Gemert.

Coronacrisis

Redacteur John Graat gaat terug naar zijn geboortedorp, midden in coronabrandhaard Brabant

Gemert.Beeld Merlin Daleman

Haar koorts en die stekende pijn op de longen gingen maar niet weg, dus móest Trouw-redacteur John Graat naar zijn moeder, of – zolang dat nog niet mocht – in elk geval naar zijn geboortegrond. Daar, in Brabant, woedde inmiddels de corona-epidemie.

Ik heb altijd gedacht dat mijn moeder niet dood kon gaan. Misschien denkt elke zoon dat. Mijn moeder is een sterke en fitte vrouw uit een taai Boekels boerengeslacht. Ze heeft de genen van haar moeder, mijn oma dus, een struise boerin die op haar 93ste nog naar de verjaardagen van haar 44 kleinkinderen fietste. Ze werd ­uiteindelijk 98 jaar en mijn moeder wordt dat ook, minstens, dacht ik altijd. Ze leeft gezond, heeft nooit gerookt en is sociaal nog zeer actief. In mei wordt ze tachtig.

Maar de afgelopen weken schoot het vaak door me heen. Het zal toch niet? Die hardnekkige koorts ging maar niet weg, net als haar misselijkheid, het braken in de ochtend en de stekende pijn op de longen. Ze woont in Handel, dorp in de Brabantse brandhaard van de epidemie. Die regio, waar mijn wortels liggen, kleurt al weken vuurrood op alle kaartjes van het RIVM. Hier sloeg de varkenspest al eens het hardste toe en maakte Q-koorts de meeste slachtoffers. Nu vormen Erp en mijn geboortedorp Boekel de gemeenten met per hoofd van de bevolking veruit het hoogste aantal coronaslachtoffers van Nederland.

Als dat kaartje weer in de krant staat, tuur ik ernaar. De rode vlek in het oosten van Brabant heeft zich uitgebreid. Ik kijk naar buiten. De zon schijnt. Er waait een felle wind uit het noordoosten. Als ik ga fietsen, doe ik dat altijd eerst tegen de wind in. Dan kom ik na 30 kilometer precies op mijn geboortegrond uit, coronagebied. Ik wil daarheen, merk ik, ik moet erheen. Het voelt als een schuldige rit. Er zijn weinig mensen op straat. Ik houd mezelf voor dat ik een vitaal beroep heb en dus gelegitimeerd op pad mag. Tegelijk weet ik dat het een slap alibi is. 

Een besmettingskaartje zoals deze afgelopen week in de krant stond.Beeld Louman & Friso

Ze ogen wat verslagen

Ik fiets door Mariahout, waar op één zorgboerderij de afgelopen weken al vijf cliënten zijn overleden. Via Keldonk fiets ik Erp binnen. Erp was een van de hofleveranciers van Bernhoven, het ziekenhuis hier vlakbij dat al een paar weken overloopt. Een bord in een tuin maakt duidelijk dat er een Vic geboren is, tegenover de mengvoederfabriek waar mijn zus werkt. Zij vertelde van de week over de telefoon dat er in de naaste omgeving van de mengvoederfabriek heel veel mensen ziek zijn geworden. Ook de oude baas van de fabriek werd getroffen. Hij kwam erdoorheen, veel andere inwoners van Erp niet. Ik fiets door stille straten. Alleen rond de supermarkt lopen links en rechts wat mensen, op gepaste afstand van elkaar. Ze ogen wat verslagen, ­misschien is het inbeelding.

Het centrum van Boekel is normaal levendig.Beeld Merlin Daleman

Een paar kilometer verderop is het in ­Boekel niet anders. Dit is normaal een levendig dorp. Ik zie dat het oude huis van mijn oom Tini wordt verbouwd, maar de steigers zijn leeg. De straat waar Leontien woonde, toen ze nog gewoon dat mollige meisje van Van Moorsel was, de dochter van Harrie van de bouwmaterialen, is uitgestorven. Het dorpsplein is leeg. Nia Domo, café ’t Menneke en ’t Stuupke bieden een trieste aanblik. Op feestdagen zoals de kermis stromen deze horecatenten altijd vol. Hard werken en Bourgondisch leven gaan hier hand in hand. 

In de schaduw van de Agathakerk, waar ik werd gedoopt, staat de vroegere burgemeesterswoning. Ik kwam daar vroeger veel. Het zoontje van de burgemeester was mijn vriendje. Nu wonen mijn nicht en haar gezin er. Ik knijp in de remmen en vraag aan een meisje achter een hek of mama thuis is.

De fietstocht van John.Beeld Louman & Friso

Het is hier menens

De kans dat ik in Boekel familie tref is groot. Het overgrote deel is altijd hier gebleven. En we zijn met velen. Van het gezin van mijn oma werden alle elf kinderen boer of boerin, op de dochter na. Zij werd non. Het leidde tot 44 kleinkinderen, van wie er nu nog altijd 23 boer zijn dan wel in de agrarische sector werken. Ze zijn allemaal in de voetsporen getreden van mijn opa, een keuterboer. Nu hebben ze grote bedrijven met varkens, koeien, kippen of nertsen en leven ze in onzekerheid over de toekomst. De twijfels die veel van mijn neven en nichten hadden bij het RIVM in de stikstofdiscussie hebben ze laten varen in de coronacrisis. Ze moeten wel, het is hier ­menens.

“Ik blijf op afstand, John, want ik ben ziek”, zegt mijn nicht achter de gesloten stalen poort. “Verkouden, hoesten, keelpijn, ik heb dat anders nooit.”
“Dan vrees ik dat je het ook hebt.”
“Het is hier in Boekel verschrikkelijk.” 

Ze wijst naar een onbestemde plek achter haar. Ze noemt een bekende naam. “Dood.” Ze wijst naar voren, het straatje waar ze met haar gezin tot vorig jaar woonde. Twee doden. “Die waren al wel ziek.” Ze noemt andere namen, Boekelse namen, van mensen op de intensive care. Ook de zwager van een nichtje vecht er voor zijn leven, op de intensive care ergens ver buiten Brabant. En die man is pas 69.

Hier krijgen de dagelijkse statistieken van het RIVM een gezicht, een naam. In Boekel kent iedereen wel iemand die besmet is ­geraakt, overleden is, ernstig ziek, of dat ­geweest is.

De begrafenissen mogen door maximaal dertig mensen worden bezocht. In deze katholieke streek met grote gezinnen is dat aantal vaak te weinig om alleen al de eigen kinderen en kleinkinderen met aanhang daarbij te laten zijn. De dienst voor de oud-wethouder, een prominent figuur in het dorp, moest plaatsvinden in de tuin van een van zijn kinderen.

“Hoe is het met jullie mam?”, vraagt mijn nicht achter de poort.
“Het gaat wat beter.”
“Dat is een taaie, hè?”
“Gelukkig wel.”
“Kom maar een keer langs als het achter de rug is”, roept mijn nicht nog vanachter de poort. Rillend gaat ze naar binnen.

Een paar kilometer verder ben ik in Handel, waar ik het tweede deel van mijn jeugd doorbracht. Mijn ouders, mijn broers en zus met hun gezinnen wonen nog altijd in dit dorp van 1800 inwoners. Al eeuwen is het een bedevaartsoord waar Maria wordt vereerd. Rond 1220 zou een schaapsherder hier een beeldje van Maria hebben gevonden, waaraan sindsdien wonderbaarlijke genezingen en gebedsverhoringen voor eenvoudige mensen zijn ­toegeschreven. Al sinds de vijftiende eeuw ­komen jaarlijks duizenden pelgrims naar Handel, nog altijd, vooral in mei, Mariamaand. Dan stroomt de kapel met het Mariabeeldje dagelijks vol met mensen die troost en houvast zoeken. Dit jaar zullen ze wegblijven, de pelgrims. 

Kerk en park achter de kerk in Handel.Beeld Merlin Daleman

Er hangt een wezenloze sfeer als ik door het dorp fiets. Via de telefoon had mijn vader al verteld wie er allemaal al ziek en dood waren. Ik ben al 32 jaar weg uit Handel, maar ik kon me de gezichten van de overledenen nog allemaal voor de geest halen. De vader van die, en de moeder van die, en die man van de fanfare. En van boer Jan, die vroeger weleens met scheerschuim nog achter zijn oren in de kerk zat. Daar stond hij bij ons thuis om bekend. Ook dood.

Ik houd me aan de afspraak om nog niet bij mijn ouders langs te gaan. Mijn moeder is pas een dag koortsvrij nadat ze ruim twee weken ziek, zwak en misselijk was. Zeer waarschijnlijk corona, liet de huisarts telefonisch weten. Die kwam niet op huisbezoek. Mijn bezorgde vader belde regelmatig naar zijn praktijk met updates. Een keer legde hij een briefje met een overzicht van de lichaamstemperaturen op de stoep zodat een kleindochter dat weer bij de dokter kon afgeven. Zelf bleef mijn vader, ook bijna tachtig, verschoond van het virus. Dat maakte het voor hem ook lastig om binnen te blijven. Als hij stiekem toch weer even naar de winkel ging of de paarden ging voeren, elders in het dorp, werden we op de familiegroepsapp weer boos. Blijf nou toch thuis en binnen!

Ik fiets langs de Handelse kerk Onze-Lieve-Vrouw-ten-Hemelopneming, en zie daarachter het processiepark liggen. Daar vond afgelopen week ook al een uitvaart plaats, in de buitenlucht, om het besmettingsgevaar te minimaliseren. Ik passeer de lege velden van de voetbalclub waar ik jaren speelde. Ze liggen er doelloos bij. Bijna niemand is op straat. De viering van het 800-jarig bestaan van Handel dit voorjaar, met veel activiteiten, is al uitgesteld. Drie jaar is het jubileumfestijn voorbereid, het halve dorp was erbij betrokken. Het hoogtepunt zou rond het hemelvaartsweekend liggen. Vier dagen feest was de bedoeling. Met speciale voorstellingen van muziekgroep Internos en de onthulling van historische grenspalen en bijbehorende wandelroute op de grens met Boekel. Allemaal afgelast. 

Ik fiets om ze heen, alsof het melaatsen zijn

Onderweg naar Gemert passeer ik het industrieterrein waar het elektrotechnisch bedrijf van mijn broer is gevestigd. Hij legt zonnepanelen, maar krijgt ze niet meer geleverd vanuit China. Vier van zijn twintig werknemers zitten ziek thuis. Op bouwplaatsen in de regio willen bedrijven van buiten de provincie niet meer actief zijn, omdat er ook Brabanders rondlopen.

In Gemert zelf lopen in het centrum nog wel wat mensen rond. Ik fiets er met een ruime bocht omheen, alsof het melaatsen zijn, mijn streekgenoten. Ik passeer café De Keizer waar ik een maand geleden nog onbezorgd carnaval vierde, met wc-rollen op mijn hoofd, met een arm om de schouders bij oud-klasgenoten van de middelbare school. Carnaval, het is ­gezien als een aanjager van de verspreiding van het virus in en vanuit Brabant. Moet ik me daar nu ook schuldig over voelen? Zoals elk jaar knuffelden we elkaar, kusten we oude vriendinnen en dronken we bier uit slecht ­gespoelde glazen. Het lijkt nu alsof dat in een ander universum was.

Met een nog groter schuldgevoel dan vanmorgen verlaat ik het hart­gebied van de coronauitbraak. Thuisgekomen bel ik mijn ouders. Moeder is nog steeds koortsvrij. Mijn vader vertelt dat ze op bed ligt, vermoeid. Er is een zware aanslag op haar lichaam gepleegd. Of het corona was, ­zullen we nooit weten. Het kan niet anders, zegt mijn vader. Getest is ze niet. Het deed er voor ons niet zo toe.

Het zorgde voor spanning in de familie, zoals bij duizenden andere ­families. Gelukkig heeft ze het ­gered. Mijn moeder gaat niet dood. ­Natuurlijk niet.

Lees ook: 

Rampen brengen zowel het goede als het kwade in de mens naar boven

Hamsteren en mondkapjes stelen, tegenover lieve kaartjes en boodschappenacties: brengen rampen nu het goede of slechte in mensen naar boven?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden