Beeld Suzan Hijink

Nieuwbouw

Purmerend saai? Dat is volgens bewoner Pieter Hoexum nou net zo mooi

Gefascineerd door het fenomeen dat in ons land veel ‘op rolletjes’ loopt, fietst publicist Pieter Hoexum door Purmerend. Hij ziet opnieuw de schoonheid van zijn kleurloze, saaie woonplek.

Een keer per jaar maak ik op de fiets een heuse ‘dwaaltocht’ dwars door mijn woonplaats. Ik pak natuurlijk dagelijks de fiets, om naar de winkels, pianoles, de bibliotheek, enzovoorts te gaan, maar een keer per jaar maak ik een soort verkenningstocht. Onze auto is namelijk in onderhoud bij een garage die gevestigd is op een bedrijventerrein in het uiterste noordoosten van Purmerend, mijn woonplaats, terwijl ons huis in een woonwijk in het uiterste zuidwesten van die gemeente staat; als ik de auto wegbreng voor de jaarlijkse apk-keuring en beurt, neem ik altijd de leenfiets van de garage en fiets daarmee naar huis, om ’s avonds weer terug te fietsen en de auto op te halen.

Zo maak ik grofweg diagonaal, dwars door alle mogelijke buurten, een omzwerving door mijn woonplaats. Ik neem poolshoogte. En elke keer weer kan ik niet anders dan vaststellen dat er niets aan het handje is, dat alles zijn gangetje gaat. Ook deze keer was dat een geruststelling, zeker nu we het dieptepunt van de coronacrisis gehad lijken te hebben. Er is weinig dat mij meer fascineert dan dat ‘gangetje’ dat alles gaat, de ‘rolletjes’ waarop alles maar loopt.

Hier is vrijwel alles, zoals bijna alles in Nederland, prettig geregeld, zeker in ruimtelijk opzicht. Nederland ís ruimtelijke ordening. Heel Nederland? ‘Nee, hier en daar zijn kleine nederzettingen te vinden die moedig weerstand bieden aan de overweldigers’, om de bekende introductie van alle stripboeken over Asterix & Obelix te parafraseren.

Mislukte winkelcentra, verloederde buitenwijken, spuuglelijke bowlingparadijzen

Een groot deel van die rommelige hoekjes in ons nette land zijn verzameld in een heuse reisgids: ‘Treurtrips’, van journalist Mark van Wonderen en vormgeefster Yolanda van Huntelaar. Trouw interviewde Van Wonderen, over zijn wonderlijke reisgids met treurtrips, vol tochtjes langs ‘mislukte winkelcentra, verloederde buitenwijken, spuuglelijke bowlingparadijzen’. Van Wonderen vertelde dat het hem om meer gaat dan alleen maar lelijkheid, het verval prikkelt hem.

“De ongeïnspireerde rijtjeshuizen van Purmerend hebben het boek niet gehaald, want die zijn alleen maar saai. Ze vertellen geen verhaal, in tegenstelling tot Den Helder, een verloederde maar opkrabbelende stad vol rafelranden.” 

‘Treurtips’ is een heel aardige gids geworden, vooral als aansporing om Nederland te (her)ontdekken. Maar die opmerking over de saaie Purmerendse rijtjeshuizen schoot mij in het verkeerde keelgat. Tot mijn eigen verbazing moet ik vaststellen dat we hier alweer bijna twintig jaar wonen.

Beeld Suzan Hijink

Dat we hier terechtkwamen was nogal toevallig: vanwege gezinsuitbreiding zochten we ruimere woonruimte in Amsterdam, maar konden daar de huizen niet betalen, een probleem dat overigens alleen maar groter is geworden. Zeker in het begin beschouwde ik Purmerend als een zandbank waar ik bij toeval gestrand was. Maar in de loop der jaren begon ik steeds meer in te zien dat je misschien beter kon zeggen dat ik er gelukkigerwijs gestrand was.

Het hoogst haalbare als het om wonen gaan

Na verloop van tijd heb ik mij er helemaal bij neergelegd, mij ermee verzoend, heb ik er vrede mee. En dat is eigenlijk het hoogst bereikbare als het om wonen gaat – wonen is tevreden zijn, tot-vrede-gebracht-zijn, zoals de Duitse filosoof Heidegger al uitgebreid betoogde. Deze keer fietste ik hoogstens wat melancholieker rond dan anders, omdat dit weleens een afscheidstocht zou kunnen worden. Hoe tevreden we ook zijn, het lijkt erop dat we binnenkort gaan verhuizen, naar een plek dichter bij het nieuwe werk van mijn vrouw – ze heeft schoon genoeg van het forensen en ik kan haar geen ongelijk geven.

Na al die jaren is mij wel duidelijk geworden dat er over die Purmerendse rijtjeshuizen wel degelijk verhalen te vertellen zijn. Dat heb ik ook gedaan: over mijn eigen Purmerendse rijtjeshuis schreef ik een boek: ‘Kleine filosofie van het rijtjeshuis’. Een boek met louter kleine verhalen, ‘Kleine verslagen’ à la Wim Boevink, geen grote, meeslepende verhalen. Maar desalniettemin verhálen.

In tegenstelling tot Den Helder zijn er in Purmerend inderdaad nauwelijks van die architectonische guilty pleasures te vinden die Van Wonderen zo graag ziet. Ooit stond hier in het Leeghwaterpark een enorm afgedankt vliegtuig waarin een pannekoekenrestaurant was gevestigd. Maar dat pannekoekenvliegtuig is afgebrand en keurig opgeruimd – er is nu een zwembad, het Leeghwaterbad, waar behalve de naam helemaal niets mis mee is.

Zoals elke keer bedacht ik weer halverwege – te laat dus – dat ik de leenfiets had moeten laten staan bij de garage en te voet had moeten gaan. Het wandeltempo past beter bij plaatsen zoals Purmerend. Langzaamaan, dan breekt het lijntje niet. Het kent niet die levendige haast van de stad, maar ook weer niet die lome gemoedelijkheid van het platteland. In muziektermen is het tempo andante (‘rustig gaand’); het zit tussen allegro (‘levendig’) en adagio (‘comfortabel, gemakkelijk kalm’) in.

Een vaste route heb ik niet tijdens mijn jaarlijkse ‘inspectieronde’, integendeel, ik fiets maar wat en zie wel waar ik langskom. Dan zie je nog eens wat. Maar meestal zorg ik er wel voor dat ik op de heen- of terugweg langs het Cavaljéplein kom. Daar woonde van 1959 tot 1965, op de bovenste verdieping van een portiekflat, de door mij zeer bewonderde schrijver Gerrit Krol, hoewel hij toen nog geen echte schrijver was; hij schreef wel maar was nog niet gedebuteerd. Krol verdiende toen de kost, zoals hij dat trouwens zijn hele leven zou blijven doen, bij Shell in Amsterdam, waar hij dus dagelijks naartoe forensde vanuit Purmerend

Een van mijn lievelingsboeken van Krol (het is moeilijk kiezen!) is ‘60.000 uur’, een soort autobiografie waarin hij zijn werkzame leven beschrijft – de 60.000 uur dat hij in dienst was van ‘De Koninklijke’. Dat boek heeft een prachtig motto: ‘Wat is de hoogste wijsheid? Het dagelijks leven.’

Het is een uitspraak van een Chinese monnik uit de vijfde eeuw die boeddhist werd en een van de grondleggers werd van het zenboeddhisme. Net als iedereen heb ik een hekel aan al die Boeddhabeelden die ook hier in vrijwel alle voortuintjes te vinden zijn, maar als je dat motto volgt is dat onterecht en zijn die beelden bijzonder toepasselijk.

‘Moge u wonen in een interessante woonplaats’

Krols motto deed mij denken aan een Chinese verwensing: ‘Moge u in interessante tijden leven’. Dat klinkt wellicht als een wens – totdat je realiseert dat die interessante tijden precies de tijden zijn die het journaal en de voorpagina’s van de kranten halen, tijden dus vol oorlog of natuurgeweld. Goede tijden, waarin dat soort rampen niet plaatsvinden, zijn maar saai... Tegen iedereen die zijn neus ophaalt voor plaatsen zoals Purmerend, zou ik zeggen: ‘Moge u wonen in een interessante woonplaats’. Saai is het nieuwe leefbaar.

Als je Purmerend kleurloos zou noemen, heb ik daar eigenlijk geen enkele moeite mee. Misschien kun je wel spreken van ‘karakterloos’ – woonplaatsen als Purmerend zijn allemansvrienden. Vrienden die bij ons op bezoek komen verzuchten bij aankomst nog weleens dat zij hier nooit zouden kunnen wonen. Ze vergissen zich, iedereen kan hier juist wonen – en dat is precies de reden dat sommigen er niet willen wonen.

Begin jaren tachtig klaagde een andere literaire Gerrit steen en been over architectuur en stedebouw in Nederland. Gerrit Komrij schreef in een van zijn roemruchte ‘architectuurkritieken’ voor Vrij Nederland: ‘Er is niet veel ruimte in Nederland, maar voeg daarbij de haast panische angst voor ruimte van de bestuurders, ambtenaren, stedebouwkundige ontwerpers, architecten en buurtwerkers […] Klein van binnen en kneuterig van buiten. De héle planning van wijken getuigt van die grijpstuivermentaliteit. Het is niet mooi en het is niet lelijk, het is niet glad en het is niet hard, het hangt niet aan de muur en het verdomt te tikken bovendien.’

Overal ziet de dichter in zijn voormalige vaderland ‘winkelpromenades, sierbestratingen, woonerven en Keulse minipotten’. Hij verzucht: ‘De verpurmerending van Nederland gaat traag, maar onstuitbaar voort’. 

Die verpurmerending is inderdaad gestaag voortgegaan. Waar we ook naartoe verhuizen, het moet toch lukken daar weer zo’n kleurloze woonplek te vinden. 

Lees ook:

Met Redmond O’Hanlon op safari door Almere: ‘Zó lelijk hoef je het toch niet te maken?’

De gastschrijver van Almere, Redmond O’Hanlon, haalde zich de woede van de lokale PVV op de hals door de stad ‘lelijk’ te noemen. Tijdens een safari langs de betonnen misère legt hij uit wat eraan scheelt.

Maak eens een treurtrip langs de gruwelijkste lelijkheid van Nederland

Vergeet de Amsterdamse grachten, De Keukenhof en de molens van Kinderdijk. Mark van Wonderen schreef over de lelijkste plekken van Nederland: een treurtrip waard.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden