Pieter Geenen: ‘Anton is de vertegenwoordiger van het redelijke midden, bij hem krijgt iedereen de kans om zijn zegje te doen’.

Tien GebodenPieter Geenen

Pieter Geenen gaat met pensioen: ‘Nee, Anton Dingeman spreekt niet namens mij of… nou ja, misschien een beetje’

Pieter Geenen: ‘Anton is de vertegenwoordiger van het redelijke midden, bij hem krijgt iedereen de kans om zijn zegje te doen’.Beeld Mark Kohn

Anton Dingeman spreekt niet namens Pieter Geenen, of nou ja, misschien toch wel een beetje. Volgens de tekenaar is het stripfiguurtje ‘meer bescheiden’ en ‘iets lulliger ook’. Geenen heeft veel van zijn creatie geleerd: ‘Dankzij Anton heb ik een ruimere blik op de wereld gekregen’. Op 30 april gaan ze samen met pensioen.

Arjan Visser

I Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

‘Ik ben in d’n himmel geboren – in de Hemel, om het netjes te zeggen. Dat is een straat in Asten, vlak bij Eindhoven, de stad waar we op mijn achtste naartoe zijn verhuisd. Opgegroeid in een katholieke wereld, tussen de katholieken. Er waren misschien wel protestanten, maar wij kenden ze niet. Ik zong in het koor omdat ik na ieder optreden iets te snoepen kreeg, zat bij de katholieke jeugdvereniging en was tot mijn twaalfde misdienaar. Het was heel vanzelfsprekend allemaal. God bestond, maar ik hield me niet echt met Hem bezig. Als puber ging ik nog naar de mis – de laatste, op het nippertje – maar op een gegeven moment was er van dat hele geloof niet veel meer over.

Rond mijn vijfentwintigste begon religie me weer te interesseren, maar dan vooral als toeschouwer: wat bedoelen mensen als ze zeggen dat ze in God geloven? Wie of wat is God? Voor mij is God iets wat mensen hebben bedacht; een kunstvorm die ze inzetten om naar zichzelf te kunnen kijken, om uiting te geven aan hun verlangens, troost te vinden of tot rust te komen. Dat bedoel ik niet denigrerend trouwens, het fascineert me juist enorm. Ik denk nog steeds met liefde terug aan mijn katholieke jeugd. Een paar jaar geleden ben ik met mijn vrouw naar Lourdes geweest en ik keek mijn ogen uit. Ik vond de verpletterende overtuiging van die mensen – dat een bezoek aan die bedevaartplek hen zou kunnen helpen – oprecht en indrukwekkend. Bidden tot de maagd Maria, heiligen aanroepen, kaarsjes branden: daar is voor mij niets geks aan. Ik kén die omgeving en ik voel me er nog altijd thuis, ook al hoor ik er niet echt meer bij.

Als je me vraagt naar de zin van mijn bestaan, dan zeg ik dat het draait om de mensen met wie ik leef. Daar raak ik steeds meer van doordrongen. Natuurlijk, zolang ik in mijn eentje boven op mijn kamer zit, ben ik heel invoelend en wijs maar zodra ik de wereld binnenstap, wordt het al snel problematisch; dan wind ik me op over mijn omgevallen fiets of schiet ik om iets anders onbenulligs uit mijn slof, maar toch: het besef van tijdelijkheid zorgt ervoor dat ik doorgaans iets meer begrip kan tonen. En dat de liefde groeit.”

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken

“Daar kom je mee op de koffie, zeker als je zoiets bij strenggelovige moslims doet. Na de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo, in 2015, zijn cabaretiers, columnisten en striptekenaars een stuk voorzichtiger geworden. Ik ben het onderwerp religie nooit uit de weg gegaan, maar Allah of de profeet Mohammed zal ik niet snel meer tekenen. Wat de lezers van Trouw betreft: ik heb erg moeten wennen aan het idee dat vloeken bij protestanten zo slecht valt. Wij katholieken zijn toch een stuk vrijmoediger. Zelfs ‘in ’s hemelsnaam’ bleek voor sommige mensen aanstootgevend te zijn. Ik verbaasde me erover, maar omdat ik geen zin had in gedoe, liet ik Anton voortaan vooral ‘Deksels!’ zeggen. Ja, ook wel eens ‘Nondeju!’, maar niet te vaak, want het is nooit mijn bedoeling geweest om mensen te kwetsen.”

III Gij zult de dag des Heren heiligen

“De zondag is een dag waar ik wisselende verhoudingen mee heb gehad. Als kind was ik gewend om naar de kerk te gaan en dan iedere avond met het hele gezin te rikken (Brabantse variant van klaverjassen, AV). Dat ging jarenlang zo door, tot ik begon te puberen en me vooral dood verveelde omdat er op die dag helemaal niets te doen was. Inmiddels vind ik het al jaren weer heel fijn; zo’n stille, plechtige dag van bezinning. De laatste twintig jaar lang moest ik op zondag de strip voor maandag tekenen. Daar komt nu een einde aan. Straks kan ik weer met een goed boek de hele dag op de bank zitten. Een klassieke zondag: even niet met het lichamelijke, maar met het geestelijke leven bezig zijn. Voorgoed zondagsrust. Ik verheug me er nu al op.”

Pieter Geenen (Asten, 1955) studeerde aan de kunstacademie in Den Bosch, was enige jaren freelance-illustrator en begon in 1994 fulltime strips te tekenen. In 2012 won hij de Inktspotprijs voor de beste politieke cartoon. In januari 2009 verscheen de eerste aflevering in de serie ‘De wereld van Anton Dingeman’ in Trouw.

IV Eer uw vader en uw moeder

“Mijn vader had een zwarte kuif en een grote neus, mijn moeder ziet er op jeugdfoto’s een beetje uit zoals Meryl Streep. Hij heeft een paar jaar ulo gedaan, zij alleen basisschool, maar het waren toch wel intelligente mensen. Lieve mensen ook. Niet dat hele lieve, zo van: we gaan elkaar de hele dag lopen kussen, maar ze hadden heel goed in de gaten wie wij, mijn twee broers en ik, waren en ze lieten ons behoorlijk vrij in onze keuzes alhoewel ze het misschien niet helemaal eens waren met mijn beslissing om naar de kunstacademie te gaan want: wat kan je daar nou mee doen, later?

Gelukkig had ik al vroeg verkering met Anke, dat vonden ze wel een veilig idee, en rond de tijd dat de kinderen kwamen kon ik ook eindelijk leven van mijn werk. Dat heeft mijn vader nog wel meegekregen, maar de echt succesvolle dingen – zoals de Anton Dingeman-strip, bijvoorbeeld – heeft hij jammer genoeg gemist. Hij is op zijn 74ste gestorven aan… ja, waaraan eigenlijk? Hij had slechte longen, maar bleef toch stevig doorroken, viel, brak zijn heup, kwam in het ziekenhuis terecht, leek weer op te knappen maar is uiteindelijk niet meer thuisgekomen. Als ik aan hem denk, krijg ik wel een beetje een ‘gemiste kans-gevoel’; ik had meer liefde kunnen tonen of mijn waardering moeten uitspreken.

Mijn moeder heeft hem dertig jaar overleefd. Ze is 96 geworden. Met haar kreeg ik wel meer contact, we spraken elkaar elke dag. Aan haar heb ik kunnen laten zien dat ze zich geen zorgen meer hoefde te maken. Ze was trots. Dat jij hier nu zit om mij voor de Tien Geboden-serie te interviewen, zou ze echt geweldig hebben gevonden.

Mijn moeder was heel nuchter over de naderende dood. Ik weet nog dat ze tegen mijn jongere broer – die helaas nog vóór mijn moeder op zijn zestigste aan een maagbloeding zou overlijden – zei: ‘Straks ben ik er niet meer’ en dat hij begon te huilen. Dat verbaasde haar. Het was toch volstrekt normaal dat je doodging? Zo denk ik er ook over. Ik heb niet echt het gevoel dat de tijd dringt, al zijn er best veel vrienden rond hun zeventigste doodgegaan. Word ik zo oud als mijn vader? Of krijg ik er nog dertig jaar bij? Als dat zo is, ben ik spekkoper, want dan kan ik nog goede gesprekken met mijn kinderen voeren – onze band is goed, maar misschien ben ik op dat gebied ook wel iets te gemakzuchtig. En ik kan mijn kleinkinderen zien opgroeien. Als we er zo over praten, denk ik: ik ben al met al toch best goed gevaren. Wat zou het zijn? Geluk? Of Gods zegen? Kies maar.”

V Gij zult niet doden

“Er zijn in mijn strips heel wat mennekes omgelegd. Ik heb ze laten ontploffen als ze te veel nadachten – ‘Boem!’ – ledenmaten afgehakt, bloed laten stromen, heerlijk! Magere Hein is ook vaak voorbijgekomen: een duidelijk beeld, maar het blijft op een of andere manier toch luchtig. Of hij Anton ook komt halen? Dat weet ik nog niet. Eerst dacht ik erover om gewoon nog één aflevering te maken – zonder verwijzing, afgelopen, klaar – maar ik begin nu toch te twijfelen. Op 30 april komt het laatste stripje. Ik heb nog een week de tijd om een mooi einde voor Anton te bedenken.”

VI Gij zult geen onkuisheid doen

“Vroeger zeiden ze: onkuis is alles wat je zieltje onrein maakt. Het werd nooit expliciet benoemd, maar dat ging natuurlijk over seks. Seks was vies. Je mocht je niet aftrekken en voor het huwelijk met iemand naar bed gaan was ook verboden. Ik heb dit gebod nooit zo serieus genomen. Ik ben ‘gewoon’ heteroseksueel, maar wat mij betreft is er helemaal niets onkuis. Seks met kinderen is vanzelfsprekend uit den boze. Met dieren? Dat is lastiger want je kan een koe niet vragen of ze er prijs op stelt, maar áls ze toestemming geeft, dan zeg ik: doen.”

‘Ik ben al met al toch best goed gevaren. Wat zou het zijn? Geluk? Of Gods zegen? Kies maar.’ Beeld Mark Kohn
‘Ik ben al met al toch best goed gevaren. Wat zou het zijn? Geluk? Of Gods zegen? Kies maar.’Beeld Mark Kohn

VII Gij zult niet stelen

“Het is een cadeau van heb ik jou daar als je een talent hebt en uit je eigen hoofd kunt putten. Ik hoef nooit te plagiëren, hooguit mezelf als ik een keer ben vergeten dat ik iets al eerder heb getekend. Alles wat ik maak is vintage Geenen, ik heb niks… nee, wacht, de vorm – met die tijdsbalk bovenin – heb ik afgekeken van Victoria Roberts, een Amerikaanse cartoonist. Het tijdschrift Hollands Diep publiceerde ooit een stripje van haar, over een dag uit het leven van Pablo Picasso, James Joyce of een andere beroemdheid. Dat vond ik wel een leuk idee, zo ben ik het ook gaan doen, maar verder heb ik niks gejat. Nooit.”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

“Een krant spreekt nooit één waarheid, er wordt ook heel veel weggelaten. Vandaag is in Japan géén vliegtuig neergestort, er zitten géén mijnwerkers vast onder de grond in Bolivia. Dat is ook allemaal waar, maar het haalt de krant niet. En wat er wél wordt gemeld, kan op heel veel manieren gelezen worden. Ik heb bij Trouw leren inzien dat er véél meer perspectieven op de wereld zijn. Dat is voor mij, persoonlijk, ook goed geweest: ik heb heel snel een oordeel klaar, maar omdat ik het moet vertalen naar een tekening waarin Anton Dingeman het woord krijgt, word ik gedwongen er langer over na te denken.

Nee, Anton spreekt niet namens mij of… nou ja, misschien toch wel een beetje, maar hij is vooral een getuige, iemand die in bepaalde situaties opduikt, een motortje waarmee ik een verhaaltje op gang kan krijgen. Anton is meer bescheiden dan ik. Iets lulliger ook. Hij is de vertegenwoordiger van het redelijke midden, bij hem krijgt iedereen de kans om zijn zegje te doen. Dankzij Anton heb ik een veel ruimere blik op de wereld gekregen.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

“Anke en ik zaten eerst gewoon in dezelfde vriendengroep en toen ik negentien was kregen we verkering. Waarom zou ik haar ontrouw zijn? Ik moet er niet aan denken dat we ooit uit elkaar zouden gaan. Mijn vrouw zegt altijd: ‘En dan moet ik zeker al die kabels opnieuw gaan aansluiten en zo, daar begin ik niet aan!’ Onze liefde verdiept zich nog steeds. Zij heeft me geleerd mededeelzamer te worden, iets meer van mezelf te laten zien. Ik weet niet precies wat me tegenhoudt om me – hoe zeggen ze dat altijd zo mooi? – kwetsbaar op te stellen. Bang om afgewezen te worden? Bang om af te gaan? Het is echt niet zo dat ik daar de hele dag mee rondloop hoor, maar het zou best kunnen dat dit het gevoel is dat er achter schuilgaat: ben ik als mezelf wel interessant genoeg?”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

“Mijn vrouw en ik zijn nu al verbijsterd over de welvaart die we hebben. Dit hadden we nooit verwacht toen we vijfendertig, veertig waren. Het heeft wel een tijdje geduurd voordat ik mijn pad gevonden had. Op de middelbare school was ik haantje de voorste, haalde altijd goede cijfers, maar op de kunstacademie bleek ik een middelmatige leerling te zijn. Dat vond ik lastig, ik moest op mijn tenen lopen terwijl mijn studievrienden, echte tekentalenten, fluitend het volgende jaar haalden.

Thuis tekende ik alleen maar mennekes, hele blocnotes vol die ik vervolgens dubbelvouwde en in de prullenbak gooide. Een van de jongens van de academie – met wie ik destijds samenwoonde – viste er op een dag zo’n blocnote uit en zei: ‘Die moet je niet weggooien, Pieter, dat is hartstikke mooi!’ Ik kan me dat moment nog zó goed herinneren: erkenning. Mijn werk was de moeite waard.

Toch lukte het me na de academie niet om een geschikte baan te vinden. Ik had geen zin om te solliciteren omdat ik het idee had dat ik ergens op een kantoor terecht zou komen niet erg aantrekkelijk vond, maar na een tijdje begon het toch wel pijnlijk te worden dat ik nog steeds van een uitkering moest leven. Ik had hoge ideeën over mezelf, ik vond dat ik als kunstenaar heus wel wat voorstelde, maar er kwam niets uit mijn vingers.

Na acht jaar lukte het me om uit die cirkel te stappen en als illustrator aan de slag te gaan. Dat was heel goed voor mijn zelfbeeld. Ik had in een verjaardagssetting ook iets in de melk te brokkelen omdat ik nu óók iemand was die op zijn eigen, bescheiden manier z’n geld verdiende.

Met het werk kwamen, min of meer tegelijkertijd, de kinderen; de start van een bevredigend, praktisch leven. Makkelijk vol te houden, inderdaad, maar nu, na twintig jaar striptekenaar te zijn geweest, is het tijd om andere dingen te gaan doen. Wandelen, studeren, lezen en een beetje schrijven. De geldingsdrang die ik vroeger had, is er niet meer. Ik héb mezelf al bewezen, dus ik kan rustig gaan uitzoeken of het me ook lukt om alleen met woorden een verhaal te vertellen. Ik stop niet. Ik zet gewoon een volgende stap.”

Lees ook:

Tekenaar Pieter Geenen: Ik zag alleen saaie mensen en ingedutte levens, ik moést weg uit Eindhoven

Schrijver Erik Jan Harmens reist deze zomer met bekende Nederlanders en Belgen naar de plek waar ze zijn opgegroeid. Wat is er nog over van het verleden? Vandaag: terug naar Eindhoven met tekenaar Pieter Geenen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden