EssayTroosthonden

Redacteur Andrea Bosman nam een coronatroosthond. ‘De pup moet weg, noteerde ik na de eerste week’

null Beeld Maartje Geels
Beeld Maartje Geels

Het afgelopen coronajaar kwamen er in Nederland ruim 200.000 honden bij. Sociale levens stortten in, de behoefte aan liefde en aandacht verschoof van mens naar dier. Ook Tijdgeestredacteur Andrea Bosman verlangde naar een hond.

Op een zaterdagmorgen in oktober kozen mijn dochters en ik bij een jonge vrouw met engelachtig blond haar in een doorzonwoning in het noordelijkste puntje van Groningen een mollig, wollig, als een chipolatapudding gevlekt hondje uit een nest van zes. Ze was de leukste. De hondjes woonden achterin de tuin in de schuur onder rode warme lampen in het stro met hun blij ogende moeder. Daar moest je allemaal op letten als je een pup ging kopen. Een blije moeder. Stro. Warme lampen. Het zag er prima uit. Het hondje, een meisje, had een paspoort en was gechipt en we kregen een zak voer mee. Op de terugweg in de auto moest ze flink piepen. Haar moeder had haar nagestaard, voorpoten op de rug van de bank voor het raam, toen we naar de auto liepen.

We stopten onderweg om haar te laten plassen. Haar eerste ‘uit’ met ons. Ze kwispelde in het gras. We noemden haar Jones. Naar Mrs. Jones uit dat ene liedje – Me and Mrs. Jones.

In de Oscarwinnende film Nomadland brengt hoofdpersonage Fern een verlaten zwart hondje naar het kantoor van het kampeerterrein, waar ze met haar groezelige camperbusje staat. De eigenaar van het hondje blijkt dood. Of Fern dat beestje alsjeblieft wil hebben? ‘Nee’, zegt Fern (een prachtige rol van Frances McDormand) luid en duidelijk.

Bacio Beeld Maartje Geels
BacioBeeld Maartje Geels

Als ze naar buiten stapt, staat het hondje haar op te wachten: zo’n niet al te knap, rafelig exemplaar dat het tegenwoordig goed doet op Instagram. Het springt tegen haar op. Fern aait en aarzelt. Dan loopt ze het beeld uit. Dat beeld blijft nog lang staan. Ze komt terug, denk je. Want dit is een Amerikaanse film, dus de hond krijgt een guitige naam en wordt haar maatje, terwijl Fern dat busje door eindeloos lege landschappen stuurt. En haar vriendin Linda May heeft Fern net verteld dat ze alleen vanwege haar twee hondjes toch maar niet dood wilde.

Maar Fern komt niet terug.

Ze wil gewoon geen hond.

Echt niet.

Ik had behoefte aan iets rommeligs, ontregelends

Ik wilde wel een hond. Echt wel. Ik kon het mooi formuleren. We zaten in die pandemie. Er was in het voorjaar toen de lockdown begon een tumor in mijn lijf opgedoken. Die was goddank ook weer weg, maar het herstel duurde lang. Ik had behoefte aan iets rommeligs, ontregelends, aan makkelijk en altijd blij gezelschap, aan een verbondenheid die op iets anders gebaseerd was dan de complexe relaties tussen mensen. Ik zag zelfs – ik heb het nu over afgelopen najaar, waarin we allemaal steeds meer locked in raakten – een soort ‘spirit’ in de aanwezigheid van mijn toekomstige hond, een aanwezigheid die bestond uit rust en begrip, waarbij woorden niet nodig waren.

Dat gold des te sterker voor mijn dochter. Het gebrek aan een hond, aan iets onvoorwaardelijk liefs: het was al jaren het gat in haar bestaan. Een hond zou haar gelukkig maken. Zei ze. Zelf groeide ik op met honden, ik wist wat ze bedoelde. Het was natuurlijk precies zoals Pauline Slot het zegt in De hond als medemens, een ontroerend portret van haar overleden hond Molly: “De hond is een uitnodiging tot tederheid die je af kunt slaan of aan kunt nemen”. Ja, zo bezien was afslaan geen optie. Wie wil er nou geen uitnodiging tot tederheid?

De hond kent talloze verschijningsvormen. In zijn ultieme vorm is de hond altijd de betere mens, een conclusie die zelfs Sigmund Freud, eens een dierenhater, aan het eind van zijn leven trok, toen hij – de zeventig al voorbij – alsnog hondenbezitter was geworden. “Honden houden van hun vrienden en bijten hun vijanden. Heel anders dan mensen zijn ze, die niet in staat zijn tot pure liefde en die op elk moment liefde en haat in hun verhoudingen mengen”, zei de psychiater, die vooral een diepe band voelde met de chowchows Jofie en Lün Yu. Een zeer oud, intelligent en blijkbaar niet knuffelig Chinees hondenras, met een schoon, lekker ruikend vel. ­Jofie mocht bij de therapiesessies aanwezig zijn en voelde het kennelijk feilloos aan als de sessie ten einde liep. Dan stond ze op en liep naar de deur. Als ze onder Freuds bureau dook bij bepaalde patiënten, wist hij dat er iets mis was. Over Jofie schreef Freud: “Ze is een verrukkelijk wezen, ook als vrouwspersoon, wild, door driften ­gedreven, teder, intelligent en toch niet zo afhankelijk als andere honden kunnen zijn. Voor zulke zielen kun je niet anders dan respect hebben.”

Nera Beeld Maartje Geels
NeraBeeld Maartje Geels

De hond als projectiescherm

Bij Freud wordt de hond meteen projectiescherm voor zo’n beetje alles wat zich in onze eigen ‘ziel’ afspeelt. Voor hoe we zelf zijn, naar het leven kijken, voor al onze gebreken. Dan lijkt de hond zelf er al bijna minder toe te doen. Ik moet denken een boekje uit de reeks In Almost Every Picture van Erik Kessels, vol met foto’s van een niet te fotograferen zwarte hond. De hond is op allerlei manieren door zijn eigenaren vastgelegd. Alleen, op schoot, maar vooral als trouw gezelschap bij allerlei (familie)aangelegenheden door de jaren heen. Het enige wat je ziet, is een zwart plat vlak met de contouren van een hond. De foto’s zijn niet alleen hilarisch, maar ook zeer aandoenlijk. Juist in zijn non-identiteit wordt het belang van de hond voelbaar.

In september, toen ik nog aan het herstellen was, las ik in het magazine van Die Zeit een dertien pagina’s lang relaas van journalist Ilka Piepgras, een vrouw die het leven naar eigen zeggen altijd intellectueel in plaats van voelend had benaderd. Dieren zeiden haar niets: die konden immers niet spreken. Maar door haar familieleden had ze zich toch laten overhalen tot de aanschaf van een Berner sennenpup. Op de terugweg naar huis, waarbij het angstige dier zich in haar schoot nestelde, smolt ze. Wat volgde, had voor mij een afschrikwekkend relaas moeten zijn, want die kleine, fluffy pup op aandoenlijk grote poten werd langzamerhand een niet te hanteren beer met gedragsproblemen waar menig hondentrainer zijn tanden op stuk beet. Ik weet deze moeilijkheden aan de ongetwijfeld perfectionistische instelling van de schrijfster – dat ze daar zelf niet op kwam. Met mijn nonchalant losse Hollandse ‘het regelt zich vanzelf wel’-mentaliteit zou ik dat heel naturel aanpakken.

Uiteindelijk ontwikkelde de vechtrelatie van Ilke met haar Berner sennen zich tot een diepgevoelde kameraadschap. Op een dag, als ze samen van het pad afwijken en diep het bos induiken, waar loof en droog hout onder hun voeten en poten knisperen en waar het naar hars van spar en den geurt (het blijft een bijzondere band, van Duitsers en bossen), voelt ze zich, met haar wollige ‘vriend en partner’ dicht naast haar, licht en vrij.

Ik was al bijna verkocht toen Teddy op bezoek kwam, de labradoedelpup van mijn vriendin Barbara. Een lammetje in zwart-wit uitvoering, haar ogen verstopt in een krullende vacht. Ze scharrelde door de tuin en door de woonkamer en lag uiteindelijk op mijn voeten, terwijl Barbara vertelde over de rust en gezelligheid en minder stress en dat ze nu zo vaak buiten kwam. “Ga anders gewoon eens vrijblijvend bij zo’n nestje kijken, zonder je verplicht te voelen” zei ze, vooral tegen mijn dochter. “Dat is alleen al zo leuk.’’

Een pup moest het worden

Onmiddellijk stortte mijn dochter zich op markt- en puppyplaats. Haar oudere zus, al een tijdje op kamers, stapte ook fanatiek in. Een pup moest het worden, we kenden iets te veel verhalen over problematische adoptiehonden, bovendien had ik zo mijn twijfels bij het hele idee van het importeren van straathonden uit het buitenland.

Fedde Beeld Maartje Geels
FeddeBeeld Maartje Geels

1,7 miljoen honden

Nederland telt ruim 27 miljoen huisdieren. Het aandeel honden in de huisdierenpopulatie bleef lang stabiel op een kleine 20 procent met 1,5 miljoen dieren. Na de kat (25 procent) is de hond het populairste huisdier, gevolgd door de aquariumvis, blijkt uit onderzoek in opdracht van de diervoederbranche.

Zo’n 8 procent van de huishoudens heeft in de pandemie een dier in huis genomen, in 2019 was dat 6,4 procent. Bijna de helft van de nieuwe huisdierbezitters (47 procent) koos in 2020 voor een hond, 27 procent voor een kat. Nederland telt nu 1,7 miljoen honden, 200.000 meer dan een jaar geleden.

Baasjes staan gemiddeld een halfjaar op de wachtlijst voor een puppycursus. Na een half jaar is een pup echter geen pup meer, maar een puber, waardoor gedragsproblemen toenemen.

Onlangs meldde Het Parool dat veel Amsterdammers de huisdieren die ze tijdens de lockdown in huis haalden, alweer naar het asiel brengen. In Amsterdamse asielen zijn de laatste maanden aanzienlijk meer dieren binnengekomen, als is dat beeld landelijk nog niet terug te zie. Nu mensen er weer op uit kunnen en teruggaan naar kantoor, wordt het ‘coronahuisdier’ een sta in de weg.

Ook meldt het Amsterdamse asiel Doa dat er veel honden binnen komen met gedragsproblemen. Door de lockdown zijn ze veel te geïsoleerd opgegroeid en nauwelijks gesocialiseerd, ook omdat puppycursussen vol zaten. De honden die ter adoptie worden aangeboden, zijn vaak eenkennig, angstig en agressief.

Het asiel verwacht dat de cijfers met de zomervakantie in zicht alleen maar verder oplopen.

Meteen al de volgende dag zaten we in een te warme bovenwoning in een nieuwbouwwijk, waar een jonge vrouw met haar been in het gips vanaf de bank met een laptop op schoot (“kies er maar een uit hoor!”) aan de lopende band mensen ontving en hondjes verkocht. In een bench bevonden zich twee nestjes pups door elkaar, er was geen moederhond in de buurt. Ze verkocht ze ‘voor iemand anders’. Oostblokpuppies, vermoedden we. De ‘vrijblijvendheid’ van het kijken viel erg tegen, ik weet niet hoe Barbara dat deed. Mijn jongste vond het nu al vreselijk moeilijk die zielige lieve hondjes achter te laten.

We raakten geoefend in het ontdekken van ‘foute’ advertenties van importpuppies. Het andere uiterste vonden we ook: we maakten een tocht van twee uur naar een Zeer Zorgvuldige Fokster in de Achterhoek, waar we alleen al om op bezoek te komen een streng assessment moesten doen (“Is het hele gezin gemotiveerd om een hond te nemen? Hoeveel uur werkt u?’’). Dan zouden we misschien in aanmerking komen voor een pup van 1600 euro die nog geboren moest worden. De lange avond eindigde met een beeldpresentatie met foto’s van moeder en vader en vorige nestjes, inclusief een voedingsschema met grafieken en een foto van de stoffer en blik waarmee de puppypoep werd opgeruimd. Uitgeput reden we naar huis.

Meerdere keren keken we bij een fokker van het nuchtere type op een rommelig boerderijtje met struisvogels en ezels in Brabant. Maar behalve dat ik een oplopende druk voelde om een knoop door te hakken, leek geen van de hondjes daar mij bijzonder. Terwijl mijn dochters ze liefst allemaal mee zouden willen nemen.

Ze waren gegrepen door goudkoorts. Als er ergens een mooi nestje was, moest je er heel snel bij zijn, anders greep je mis. Meerdere keren op een dag kreeg ik een laptop onder mijn neus geduwd met zonder uitzondering schattige pups. Soms leek het op dat overdosisgevoel van te lang naar vakantiehuisjes zoeken. Dat je ­eigenlijk niet meer niet wil ineens. Ik bleef aarzelen.

Jack Beeld Maartje Geels
JackBeeld Maartje Geels

Maar op een woensdagochtend begin oktober kreeg mijn jongste contact met de eigenaresse van een nestje zwarte-wit gevlekte en bruin-wit gespikkelde chipolatahondjes in Groningen. Echt leuk. Alles klonk goed. De mix van een labradorvader en een Australische herder-moeder zou volgens nauwkeurige research van mijn dochters een gemoedelijke en speelse hond opleveren. Het moest maar eens afgelopen zijn met mijn wankelmoedigheid. Dus daar gingen we.

Het aura van een kraamweek

De eerste week met Jones had het aura van een kraamweek – er kwam veel bezoek met kadootjes, iedereen die haar zag smolt, de straat verwelkomde haar nieuwe bewoonster, we sliepen niet omdat we om de beurt op de bank bij de bench lagen voor nachtelijke plasjes, we probeerden haar gebruiksaanwijzing uit te vinden middels YouTubefilmpjes en een boek van Martin Gaus (nooit straffen, slecht gedrag negeren, goed gedrag belonen), met groot geduld en toewijding liepen mijn dochters met haar rond met snoepjes en poepzakjes en leerden haar razendsnel met een loshangende riem lopen, zonder te trekken. En na die eerste week noteerde ik op een heel vroege zondagochtend, na weer een doorwaakte nacht, in een notitieblok: ‘De pup moet weg’. Er volgden achttien kantjes haastig volgekalkte pagina’s met argumenten waarom. En waarom het niet kon. Het hondje wegdoen. En waarom misschien toch wel.

Waar iedereen enthousiast leek en overstroomde van pure liefde, voelde ik niets als ik in de blauwe ogen van Jones keek. Behalve een dichtgeknepen keel. En blinde paniek. Ik had meerdere nachten nauwelijks geslapen, lag stijf van de spanning in bed, of, als ik aan de beurt was, beneden op de bank bij Jones in de bench, biddend dat ze niet wakker zou worden. Dat gebeurde natuurlijk wel, dan moest ze plassen of poepen en was daarna klaarwakker, begon overal in te bijten – vooral in mijn enkels, gezicht en handen – of poepte alsnog achter de bank.

De poep en de plas waren het probleem niet. Het wakker zijn ook niet. Werkelijk niet. Dat zou overgaan. Het bijten vond ik lastiger, hoewel ik ook wel wist dat het geen valsigheid was, maar puur jongehondengedrag. Ook dat zou overgaan. De paniek werd veroorzaakt door het idee dat er een dier in mijn huis was. Voor altijd. Een dier waar ik niets voor voelde, of me in ieder geval niet aan kon overgeven, en dat maakte verdrietig. Ik dacht die week veel aan de documentaire Grizzly Man van Werner Herzog, over Timothy Treadwell, de man die ervan overtuigd was dat hij een band had met de grizzly­beren die hij al jaren observeerde en filmde, en voor wie hij een diepe liefde koesterde. Uiteindelijk werd hij door een van hen meedogenloos verscheurd. Aan het eind van zijn film zegt Herzog dat hij niets begrijpt van de connectie die Timothy met de beren voelde. Als Herzog namelijk in hun ogen keek, voelde en zag hij niets, geen band, geen liefde, alleen kille leegte. Woeste natuur. Nu was Jones natuurlijk geen grizzly, maar ook ik raakte verdwaald in een mij onbekend niets, in plaats van dat ik die uitnodiging tot tederheid kon aannemen. Ik voelde nog iets anders, namelijk dat dit niet iets was wat zomaar over kon gaan, dat binnenkort die liefde zich alsnog in mij zou openbaren. Die kans was er, maar ik wilde het risico niet nemen. Misschien was er, nu Jones nog maar zo kort bij ons was, een weg terug.

Het was asociaal, misdadig

Op internet speurde ik naar verhalen van lotgenoten. Mensen die in paniek waren geraakt van hun schattige nieuwe huisgenoot. Die zich, net als ik, geen raad wisten. Zich schaamden. Zich schuldig voelden. Die waren er, uiteraard. Op de diverse fora werden ze hoofdzakelijk beschimpt, die twijfelaars. Je kon een pup nooit wegdoen. Je had hier van tevoren over na moeten denken. Het was asociaal. Misdadig.

Natuurlijk, zo was het.

Het kon niet.

Toch moest het. Het was onontkoombaar. De pup moest weg. Het ging niet. En dan leek snelle actie beter dan langer wachten. In alle opzichten.

Het verdriet en ongeloof waren groot. Mijn dochters voelden de liefde die ik niet voelde. En die zat na een week al diep. Ik kon ze niet troosten. Ik had dit aangericht. Hun vader trachtte het verdriet te stelpen door hun vermogen tot zo veel liefde te prijzen. Dat was een onuitputtelijke bron, die zou nooit opdrogen en ooit, in een ander moment in hun leven, voor een andere hond beschikbaar zijn. Mooie woorden. Ze hielpen niet.

En dan was er nog Jones zelf. Zou ze verdrietig zijn als ze ons weer zou verlaten? Ze leek al helemaal thuis bij ons.

Calypso Beeld Maartje Geels
CalypsoBeeld Maartje Geels

Het enige dier dat zelfmoord pleegt, is ook het enige dier dat huilt, schrijft Sigrid Nunez in De vriend, haar roman over een vrouw die noodgedwongen de rouwende Deense dog van een pas overleden vriend – hij stapte uit het leven – in huis neemt. Natuurlijk hebben mensen ­allerlei verhalen over hun huilende honden en katten, zegt ze, maar volgens wetenschappers zijn dierentranen tranen van stress, niet te verwarren met die van een emotionele mens. De band die mensen met dieren kunnen voelen, is een diepe en oprechte. De vraag is of die band andersom ook bestaat, of dat die over iets anders gaat dan die menselijke emoties. De rouwende, jammerende, zichzelf uithongerende Deense dog doet Nunez aan andere vermaarde voorbeelden van hondenverdriet denken. Zoals de Japanse hond Hachiko die maar naar het station in Tokio bleef gaan om zijn baas op te halen, ook toen die al overleden was. Tien jaar lang. Elke dag. “Niemand kon de dood aan Hachiko uitleggen. Ze konden alleen een legende van hem maken, een standbeeld oprichten om hem te eren en nu, bijna honderd jaar later, nog steeds zijn lof te zingen.” Toch vindt ze het opmerkelijk dat mensen dat soort gedrag van honden altijd beschouwen als voorbeeld van extreme trouw en niet van extreme domheid. Ik lees het gretig en ook als een poging van Nunez om de rouwende hond op afstand te zetten.

Puber op hoge poten

Op een zaterdagmorgen in oktober, twee weken na onze rit naar Groningen, stopte een zwarte fourwheeldrive in onze straat. De jonge vrouw met het engelachtige blonde haar en haar vriend, een grote, rossige jongen stapten uit. We zagen ze door het keukenraam naar ons huis lopen. Jones kon weer terug naar haar nest.

Ze woont nu met haar zwart-wit gevlekte zusje op een boerderij in Overijssel, met zeeën van ruimte en een eigen speelgrasveld. Er kwam er een vrolijk filmpje van haar weerzien met haar moeder en zusje. Haar nieuwe baasje stuurt regelmatig foto’s. De mollige pup is een ­puber op hoge poten geworden. We mogen op bezoek.

Nog weet ik niet precies of het een ontbrekende connectie met deze ene hond was, of dat het dierenliefde-gen toch niet zo diep in mij wortelt als ik zelf dacht. Dat ik meer Fern uit Nomadland ben. Dat die Amerikaanse film die ik voor ogen had een illusie bleek. Of dat ik simpelweg nog herstellende was, met te weinig ruimte voor zo een groots avontuur.

Ik troost me met een prachtige scène uit de serie Fleabag, waarin Phoebe Waller Bridge in een bar belandt en te veel martini’s drinkt met zakenvrouw Belinda (Kristin Scott Thomas) en bekent dat ze mensen vreselijk vindt. Waarop Belinda haar hartstochtelijk corrigeert. “People are all we’ve got”, zegt ze. De mensen, en al het complexe en ook het mooie gedoe dat de relaties met ze oplevert: voor mij is het genoeg.

Lees ook:

Het asiel loopt leeg in coronatijd. Alleen de rugzakdieren zijn nog over

De asiels zijn nagenoeg leeg, de meeste honden en katten vinden in coronatijd snel een nieuw thuis. Ook de minder populaire dieren met een gebruiksaanwijzing. ‘Mensen willen nu graag gezelschap.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden