Heddy Honigmann: ‘Ik wil het maximale vangen. Vertel het me, wat is het dat jou zo raakt?’

Tien gebodenHeddy Honigmann

Regisseur Heddy Honigmann: ‘Hoe minder ik nadenk over de dood, hoe langer ik zal leven. Dat geloof ik echt.’

Heddy Honigmann: ‘Ik wil het maximale vangen. Vertel het me, wat is het dat jou zo raakt?’Beeld Mark Kohn

Regisseur Heddy Honigmann (Lima, 1951) is overleden op 70-jarige leeftijd, heeft haar familie zondag bekendgemaakt. Ze geldt als een van de grootste Nederlandse documentairemakers, die nationaal en internationaal furore maakte. In september 2021 sprak Arjan Visser haar in de Tien Geboden.

Arjan Visser

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Mijn vader is tijdens de oorlog communist geweest, hij had niets met het geloof, was er ook niet mee opgevoed. Mijn moeder wel. Ze leed er een beetje onder dat mijn vader zich er zo tegen verzette. Ze probeerde tijdens de joodse feestdagen, samen met haar moeder, nog een zekere traditie in ere te houden, maar tijdens die bijeenkomsten werd er niet echt een gevoel voor religie in me wakker gemaakt. Sterker nog: als mijn opa, mijn moeders vader, voorging in gebed – Baruch Ata Adonai Eloheinu, melekh ha’olam... – moest ik mezelf altijd in m’n bovenbeen knijpen om niet in de lach te schieten. Ik vond het zó’n raar toneelstuk.

Ik was als klein meisje veel meer onder de indruk van de monsters van mijn vader. Hij kon prachtig vertellen over monster X en monster Y die keer op keer met elkaar in gevecht gingen. Op leven en dood. Een van de twee had iets goeds; die moest zien te overwinnen. Hij heeft als tekenaar ook twaalf jaar lang, iedere week, een krantenpagina gevuld met de avonturen van Supercholo, een soort super-indiaan die iedereen de baas was.

Mijn vader heeft een jaar in het concentratiekamp Mauthausen gezeten. Hij vertelde niet veel over die tijd, alleen dat hij samen met een paar Tsjechen had weten te ontsnappen, naar het Oosten was gevlucht en zich daar bij het Rode leger had aangesloten. Volgens mijn vader waren er maar weinig goede mensen op de wereld. ‘Op één hand te tellen!’, riep hij dan. Toen ik veertien was, nam hij me mee naar de bioscoop waar ik naar een documentaire over de gruweldaden van de nazi’s, El fascismo al desnudo, moest kijken – móest kijken, want als ik wegdraaide, duwde hij mijn hoofd weer terug. Hup, kin omhoog. Na afloop zei mijn vader: ‘Dit is ons verleden, Heddy. Onthoud het goed: je kunt niemand vertrouwen, alleen bij Joden ben je veilig.’

Zeg, wat zit er eigenlijk in dat bakje? Kokos-koekjes? Geef mij er maar één.”

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Daar staat mijn Gouden Kalf. Ik heb er nog één, maar die wilde Stefan, mijn zoon, graag in huis hebben. Geen idee waar ik ze voor gekregen heb… (Crazy, 2000 en Forever, 2006, AV). Laatst kreeg ik een mailtje van iemand die schreef dat ik dit jaar met 100up weer in de prijzen zou kunnen vallen. Ik dacht: met een documentaire over stokoude mensen? Lijkt me niet. Maar ik houd me daar ook helemaal niet mee bezig. Weet je wat er door me heen gaat als ik naar dat beeld kijk? Dat ik ’m nodig weer moet poetsen! En dat ik kennelijk veel mensen een plezier heb gedaan. Vroeger ging ik tijdens de vertoning van mijn eigen films weleens achterin de bioscoop zitten. En als er op het juiste moment werd gelachen, of er even een stilte viel, wist ik: ik heb het goed gedaan. Zoiets zal ik zelf niet zeggen. Het was de zaal die het tegen me zei.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken gin

“Als iemand me kwaad maakt ga ik vloeken, maar daar heb ik achteraf meestal spijt van omdat ik er helemaal niet van houd om iemand te kleineren of te vernederen. Ik kijk liever naar het goede in de mens. Pieter van Huystee, mijn vaste producent, heeft me ooit eens gevraagd hoe het komt dat er alleen maar goede mensen voorkomen in mijn films. Omdat er al genoeg nare dingen worden gefilmd, zei ik toen, maar misschien… ja, dat is ’m, misschien ook wel omdat ik mijn vader het tegendeel wil bewijzen; dat er wel degelijk goedheid en liefde in de wereld bestaat. Niet dat ik met dat idee begin – zo van: ik ga eens even een film over goede mensen maken – maar als ik klaar ben en terugkijk, zie ik dat ik het toch weer heb gedaan.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Dingen maken, dat is het mooiste wat ik kan doen. Wat is daar op tegen? Ik heb MS, een chronische ziekte die me heel erg moe maakt, maar daar merk ik weinig van zolang ik bezig blijf. Aan het eind van de dag is er misschien al wat materiaal om te bekijken en kan ik gaan bedenken wat er eventueel verbeterd zou kunnen worden. Natuurlijk neem ik af en toe rust. Ik praat nu toch ook met jou? De vraag is alleen of ik net zo scherp ben als tijdens het draaien. Dan ben ik altijd alert, zonder dat ik er moeite voor hoef te doen. Als ik werk, gaat alles vanzelf.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn vader heeft me leren schieten. Hij had een aantal pistolen waaronder een Colt, zo’n heel zwaar ding. We oefenden in de tuin, waar mijn moeder een prachtige bananenboom had staan. Die werd helemaal aan flarden geschoten. De buren protesteerden, maar mijn vader trok zich daar niets van aan. Tegen mij zei hij: ‘Als er iets in mijn afwezigheid gebeurt, kan jij het gezin verdedigen.’ Hij wilde mij, de oudste van zijn twee dochters, opvoeden als een jongen, in staat om in de gevaarlijke buitenwereld te overleven.

Hij werd geobsedeerd door het idee dat mij iets zou kunnen overkomen. Mijn moeder vertelde dat hij het haast niet kon verdragen als ik een sneetje in mijn vinger had. Onze relatie werd steeds ingewikkelder; ik wilde me loswrikken, eigen keuzes maken, maar dat stond hij niet toe. Mijn vrienden waren niet goed genoeg, als ik een boek las dat hem niet beviel, scheurde hij het in stukken. Hij ging urenlang tegen me tekeer, eindeloos durende speeches over wat ik allemaal verkeerd had gedaan en als mijn aandacht dreigde te verslappen, tikte hij met één vinger tegen mijn wang. Heel intimiderend. Niet dat hij me ooit geslagen heeft, maar dat ene tikje was voldoende om me aan het schrikken te krijgen. Ik wíst waartoe hij in staat was. Mijn oma, zijn moeder die bij ons in huis woonde, had een hond, Bobby. Ze was dol op dat beest. Hij volgde haar overal. Als ze onder de douche ging, bleef hij voor de deur zitten wachten tot ze klaar was. Toen de hond ziek werd, besloot mijn vader hem uit zijn lijden te verlossen. We moesten er allemaal bij zijn toen het gebeurde. Hij trok een zak over Bobby’s kop, deed een touw om zijn nek en trok net zo lang tot het dier was gestikt.

Jaren later, toen hij was overleden, heb ik een keer aan mijn moeder gevraagd waarom ze nooit had ingegrepen als mijn vader zo tegen mij tekeerging. Het duurde heel lang voordat het antwoord kwam. Tenslotte zei ze: ‘Dan zou het nog erger zijn geworden.’ ‘Erger voor jou?’, vroeg ik. ‘Ja’, zei ze. Ze was bang dat zijn woede zich op haar zou richten. Misschien sloeg hij haar wel. Ik weet het niet. De relatie die ik met mijn moeder had, veranderde na mijn vaders dood totaal. Ze kwam helemaal uit zijn schaduw tevoorschijn. Een mooie, lieve vrouw met een eigen verhaal. Ze is in 1939, samen met haar moeder en haar kleine zusje, uit Polen ontsnapt. In Peru ontmoette ze mijn vader, een sterke man, ‘heel intelligent’, zei ze, met wie ze een nieuw bestaan zou gaan opbouwen. Mijn vader heeft een leven lang volgehouden dat ze gelukkig waren samen. Ik heb altijd het gevoel gehad dat mijn moeder daar anders over dacht, maar misschien heb ik me vergist want als ik nu naar foto’s uit hun verkeringstijd kijk, weet ik weer dat ze later nóg weleens op die manier naar elkaar hebben gekeken: ondanks alles, toch verliefd.”

VI Gij zult niet doodslaan

“Pas toen ik Is dit een mens van Primo Levi las, over hoe het is om een vernietigingskamp te overleven, kwam er een soort rust over me die me in staat stelde om mijn vader te vergeven dat hij me zo panisch heeft willen vasthouden. Helaas was hij toen al overleden. Ik herinner me ook dat hij een paar jaar voor zijn dood een bijdrage wilde leveren aan mijn documentaire Metaal en melancholie (uit 1993) door één van de taxi’s die in de film voorkomen te beschilderen. Ik zei toen dat het niet paste, dat het nergens op sloeg, maar ik zie nu wel in dat ik hem uit mijn leven wilde weren. Of ik daar spijt van heb? Poeh… Geef me nog zo’n koekje. Zou wel een leuk idee zijn, om dit in een documentaire te laten zien: hoe iemand bij iedere lastige vraag iets in z’n mond stopt en dan steeds zo’n gebaar maakt van sorry, ik kan even niets zeggen.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Het duurt best lang voordat ik een intieme relatie durf aan te gaan en dan is er ook altijd nog de angst dat het verkeerd gaat aflopen; dat het niet is wat het lijkt. Met Henk heb ik dat gevoel helemaal niet. Ik heb nog niet eerder iemand ontmoet die zo… goed is. Ik heb er gewoon geen ander woord voor. Hij doet alles voor me, ongedwongen, omdat hij er zélf plezier aan beleeft. Henk heeft een enorm groot hart, snap je wat ik bedoel? Daarom wil ik tot mijn dood bij hem blijven.”

VIII Gij zult niet stelen

“Als ik film, ben ik een dief van beelden, een dief van emoties. Ik wil het maximale vangen: vertel het me, wat is het dat jou zo raakt? Ik ben nieuwsgierig, altijd geweest. Dat was in Peru, waar een grote scheiding van sociale klassen is, heel ongepast. Ik mocht me niet interesseren voor de eigenaar van het kruidenierswinkeltje op de hoek – omdat het vaak Chinezen zijn, worden ze el Chino de la esquina genoemd –, moest niet zomaar op iedereen afstappen, gesprekjes voeren. Terwijl ik dát het allerliefst deed. Eenmaal weg van huis, kon ik me pas echt ontplooien, daar ging ik: woesjjjj…. als een parachute die opengaat.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Regisseur en scenarioschrijver Billy Wilder heeft ooit gezegd: If you are going to tell people the truth, you better be funny or else they’ll kill you. Als mijn moeder voordoet hoe je vrennekes – een soort aardappelbeignets – maakt (Liefde gaat door de maag: een sjtetel die niet meer bestaat, 2004) ziet dat er allemaal liefelijk en onschuldig uit, maar ondertussen laat ik haar wel vertellen over haar tante die door de nazi’s zou zijn gevierendeeld en over haar grootouders die, net als alle andere Joden uit het dorp, in de leerlooierij werden opgesloten waar ze levend werden verbrand. Het was mijn manier om die waarheid door te geven. Niet in een loodzware documentaire waarin ik mijn moeder in een stoel zet en uithoor over de holocaust, maar juist zo: aan het aanrecht, terwijl ze heel geconcentreerd de uitjes snijdt.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Weet je wat ik een paar keer heb gedacht? Was ik maar een tennisspeler geweest. Tennis is een fantastisch spel en als je er goed in bent, kun je daar miljoenen mee verdienen. Het blijft toch absurd, dat iemand rijk kan worden door tegen een balletje te slaan terwijl ik zó moet zwoegen om rond te komen met mijn films. Waarom worden we niet beter beloond? Gelukkig heb ik over de waardering niet te klagen, al heb ik nooit zo de behoefte gehad om mezelf te bewijzen. Zo van: kijk eens hoe bijzonder ik ben! Ik denk dat mijn documentaires een groot publiek aanspreken omdat ik ben zoals iedereen.

De laatste film, No hay camino, is in die zin een beetje a-typisch omdat ik nu zelf centraal sta. Het is een documentaire over een regisseur, dus je ziet ook iemand die zich overal mee wil blijven bemoeien, beetje ongemakkelijk soms – zit mijn haar wel goed? Niet te close alsjeblieft. Zullen we hier een andere lens gebruiken? – maar het is ook een geschenk omdat we bij oude vrienden langsgaan, er een vioolstuk voor me wordt gespeeld en ik met studenten en collega’s over mijn werk mag praten. Laatst zag ik ergens staan dat het mijn afscheidsfilm zou zijn. Onzin! Ik ben al met een volgend project bezig. Ik wil graag een film over daklozen maken. Juist omdat ik me er zo weinig bij kan voorstellen hoe het is om geen huis te hebben, niet te weten waar je moet slapen of naar de wc moet gaan. Het is echt jammer dat ik steeds zo moe ben, vooral van die MS. En ik heb kanker, ja, dat is waar, maar die is niet levensbedreigend toch, Henk? Uitgezaaid? Dat weten we niet zeker. O, de artsen denken er anders over, zeg jij. Nou, ’t zal best, maar ik heb geen zin om daar bij stil te blijven staan. Hoe minder ik nadenk over de dood, hoe langer ik zal leven. Dat geloof ik echt.”

“Zijn de koekjes al op?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden