Paul de Munnik.

Tien gebodenPaul de Munnik

Paul de Munnik: Ik was het prinsje, maar zo heb ik mezelf nooit gezien

Paul de Munnik.Beeld Mark Kohn

Paul de Munnik (Dronten, 1970) maakte op de Kleinkunstacademie kennis met Thomas Acda. Ze vormden tot 2014 een populair theaterduo. Op 29 mei treden ze op met gelegenheidsband The Streamers. De Munnik bracht onlangs zelf het album III uit.

I Gij zult de Here uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

“We waren niet erg streng in de leer, maar de kerk stond bij ons thuis wel centraal. Mijn moeder was dirigente, mijn oudste broer speelde orgel en we zaten allemaal in het koor. Ik hou nog steeds van die kant van het geloof: de samenkomst, de rituelen. En het katholicisme is ook zo heerlijk theatraal. Sommige mensen vinden het stinken, maar de geur van wierook brengt mij in één klap terug bij mijn gelukkige jeugd. Ik zie mezelf weer als acoliet tijdens de nachtmis achter de pastoor aan lopen. ‘Licht van Christus, licht van Christus.’ Zo gingen we samen door die grote, donkere kerk en staken we, één voor één, alle kaarsjes aan…”

II Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken

“Vroeger geloofde ik dat God het zag als ik tijdens de kerkdienst te snel mijn tweede pepermuntje at of deed alsof ik iets in de collectezak gooide – maar het stiekem in mijn zak stopte. En ik wist ook zeker dat Hij me kon horen vloeken. Toch was het geen straffende God, eerder een soort zachte kracht. God stond voor het goede en de Bijbel was een verhaal over barmhartigheid, naastenliefde en mededogen. Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dat werk. Rond mijn zestiende is het naïeve beeld van die almachtige God, het alziend oog, langzaam verdwenen, maar mijn geloof in het goede ben ik nooit kwijtgeraakt.”

III Gij zult de dag des Heren heiligen

“Het gaat me zeer aan het hart om te zien dat de kerken zo leeglopen. Dat moet erg verdrietig zijn voor de mensen die nog wél geloven dat je daar moet zijn om God te eren. Ik hoor er zelf op die manier niet meer bij, maar ik weet nog precies hoe het voelde om… nu schiet me ineens te binnen dat ik samen met Maarten van Roozendaal – dat was ook zo’n door- en door katholieke jongen – een keer een voorstelling heb gemaakt die heette Heimwee naar de hemel en dat ik op een gegeven moment voorstelde om samen te zingen, waarop hij, met precies de juiste intonatie, antwoordde: ‘Ja! Sámen zingen!’ Samen zingen, dat is toch bijna een spirituele ervaring? Ik merk het nu ook, met The Streamers (de gelegenheidsformatie waar hij en Thomas Acda sinds maart 2021 deel van uitmaken, red.): we doen dit, met z’n allen, en het geeft een bepaalde kracht, een basis waarop je verder kunt bouwen, iets waarmee je weer aan een volgende dag kunt beginnen. We zijn geen veertien messiassen die de wereld even zullen redden of zo, maar het is wel fijn om te merken dat we zoveel mensen een plezier doen met onze muziek. En voor mij geeft het deel uitmaken van zo’n groep hetzelfde gevoel van saamhorigheid dat ik me herinner uit de tijd dat ik nog iedere zondag – soms wel twee keer per week – in de kerk zat.”

IV Eer uw vader en uw moeder

“Mijn moeder was een grote, sterke vrouw, iemand die het fijn vond om op de voorgrond te staan, de boel te leiden en daarin ook behoorlijk ambitieus was. Ze kon heel mooi zingen, had professioneel zangeres kunnen worden, maar nadat haar moeder was overleden, werd ze op haar zestiende van school gehaald om thuis te werken en haar vader te helpen. Ze sloot zich aan bij een koor, ging operette zingen, maar er was geen geld, geen tijd en geen ruimte om die talenten verder te ontwikkelen.

“Op een dag is ze getrouwd, kreeg vijf zonen, van wie ik de jongste ben, maar ik heb altijd het idee gehad dat ze de ambitie om zangeres te worden nooit heeft laten varen. Ik herinner me nog goed hoe ze iedere week, met mij achterop, zestien kilometer van Dronten naar Kampen fietste om daar op de stedelijke muziekschool zangles te krijgen. Mijn moeder was niet iemand die makkelijk complimentjes gaf; als ik, of een van mijn broers, op muzikaal gebied iets had gepresteerd, zei ze vaak dingen als: ‘Dat had nét iets zuiverder gekund’. Niet boosaardig of zo, ze was gewoon heel gedreven. Net als ik.

“Ik weet nog dat ik mijn broers ooit zag optreden in de Stadsgehoorzaal in Kampen en dacht: dat wil ik ook! Ik wil ook op een podium staan. Zingen en spelen. Zij waren mijn richtsnoer, mijn ijkpunt; ik denk dat die oudere broers ervoor hebben gezorgd dat ik nóg competitiever ben geworden. Twee van hen zitten ook in de muziek – de een is dirigent, de ander muziekdocent – maar ik ben degene die het ‘gemaakt’ heeft. Daar zijn ze allemaal trots op, het wordt me oprecht en van harte gegund. Ze weten hoezeer ik hier mijn best voor heb gedaan. Ik heb er later nog weleens met hen over gesproken: heeft ontevredenheid me zo ver gebracht of zit de ontevredenheid me juist in de weg en zou ik verder kunnen komen als ik iets meer kon genieten van de dingen die ik heb bereikt? Ik lijk, hoe dan ook, op mijn moeder, met dat verschil dat ik wél de mogelijkheid heb gekregen om van mijn passie mijn werk te maken.

“Mijn vader was ambtenaar bij Rijkswaterstaat, opzichter in de Flevopolder. We mochten vaak mee naar zo’n bouwkeet, waar we een flesje 7Up kregen en toekeken hoe die mannen klaverjasten. Hij had ook vaak tijd om ons naar school te brengen, vond alles prachtig wat zijn vrouw en kinderen deden. Hij overleed heel plotseling, aan hartfalen. Het is nu zestien jaar geleden en het is net alsof ik die schok nooit helemaal te boven ben gekomen. Mijn moeder was ook ineens heel onthand; we hadden het nooit zo in de gaten gehad dat hij alles voor haar regelde. Ze was altijd gewoon bij hem in de auto gestapt; hij bracht haar overal naartoe. Als ze iets nodig had, ging hij het voor haar halen. Zonder morren. Zij mocht shinen.

“Ik lijk sprekend op mijn moeder, maar ik had zo graag net als mijn vader willen zijn: trots, dankbaar en tevreden, iemand die gewoon zijn leven leeft. De dood van mijn moeder, een paar jaar geleden, kwam minder hard aan; zij verdween langzaam maar zeker in een alzheimerachtige situatie. Sinds de dood van onze ouders is het contact met mijn broers nóg hechter geworden. We organiseren jaarlijks ‘broersdagen’ en in deze coronatijd zoomen we iedere zondag met elkaar. Soms doen er maar twee of drie broers mee, maar meestal zijn we met z’n vijven. Dan bespreken we het leven en halen we herinneringen op aan vroeger.

“Als ik aan mijn vader denk, zie ik hem weer voor me zoals hij was vier weken voor zijn dood. Ik had mijn ouders uitgenodigd om een paar dagen met z’n drieën naar Parijs te gaan. Hij had zoiets niet eerder willen aannemen, maar dit keer zei hij ja. Ze genoten allebei, van ieder moment. Toen we thuiskwamen, gaf hij mij een kus. Ik kan me niet herinneren dat hij me eerder op zo’n manier ergens voor had bedankt. Die ene kus, de blik in zijn ogen. Het was een magisch moment.”

V Gij zult niet doden

“We zongen thuis altijd, met z’n allen – zelfs mijn vader humde op de achtergrond een beetje mee – maar we waren geen praters. Als er iets vervelends speelde, werd dat zelden uitgesproken. Ik ben een binnenvetter, een conflictvermijder. Je kunt met mij geen ruzie krijgen; ik zal nooit iemand iets aandoen. Ik vind sowieso dat je een ander niks mag aandoen. Zelfs de grootste misdadiger niet. Geen kwaad met kwaad vergelden… Misschien is dat nog een echo van mijn gelovige opvoeding, alhoewel ik het met die andere katholieke principes op dit terrein volstrekt oneens ben. Er zijn genoeg redenen om wél een abortus te ondergaan en als je uitzichtloos lijdt, mag je kiezen voor euthanasie. Ik zou die keuze zelf niet snel maken, denk ik. Misschien is dat ook wel een vorm van conflict vermijden... Als ik, wat God verhoede, heel erg ziek zou worden, zou ik waarschijnlijk tot het eind toe blijven geloven dat ik nog wel beter word. Nee, dat is geen doodsangst. Het is pure levensvreugde. Ik wil niet weg. Ik vind het hier veel te leuk.”

Paul de Munnik. Beeld Mark Kohn
Paul de Munnik.Beeld Mark Kohn

VI Gij zult geen onkuisheid doen

“Hier heb ik met mijn vader nog eens een pittige discussie over gevoerd. Thomas en ik waren bij een of andere talkshow te gast – ik geloof dat het Barend & Van Dorp was – waar met de hele tafel over allerlei onderwerpen werd gediscussieerd. Het ging op een gegeven moment over Martijn (vereniging die streefde naar acceptatie van seksuele relaties tussen volwassenen en kinderen, verboden in 2012, AV) en ik zei dat ik er geen problemen mee had als iemand gevoelens voor kinderen had, zolang hij er maar niet naar handelde. Mijn vader sprak mij daar na de uitzending over aan. Pedoseksualiteit was onkuis. ‘Je mag deze gevoelens niet hebben’, zei hij. Dat vond ik raar. En zo denk ik er nog steeds over. Gevoelens heb je nu eenmaal. Of je dat nou prettig vindt of niet.”

VII Gij zult niet stelen

“Tegenwoordig luister ik hier wel naar, maar als kind heb ik echt veel gestolen. Mijn ouders, mijn broers: ze wisten allemaal dat ze nergens geld moesten laten slingeren. Ik stal ook uit winkels – kleine dingen hoor, ik heb geen strafblad – maar dat was waarschijnlijk voor de kick. Ik pikte nooit iets wat ik nodig had. In mijn puberteit begon het tot me door te dringen ik verkeerd bezig was, maar vooral: dat ik het ook niet fijn zou vinden als er iets van mij werd afgepakt.”

VIII Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

“Het gaat me van nature heel slecht af om de waarheid te spreken. Ik loog tegen mijn ouders, ik loog tegen mijn vrienden. Conflict vermijden, ik zei het al. Angst om afgewezen te worden. Ik denk al snel: als ik het eerlijk zeg, krijg ik gedoe en als ik er nét iets anders van maak, kom ik er waarschijnlijk wel mee weg. Dit is een prettig gesprek – nee, echt! – maar ik heb heel vaak in interviews gezeten die me slecht bevielen. Dan voelde ik aan alles dat het beter was om eruit te stappen, maar dat durfde ik niet, dus verzon ik maar wat om de vragensteller toch tevreden te houden. Het is nog erger bij vrienden, of mensen die dicht om me heen staan, omdat die zich hardop afvragen: wie ben je nou eigenlijk? Ik heb geliefden van me afgeduwd door niet helemaal eerlijk te zijn. Daar wil ik nu, op mijn vijftigste, eindelijk weleens vanaf. En ik probeer het ook uit te dragen. Ik zeg van te voren: ik wil heel graag met je praten, maar je moet wel weten dat ik eerlijk zal zijn. Ik draai nergens meer omheen.”

IX Gij zult geen onkuisheid begeren

“Eh… ja, daar zit ik dan met mijn goede voornemen. Dit is een onderwerp dat ik liever niet zou bespreken, omdat ik op het gebied van de ontrouw een behoorlijk slecht trackrecord heb. Ik heb een aantal mensen flink beschadigd en daar voel ik me nog steeds heel schuldig om, maar, zoals de Engelsen zeggen: you can’t unscramble scrambled eggs. Ik heb er een puinhoop van gemaakt. En dat kan ik mezelf niet vergeven. Het is niet zo dat ik mezelf elke dag loop af te ranselen, maar ik heb het gewoon niet goed gedaan. Meer wil ik er niet over zeggen. Niet om problemen uit de weg te gaan, maar omdat ik wil voorkomen dat ik ooit nog anderen pijn zal doen.”

X Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

“Het is maar goed dat je al die lastige geboden voor het laatst hebt bewaard, dan vind je me op basis van mijn eerdere antwoorden misschien nog steeds een beetje sympathiek… want ook hier scoor ik niet al te best. Het is verschrikkelijk kinderachtig, maar ik ben heel erg afgunstig. Als iemand een hit heeft, als iemand twee keer achter elkaar ergens mee in het nieuws is, als iemand een mooi huis heeft, een dikkere auto rijdt, verzin het maar: ik ben op alle vlakken zo jaloers als de pest. Waarom ben ik toch zo ontevreden?

“Ik heb er ooit eens met een psycholoog over gesproken, die zei dat ik als jongetje al vond dat ik niet genoeg kreeg en dat ik dat probleem nooit heb weten op te lossen. De grap is dat ik, als jongste van vijf, tot op het bot werd verwend. Ik was het prinsje, maar zo heb ik mezelf nooit gezien. Nee, het was altijd: waarom jij wel en ik niet? Dat is een gedachte die als eerste bovenkomt. Waarom krijg ik een slechte recensie en wordt iemand die min of meer hetzelfde niveau heeft de hemel in geprezen? Als aan het eind van een optreden het publiek massaal opspringt en om nog een liedje vraagt, valt mijn blik op die ene man op de voorste rij die, chagrijnig, met z’n armen over elkaar, op z’n stoel is blijven zitten. Daardoor ga ik aan het einde van de avond met een rotgevoel naar huis. Wat heb ik verkeerd gedaan? Maar goed, ook hier werk ik aan. Het lukt me steeds vaker om dingen te relativeren. Kom me over twintig jaar nog maar eens opzoeken, dan zul je merken dat ik me nergens meer druk over maak. Dat ik tevreden ben. Trouw, eerlijk en dankbaar. Precies zoals mijn vader het me heeft voorgedaan.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden