere triomf van het voorstellingsvermogen.

Behalve zijn relativerende grondhouding is het vooral de toon in zijn werk die de muziek maakt: luchtig, soepel, laconiek vaak, maar op gezette tijden toch ook vol emotionerende lyriek. Zoals in het befaamde gedicht Lamento, een van de klassiekers in de naoorlogse poëzie, met z’n stamelende poging om het verlorene vast te houden, want over de tijd en de vergankelijkheid van alles, daar gaat zijn werk ook heel sterk over.

langs het lange diepe water dat ik dacht

dat ik dacht dat je altijd maar

dat ik dacht dat geluk altijd maar

dat altijd maar het licht roerloos in de middag

dat altijd maar het middaglicht

Dat het niet altijd stemmingspoëzie was, blijkt dan weer uit zijn voorlaatste dichtbundel, Open ogen, waarin hij een voor de Nederlandse dichtkunst opmerkelijk direct engagement met de maatschappelijke en politieke werkelijkheid van onze tijd etaleert.

Columnist avant la lettre

Behalve dichter en schrijver was Campert ook een van Nederlands meest vooraanstaande columnisten. Eigenlijk al avant la lettre, als hij in 1962 als een van de eersten het genre in zijn korte proza uitprobeert: ‘Halverwege de Veluwe liet de zon het afweten, maar we deden alsof we het niet merkten. Het is altijd beter om aan dergelijke kinderachtige streken geen woorden vuil te maken. Sommigen van ons zetten zelfs zonnebrillen op, terwijl ik er toe overging om mijn jasje uit te trekken en de bovenste knoop van mijn overhemd los te maken.’

Pas aan het eind van de vorige eeuw werd hij ook daadwerkelijk columnist, voor de Volkskrant. Het zou me niet verbazen als hij juist met zijn eindeloze stroom columns de sterkste band met het grote publiek en met de jongste generaties onderhield.

Hij keek altijd om zich heen

Remco Campert was niet alleen een van de populairste schrijvers in Nederland, hij was ook, vanuit de uitgeverij die hij altijd trouw bleef, De Bezige Bij, iemand die volop in het literaire leven stond, die talent ontdekte en in huis haalde. Schrijvers als Jules Deelder en Jan Mulder hebben hun carrière in de literatuur in belangrijke mate aan Campert te danken. Ook in de poëzie was hij een centrale figuur, geliefd en gewaardeerd door alle gezindten. Geen wonder, zelf bleef hij bij alle modegrillen en stammenoorlogen al die jaren onverwisselbaar dezelfde. Hij bleef ook tot op hoge leeftijd actief, als dichter en als columnist: hij keek altijd om zich heen.

Gedurende zijn uitermate lange loopbaan in de literatuur ontving hij alle denkbare prijzen, waaronder in 2015 de prijs der Nederlandse Letteren, ter gelegenheid waarvan de jury schreef: ‘Remco Campert brengt lichtheid in de Nederlandse literatuur.’ Een in meerdere opzichten waar woord. Nog in zijn allerlaatste dichtbundel, Mijn dood en ik, uit 2019, gaat hij nuchter en in een bepaald opzicht speels met het einde om.

Remco Campert is op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Hij overleed op maandag 4 juli 2022.

Lees ook:

De vrouwen op het omslag van Remco Campert. ‘Iemand zei: er werken nog een paar leuke meiden beneden’

Daar staat haar moeder, twintig jaren jong, in een weinig verhullend negligé, met haar armen om een gevierd schrijver. Hoe hebben ze die foto op het omslag van dit boek verzonnen, toen in 1969, vroeg Jessica de Jong zich af. Ze ging op onderzoek uit en vond een tijd waarin vrouwelijk bloot gevierd werd. Door mannen dan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden