Interview Karla Peijs

Oud-politica Karla Peijs: Ik wil niks overdoen, ik ben gewoon 75 en dat is goed

De carrière van Karla Peijs heeft een nieuwe wending genomen. Beeld Martijn Gijsbertsen

Ouder worden, hoe doe je dat? Karla Peijs komt als voorzitter van het dorpshuis nu duizenden euro tekort, als minister waren dat miljarden – maar verder lijkt het erg op elkaar. Deel twee van een interviewserie van Cisca Dresselhuys (1943) met generatiegenoten die in het brandpunt van de belangstelling stonden, maar het nu rustiger aan doen.

Wie op internet zoekt naar Karla Peijs, ziet vrijwel bovenaan alle berichten haar benoeming tot voorzitter van het Dorpshuis in Harmelen. Haar carrière heeft duidelijk een nieuwe wending genomen, na veertien jaar lidmaatschap van het Europees Parlement, vier jaar CDA-minister van verkeer en waterstaat en zes jaar Commissaris van de koningin in Zeeland. Ze is een nieuw leven begonnen.

“Ik wist al een hele tijd dat ik na mijn afscheid in Zeeland, in 2013, terug wilde naar het midden van het land, waar mijn kinderen en kleinkinderen wonen. Een kleinzoon heeft een autistische stoornis, wat voor zijn moeder, mijn gescheiden en fulltime werkende dochter, niet gemakkelijk is. Daar wilde ik graag de helpende hand bieden. Dus zocht ik een huis in Harmelen, waar ik dertig jaar geleden ook gewoond heb. Ik vond het toen een leuk, warm dorp.

“Maar ja, ik had nog een huis in Middelburg dat ik moest verkopen, wat een tijdlang niet lukte. Pas eind 2016 kon ik in Harmelen gaan wonen. En dan moet je dus inburgeren in zo’n nieuwe woonplaats. Toen ik een keer boodschappen deed in de buurtsuper, trof ik daar een kennis, die zei: ‘Goh Karla, we zoeken een nieuwe voorzitter voor ons dorpshuis, is dat niet iets voor jou?’ Ik zei: ‘Top, doen we, klaar’.”

Wel iets heel anders dan minister.

“Nee hoor, het lijkt heel erg op elkaar. In beide gevallen heb je met politiek en geld te maken. Bij het ministerie kwam ik miljarden tekort, bij het dorpshuis duizenden, maar hoe dan ook moet je op zoek naar geld. We wilden bijvoorbeeld een lift, heel verstandig, want als je zegt dat je gebouw bedoeld is voor mensen van 0 tot 99 jaar, hoort daar een lift bij. Zo’n ding bleek 35.000 euro te kosten, waarvan we 27.000 van de gemeente kregen, de rest moesten we zelf ophoesten. Prima. Aan de slag dus met vrijwilligers, vooral veel handige mannen, die een groot deel van het werk zelf hebben gedaan en daarnaast dus speciale acties.

“In dat dorpshuis gebeurt heel veel, het biedt onderdak aan van alles en iedereen: van schoolklassen en creatieve clubs tot een spreekuur van een begrafenisondernemer. Eenmaal in de veertien dagen koken vrijwilligers er een betaalbare maaltijd voor iedereen, die wil mee-eten, onder wie ikzelf, als het even kan. Al deze activiteiten gebeuren onder het toeziend oog van een leidinggevende, die ‘buurtverbinder’ heet, in het jargon van die kringen.”

Nog andere bezigheden in Harmelen?

“Ik heb me gemeld bij een bridgeclub, ook heel goed om mensen te leren kennen. Als kind bridgede ik thuis veel, want m’n vader, een gezellige Brabander, was er gek op. Vreselijk vond ik het toen, omdat het moest. Kwamen m’n vrienden me halen om uit te gaan, zei m’n vader: ‘Wat jullie doen, weet ik niet, maar zij blijft hier.’ Dan bleef iedereen dus en zaten we de hele zaterdagavond, tegen m’n zin, te spelen. Maar nu vind ik het leuk, ik heb zelfs weer een cursus gevolgd om goed te kunnen meedoen. Al met al ben ik dus aardig ingeburgerd in Harmelen.”

Naast het besturen van een dorpshuis heb je ook nog andere bezigheden.

“Jazeker, ik heb een aantal commissariaten, zit in een raad van toezicht en een paar besturen. Ik heb het geluk dat mensen me nog kennen, al ken ik hen niet meer. Anoniem kunnen zijn heb ik altijd heel prettig gevonden, ik sta niet graag in de schijnwerpers. Maar met mijn witte haar ben ik klaarblijkelijk nog steeds herkenbaar. Behalve betaalde klussen heb ik ook nog een stel onbetaalde, met name in Zeeland, bij het Watersnoodmuseum, het Bevrijdingsmuseum, de Grote Kerk in Veere en nog een voor Europa. Al met al ben ik zo’n twee weken per maand bezet, vooral in het voor- en najaar. Soms zijn er wel eens weken, dat ik helemaal niks heb, dan voel ik me zinloos. Waar ben ik nog voor, denk ik dan.”

Karla Peijs. ‘Soms zijn er weken dat ik niks heb, dan voel ik me zinloos. Waar ben ik nog voor?’ Beeld Martijn Gijsbertsen

Deze serie heet ‘Een stapje terug’, maar dat slaat niet bepaald op jou.

“Bij mij is het meer een stapje opzij. Natuurlijk doe ik veel minder dan vroeger en ook heel andere dingen, veel meer onbetaald werk. Dat ik trouwens ook nog betaald werk heb, is wel fijn, want mijn pensioen is gebaseerd op mijn gewerkte jaren en dat zijn er maar net iets meer dan twintig. Ik was namelijk een laatbloeier, ben pas gaan studeren en werken toen ik al in de dertig was en moeder van twee kinderen.

“Mijn eerste man was niet zo’n ambitieus type, die vond het heerlijk om ‘s avonds op de bank te zitten. Hij vond het niks dat ik nog ging studeren en buitenshuis werken, daar is ons huwelijk ook op stukgelopen. Maar als vader was hij heel goed, een lieve man, ik had van geen andere man kinderen willen hebben. Hij is hertrouwd en inmiddels overleden. Zijn weduwe woont ook in Harmelen. Het eerste wat ik gedaan heb toen ik hier kwam wonen, was haar opbellen, ik wilde per se geen ongemakkelijke taferelen – niet dat ik die verwachtte, want ik was indertijd al bij hun huwelijk geweest.”

Toen ik je een paar jaar geleden interviewde in Middelburg vertelde je over lat-huwelijk. Je tweede man woonde in een huis aan het Veerse Meer, jij in Middelburg. Latten jullie nog steeds, ook nu jullie beiden allang met pensioen zijn?

“Jazeker en dat bevalt mij prima, hij vindt het iets minder, hij zou liever samenwonen. Maar dat verdragen onze temperamenten niet, zal ik maar zeggen. Bovendien wil hij z’n mooie huis in Kortgene aan het Veerse Meer niet uit en ik wil daar echt niet wonen. In de zomer is het wel aardig, maar in de winter is het er doodstil, zo’n 1800 bewoners en niks te doen. Nou, dat is niks voor mij. Dus reizen we in de weekeinden naar elkaar toe. Eigenlijk doen we dat al sinds ons huwelijk in 1989. In datzelfde jaar ging ik naar Europees Parlement en had ik dus een flat in Brussel, daarna werkte ik in Den Haag en had daar een flat.

“Mijn man is zes jaar ouder dan ik, hij is nu 81. Nog heel gezond en kwiek, bij de verbouwing van mijn huis in Harmelen heeft-ie drie dagen onder de vloer gelegen om daar isolatie aan te brengen, hij is van huis uit namelijk een bouwer.”

Karla Peijs

Karla Peijs (Tilburg, 1944) is oud-CDA-politica. Na het gymnasium studeerde ze sociologie aan de universiteit van Nijmegen en de VU in Amsterdam. Van 1985 tot 1989 was ze docent economie aan de Hogeschool Utrecht. In die tijd was zij lid van de Provinciale Staten van Utrecht. Van 1989 tot 2003 was zij lid van het Europees Parlement en van 2003 tot 2007 minister van verkeer en waterstaat in twee kabinetten-Balkenende. Van 2007 tot 2013 was ze Commissaris van de koningin in Zeeland.

Na haar pensionering heeft ze verschillende (on)betaalde banen. Ze heeft een lat-huwelijk met de Zeeuwse ondernemer Rinus Plat-schorre, heeft twee kinderen (uit haar eerste huwelijk) en zes kleinkinderen. Met haar twee poezen woont ze in Harmelen.

Maar als hij ziek zou worden, wat dan?

“Daar denk ik natuurlijk weleens over, hoewel ik van huis uit geen piekeraar ben, ik ben meer iemand van: we zien het wel als het zover is, dan lossen we het op. In dit geval zou dat waarschijnlijk betekenen dat ik hem ga verzorgen. Maar nogmaals: geen zorgen voor morgen. Trouwens, als ik erover nadenk, misschien word ik wel eerder ziek dan hij.”

In datzelfde interview hadden we het ook over ouder worden. Jij zei toen: ‘Lichamelijk verval? Net doen of het er niet is.’ Hoe kijk je daar nu tegenaan?

“Nog hetzelfde. Een mens hoeft niet te verkommeren in de ouderdom, je moet gewoon in de spiegel blijven kijken, je leuk aankleden en regelmatig naar de kapper gaan. Dat deed ik en dat doe ik nog steeds. Een van de eerste dingen hier in Harmelen was een goede kapper opzoeken, dat is gelukt en daar ga ik elke week heen.

“Ik heb af en toe wel wat trammelant aan het lijf, een hernia, pijnlijke knieën, voeten en handen, maar dat is tot nu toe allemaal nog te bestrijden met pijnstillende injecties. Ik ben 4 centimeter gekrompen, waardoor er om m’n middel een zwembandje bij is gekomen. Goed op m’n gewicht letten is dus de boodschap. Hoge hakken zijn er helaas niet meer bij, dat zijn platte schoenen geworden, maar dan wel smakelijke sneakers. Met botox heb ik geen probleem, maar in het gebruik valt dat tegen, je expressie verdwijnt erdoor.

“Echt heel vervelend is dat ik veel slechter slaap dan vroeger, bijna elke nacht ben ik om vier uur klaarwakker, hoe vroeg of laat ik ook naar bed ga. En dan komt het gepieker: hoe moet het verder met m’n kleinkinderen, met Rinus en dat soort zaken. Dus ga ik dan maar bridgen of wordfeud spelen op m’n tablet.”

Denk je in die nachtelijke uren weleens aan je eigen einde?

“Zelden. Ik ben niet bang voor de dood, maar wel voor de manier waarop die komt. Mijn moeder is vroeg dement geworden, op haar 56ste kreeg ze alzheimer. Lang ben ik erg bang geweest dat ik die ziekte ook zou krijgen. Elke keer dat ik m’n sleutels vergat of een woord kwijt was, sloeg de angst toe. Dat is bij het ouder worden minder geworden.

“Wat ik wel weet is dat ik de rit niet tot het bittere eind ga uitzitten als ik alzheimer krijg, daar regel ik iets voor. Trouwens ook bij andere uitzichtloze ziektes. Mijn lievelingszus is na zware behandelingen overleden aan slokdarmkanker, die lijdensweg wil ik niet meemaken. Mijn vader, die maagkanker had, heeft met veel moeite uiteindelijk euthanasie gekregen, waarvoor we hem op het einde nog van het rooms-katholieke verpleegtehuis naar het huis van mijn broer moesten brengen, omdat het verpleeghuis niet wilde dat het daar gebeurde. Ja, je maakt vreemde dingen mee aan het levenseinde. Daarom moet je het tijdig goed regelen.

“Tijdens de laatste maanden van mijn vader ben ik zoveel mogelijk bij hem geweest. Hij praatte eigenlijk nooit over zijn ziekte, de maanden voor z’n dood hebben we vooral rummikubbend doorgebracht. Prima, als iemand dat wil, doe ik dat. Zo zit ik zelf ook in elkaar, ik houd er totaal niet van over ziektes te praten. Elkaar even vertellen hoe het ervoor staat, wat de dokter gezegd heeft en daarna gewoon over het dagelijks leven praten. Ik heb altijd wel een mop of een vrolijk verhaal paraat als ik op ziekenbezoek ga.”

Wat was de mooiste tijd uit je leven?

“Zo tussen de 40 en de 55, toen ik in het Europees Parlement zat. Veel leuke, jonge mensen om me heen, interessante zaken op de agenda, overal met je snufferd vooraan zitten, maar niemand die je kent. Heerlijk. Op die leeftijd weet je ook wel zo’n beetje hoe de wereld in elkaar zit, je bent niet meer zo onzeker.

“Eigenlijk kijk ik nooit achterom, ik heb ook zelden ergens spijt van, behalve van het verdriet dat ik anderen heb bezorgd door mijn scheiding. Al met al heb ik een heerlijk leven gehad, maar ik wil niks overdoen. Ik hoef geen achttien meer te zijn en ook geen veertig, ik ben gewoon 75 en dat is goed.”

Cisca Dresselhuys

Cisca Dresselhuys (Leeuwarden, 1943) werkte van haar 18de tot haar 38ste als journalist bij Trouw. Daarna was ze, tot haar ­pensioen in 2008, hoofdredacteur van Opzij, waarin zij onder meer de interviewserie ‘Langs de Feministische Meetlat’ verzorgde. Ze schreef een aantal boeken, waaronder ‘Drukker dan ooit’, over doorwerken na je 65ste.

Nu schrijft ze interviews voor Nouveau en columns voor opinieblad ­Argus, dat gemaakt wordt door gepensioneerde journalisten.

Lees ook:

‘Vroeger wilde ik snel resultaat, nu wil ik juist de diepte in’

Cisca Dresselhuys (1943) interviewde in de eerste aflevering van deze serie Hans Galjaard. Als hoogleraar genetica was hij niet uit de media weg te slaan. Die bekendheid mist hij niet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden