LevenslessenRené Diekstra

Psycholoog René Diekstra: Pijn moet je niet te snel afkappen

Beeld Merlijn Doomernik

Als therapeut en schrijver helpt psycholoog René Diekstra (73) mensen zich te wapenen tegen hun angst voor het bestaan. Toen 24 jaar terug iedereen over hem heen viel, moest hij zelf in therapie. Onlangs kreeg hij duizenden reacties toen hij in een column lezers aanmoedigde hun ouders te interviewen. ‘Mijn ouders zijn voor mij helaas onbekenden gebleven.’

1 Interview je ouders (als het nog kan)

“Ik schrijf elke week twee columns: op maandag voor regionale dagbladen in Leiden, Haarlem, Alkmaar en het Gooi, en dinsdag voor het AD. Tot mijn stomme verbazing explodeerde mijn inbox twee maanden terug na een column getiteld ‘Intieme vreemden’. De teller staat nu op 6600 reacties. Het ging over het als kind in een gezin opgroeien, terwijl je eigenlijk weinig van je ouders weet. Begin jaren negentig gaf ik colleges levenslooppsychologie, waarbij ik de studenten als opdracht een interviewschema meegaf. Met die vragen gingen ze naar hun ouders toe om te praten. Dat was zinvol, spannend en soms bedreigend. Je ouders mogen weigeren. Je kunt dingen horen die je vader nooit tegen je moeder heeft gezegd, en nu wel tegen jou.

Soms stuit je op familietaboes. Ouders bleken helemaal niet getrouwd te zijn, dat deden ze stiekem een keer toen de kinderen met school op kamp waren. Een vader bleek misbruikt, waardoor die zijn zoon nooit kon aanraken. Een oma bleek jaren in een inrichting te hebben gezeten, en daar ook gestorven. In 1992 heb ik dat interviewschema ook gedeeld met het publiek, maar kwamen er nauwelijks verzoeken om het schema. Nu dus duizenden, en de vragen blijken nog even actueel.

Omdat ik opgroeide in een groot gezin met elf kinderen, ik was de achtste, dacht ik dat het daardoor kwam dat ik mijn ouders niet echt kende. Ik had ze graag die vragenlijst voorgelegd, ja. Mijn ouders zijn voor mij helaas relatief onbekenden gebleven. Mijn vader was 64 toen hij overleed aan een hartstilstand. Mijn lieve moeder stierf op haar 67ste, heel dramatisch. Mijn enige zus woonde op een bovenhuis, ze was aan het verbouwen. Op een dag was mijn moeder bij haar thuis. De aannemer werkte aan de trap, had de leuning even verwijderd. Moeder wilde de trap afgaan, pakte de leuning die er niet was, en lag na al die treden beneden in gruzelementen. Ze leefde nog een paar dagen. Ik was woedend op mijn zus en op de aannemer. Ja, het is wel goed gekomen, het was voor mijn zus zeker zo vreselijk.

Of mijn drie kinderen mijn vrouw en mij al hebben geïnterviewd? (glimlacht) Ja en nee. Onze kinderen weten niet alles van ons, maar wel een hele hoop, ook door wat ze met mij hebben meegemaakt. Ze bellen en komen vaak, ze vragen en geven advies. Ook ongevraagd. Nu met corona bijvoorbeeld, komen ze ineens met spullen van internet, ‘die moeten jullie slikken voor als je het virus hebt, dan ben je resistenter’.”

2 Sta mensen bij waar je kunt

“Ik heb niet de gelegenheid en de tijd om zorgvuldig op alle vragen en verzoeken van lezers in te gaan die tot mij komen. Zoals na die column. Ik was lang psychotherapeut bij de ggz in Leiden. En er kloppen nog steeds ex-patiënten bij me aan, maar ook mensen die bijvoorbeeld in de media in ernstige problemen zijn gekomen. Helpen doe ik vrijwel altijd, ik geef geen therapie maar advies of een paar consultatie­gesprekken.

Ook als iemand zich meldt met gedachten aan of voornemens tot zelfdoding bied ik vaak advies aan, verwijs ik door of doe een paar gesprekken. Net als mensen die zitten met de waaromvraag na zelfdoding van een naaste.”

Beeld Merlijn Doomernik

3 Drink de gifbeker tot op de bodem leeg

“Of ik 1996, het jaar van mijn affaire op de Leidse universiteit, als een kantelpunt in mijn leven beschouw? Misschien niet dat jaar, maar later. Als je iets grootschaligs verliest, is er eerst vooral pijn. Ik ben, hoe gek het ook klinkt, en ik weet niet tot wie ik me moet richten, maar bepaald niet ondankbaar dat ik me door kwesties heen heb leren worstelen. Ik heb toegegeven dat ik op sommige punten zorgvuldiger bronnen had moeten vermelden, maar het is volstrekt onjuist dat ik dat deed om de indruk te wekken dat sommige inzichten geheel en al mijn eigen scheppingen waren.

Als psycholoog is het vaak opboksen tegen psychiaters. In mijn geval hebben psychiaters die mij niet persoonlijk kenden zelfs diagnoses over mij de wereld in gestuurd, alsof ik aan bepaalde afwijkingen leed, en zoiets doe je niet. Ook de media maakten het heel groot. Ik werd een jaar na de affaire uitgenodigd op een bijeenkomst van hoofdredacteuren van radio, ­tv en pers over ‘je weerbaar maken tegen de media’. Ook voor bedrijven. Gespreksleider Paul Witteman wilde mij erbij hebben. Ik zei: ‘Ik ben alleen bereid te komen als ik, nu na een jaar, een opsomming van tientallen scheldkanon­nades tegen mij en de ongevraagde diagnoses over mij mag tonen. Met bronvermelding.’

In dat Spant in Bussum was het doodstil toen ik klaar was. ‘Dit is wat ik jullie terug wilde geven’, zei ik. Toen ik naar huis reed, voelde ik me vreselijk, maar ik dacht: weet je René, nu ben je diep genoeg gegaan, op de bodem van het dal is er nog maar één weg, ­omhoog. Pijn moet je niet te snel afkappen, dan krijg je vermijding, vluchtgedrag. Na afloop kwamen journalisten naar me toe die helemaal niet hadden beseft wat het voor mij had betekend om zulke aanvallen over je heen te krijgen. Jammer, maar journalistiek blijft in belangrijke mate een chronische poging om ­iemand tot in lengte van jaren te identificeren met het ergste waar-ie ooit van is beschuldigd. Er zijn uitzonderingen. Zoals de auteurs van ‘Leiden in last. De zaak-Diekstra nader bekeken’ uit 1997 en Volkskrant-journalist Sander van Walsum die in 1998 schreef dat verwijten jegens mij schromelijk overdreven waren.” 

4 Schrijven kan levensreddend zijn

“Op sommige momenten zat ik echt op de rand. Er was een aantal redenen om niet die rand over te gaan. Ik heb van mijn ervaringen met suïcidale mensen geleerd dat zelfdoding een einde maakt aan hun grote lijden, maar heel vaak het begin is van het lijden van mensen om hen heen. Wat ik me voortdurend inprentte, was: René, je flikt het niet, je gaat niet Nelly en de kinderen opzadelen met zo’n vreselijke erfenis. Ik had zo veel mensen begeleid, dan kon ik er zelf toch ook van wegblijven? ‘Je gaat geen gekke dingen doen, hè?’ zei mijn jongste zoon af en toe die me in de smiezen hield als ik een stukje ging wandelen.

Ik vond een therapeut die ver genoeg afstond van het hele gedoe, wel de academische wereld kende en bereid was twee keer in de week tegen mijn gezicht aan te kijken. Er waren momenten op weg naar hem dat ik dacht: ik laat dat stuur los. Ik ben een dagboek bij gaan houden, schreef al mijn gedachten op, hoe heftig ook: agressie, diepe somberheid, waarvan je niet wilt dat iemand het leest. Bij hem kon ik het allemaal kwijt.

Midden in de affaire werd ik opgebeld door het Rotterdams Dagblad en een paar andere kranten die mij als columnist terug wilden. Dig Istha, communicatie-expert, raadde het me af: ‘Je moet niet meer gaan schrijven, dat is het gebied waarop je kritiek kreeg. Ga iets anders doen.’ Dat vond ik een vreselijk advies. Ik wilde schrijven. Mijn vrouw zei dat ik mijn gevoel moest volgen. Dat was een reddend besluit. Iemand als criminoloog Buikhuisen (die eind jaren ’70 verketterd werd vanwege zijn onderzoek naar biologische kenmerken van criminelen, AS) is de antiekhandel ingegaan. Toch ook doodzonde?”

Beeld Merlijn Doomernik

5 Wees soms de wijste

“Als mijn collega Diederik Stapel mij had gevraagd om te praten, had ik het gedaan. Toen zijn fraude met onderzoeksresultaten in 2003 bekend werd, heb ik hem mijn boek over mijn affaire toegestuurd. Hij bedankte er pas veel later voor en dat was het. Zijn casus is overigens een volstrekt andere. Ik vond het daarom ook schandelijk van sommige media om onze zaken op één hoop te gooien.

Mijn vrouw en kinderen, ze hebben mijn achternaam, hebben veel last gehad van de affaire rond mij. Daarom, en niet vanwege de beschuldigingen, besloot ik ook zelf weg te gaan bij de Leidse universiteit. Een aantal zaken dat me werd aangewreven, was gewoon niet waar, daarom vocht ik het aan. Maar op een gegeven moment was het voor mijn gezin niet meer uit te houden. Als een van mijn zoons een werkstuk inleverde op school, kwam daar soms de vraag hoeveel ervan zijn eigen werk was. En wekenlang stonden fotografen met telelenzen in bestelbusjes voor de deur. Ze barricadeerden ons huis van alle kanten.”

6 Oud worden is een zegen (maar blijf doelen stellen)

“Ik ben van nature geneigd tot depressie, maar het gekke is: naarmate ik ouder werd en meer klappen opliep, werd ik een blijmoediger mens. Ik ben dankbaar dat ik leef, productief ben, gesprekken voer en ik hoop dat ik dat nog een tijd mag doen. Waar ik echt blij van word, is als het schrijven van een boek of column lukt. En als Nelly er tevreden over is. Zij checkt mijn teksten. En ik trek me er al altijd wat van aan.

Ze verbiedt ook onderwerpen die me eerder in problemen brachten. Een beetje opruiende kant heb ik zeker, dat klopt. Ik was jaren columnist van de Staatscourant toen ik een keer de column ‘Via Istanbul naar Auschwitz’ schreef. Daarin hekelde ik de overvloedige aandacht voor de Holocaust in de media, ten koste van die voor de genocide op de Armeniërs door de Turken. Nou, toen kregen wij dus stenen door de ruiten en zowel de Staatscourant als wij bedreigingen van Turkse organisaties. Ik durfde een tijd alleen vermomd de straat op.

Om een heel andere reden ontstond ook commotie over een column van mij in 2006. Ik pleitte daarin voor een sociale dienstplicht voor bejaarden. Ik moest in een week een aantal keren in mijn auto lang wachten bij bruggen in Zeeland en Leiden waar allemaal bejaardenboten langs voeren, ik werd er gek van. Ga wat doen, dacht ik. Maar hoe kon ik zo blind zijn? De regionale kranten waar de column te lezen was, stonden wekenlang vol boze reacties. Op een avond stonden er bij ons zelfs een oudere vrouw en een man op de stoep, die aanbelden en met een heel serieus gezicht 1200 handtekeningen aanboden. Tegen die dienstplicht. Alsof mijn invloed reikt tot op het Binnenhof!”

Psycholoog René Diekstra (Sneek, 1946) groeide op als achtste kind in een gezin van elf. Op zijn elfde werd hij naar een Brabants seminarie gestuurd. Later studeerde hij psychologie in Nijmegen, waar hij cum laude promoveerde op een proefschrift over zelfdoding. Nadat hijzelf besloot te vertrekken als hoogleraar psychologie bij de Leidse universiteit in 1996, omdat een commissie hem beschuldigde van onvoldoende bronvermelding in bepaalde publicaties, werd hij adviseur preventief jeugdbeleid in Rotterdam en bleef hij werkzaam als psychotherapeut bij de ggz in Leiden. In 2001 werd hij benoemd tot lector op de Haagse hogeschool en in 2003 tot hoogleraar en hoofd social sciences van het University College in Middelburg. Hij helpt nog steeds mee met de opbouw van university colleges in Rome en twee Chinese steden. Diekstra introduceerde, samen met psychotherapeut Albert Ellis, de rationeel-emotieve therapie in Nederland, waarbij het zowel gaat om het verstand als het gevoel. Onlangs kwam de geheel herziene 30ste editie uit van zijn boek ‘Ik kan denken/voelen wat ik wil’ (uitgeverij Pearson, € 26,50).

Ook uw ouders willen interviewen? Het ouder/kind-interviewschema staat hier: https://diekstra.nl/io/

Trouw vraagt wekelijks een bekende of minder bekende Nederlander: welke levenslessen heeft u geleerd?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden